Op zoek naar de verloren tijd

13-12-2010
Door: Vamba Sherif
Bron: IS Online
Vamba Sherif

Na twintig jaar keert de in Nederland wonende journalist en schrijver Vamba Sherif terug naar zijn geboortegrond in Liberia.
Hij ontdekt er de ware toedracht van zijn moeders dood. “In een traditie waarin de waarheid altijd verbloemd wordt, was mij een pijnlijke waarheid bespaard.”


Na twintig jaar afwezigheid ging ik naar mijn geboortestad terug. De laatste keer dat ik Kolahun zag, was in 1990. Een dag eerder was ik vanuit Nederland naar Monrovia, de hoofdstad van Liberia, gevlogen: vol angst voor wat mij te wachten stond. Liberia was door de oorlog verwoest. Overal deden wilde verhalen de ronde over mensen die, na lang verblijf in het buitenland, terugkeerden om vervolgens via eten vergiftigd te worden door een of ander jaloers persoon. Na de burgeroorlog heeft het geweer plaats gemaakt voor het gif, en de vijand kan overal aanwezig zijn. ’s Avonds klinken er vanuit de ontelbare kerken die de stad na de oorlog rijker is geworden, geluiden van trommels, ratelaars en muziek. Monrovia is tegenwoordig een marktplaats van ‘godzoekers’.

Lijfwachten
Ik logeerde bij mijn oudste broer, die de zorg voor bijna dertig familieleden had overgenomen. Allemaal jongens en meisjes wier ouders in de oorlog waren gesneuveld.
De chauffeur die mij naar mijn geboortestad reed, bleek een ex-rebel te zijn. Hij haalde me die ochtend vroeg op. Als maatregel tegen onvoorziene omstandigheden besloot ik me te vergezellen van een aantal neven, allen hard geworden door de oorlog, die als lijfwachten zouden fungeren. We stouwden de jeep vol met voorraden die bestemd waren voor dat deel van de familie dat nog in het noorden woonde. Voordat de stad ontwaakte, waren we al een eind op weg naar onze bestemming. De chauffeur was behendig. Het lukte hem de talloze gaten in de wegen te ontwijken. Toen ik daarover iets opmerkte, zei hij: “Ik was chauffeur van een rebellenfractie in de oorlog, Chief.” Hij was stevig gebouwd, met kromme benen, bloeddoorlopen ogen. Hij droeg een pet en winterlaarzen in een hitte die mij de slaap had onthouden. Zijn onthulling maakte me sprakeloos, verlamd. Ik zat in dezelfde auto als iemand die in de oorlog had gevochten, misschien zelfs mensen had vermoord.

Sluipschutter
De oorlog waaraan mijn rebellenchauffeur had deel genomen, begon in 1989 toen Charles Taylor met zijn rebellengroep probeerde de toenmalige president Samuel Doe, die via een bloedige staatsgreep in 1980 aan de macht was gekomen, ten val te brengen. Maar de oorlog begon eigenlijk al veel eerder, toen de vrijgelaten slaven in 1822 vanuit Amerika naar Afrika terugkeerden en Liberia stichtten. Het falen van deze Americo-Liberianen in de omgang met de rest van de Liberiaanse bevolking zou meer dan een eeuw later in een bloedige burgeroorlog uitmonden.
Mijn chauffeur stopte bij een restaurant in een stadje waar het asfalt plaats maakt voor stoffige wegen. “Stel je voor, Chief”, zei hij, terwijl we ons over een schotel van rijst met cassavebladeren en gerookte vis in palmolie bogen. Ik voelde me ongemakkelijk bij de titel ‘Chief’. Gebruikte hij dat woord om mij uit te lachen of om mij op een voetstuk te plaatsen? “Ik reed met een snelheid van 200 kilometer per uur in een jeep zonder ramen. Mijn hoofd net onder het stuur, uit angst dat een sluipschutter het eraf zou schieten. Achter in de jeep stond een man met een automatisch geweer dat hij afvuurde op eenieder die onze weg kruiste. Onze missie was om in het hart van het vijandelijke gebied terecht te komen en daar met onze bazooka’s chaos te veroorzaken.” Terwijl ik naar hem luisterde, viel het mij op dat hij waarschijnlijk nog maar een tiener was toen hij deze gevaarlijke missies uitvoerde, een kind. “We hebben de oorlog gewonnen, Chief”, vertelde hij mij met trots. Maar tegen welke prijs, vroeg ik mij af, denkend aan mijn moeder.

Mysterieus
Mijn moeder was in de oorlog gestorven toen vechtende rebellengroepen het noorden van het land afgesloten hadden van de rest van de wereld. De rebellengroepen waartoe ook mijn chauffeur had behoord. Mij was aanvankelijk verteld dat mijn moeder ziek was geworden en door gebrek aan medicijnen was overleden. Later kreeg ik van een familielid in Guinee te horen dat ze nog leefde. Dit bericht zou later weer ontkracht worden. Zij was er inderdaad niet meer. Maar de ware toedracht van haar dood bleef voor mij al die jaren onduidelijk. Ik hoopte dat deze reis mij daarover eindelijk duidelijkheid en rust kon geven.
Intussen nestelde het stof zich in alle hoeken en gaten van de auto. Het bemoeilijkte onze ademhaling en maakte ons soms zelfs even helemaal blind. Aan beide kanten van de weg lagen oerwouden, mysterieus en eeuwenoud, groener dan groen. Ze bekroonden de bergen en bedekten als spreien de aarde. Dorpen doemden op, sommige verlaten en andere spaarzaam bevolkt, maar altijd met die rood-oranje bomen die mijn ogen streelden en mensen die langs de weg houtskool, vis of bushmeat stonden te verkopen.

Kogels
Tegen de schemering kwamen we in Kolahun aan. De buitenwijken waren bezaaid met huizen in zo’n erbarmelijke staat dat ik me niet kon voorstellen dat er mensen woonden. In het centrum van de stad zag ik een gebouw dat ik uit mijn kinderjaren herkende: een gebouw met twee verdiepingen dat ooit aan de Libanees, ‘De Kale Oude Man’, behoorde. Kolahun was altijd vernuftig wat bijnamen betrof. Zo heette onze beste voetballer ‘De Veger’, omdat hij bij het voetballen alles op zijn pad wegveegde. En de jongen die ooit de fout maakte om als grap zijn vriendje in een kartonnen doos te stoppen en deze in brand te steken, heette ‘Foday de Beul’. Toen ik hem later ontmoette, ouder en wijzer geworden, noemde men hem nog steeds ‘De Beul’, maar dan wel achter zijn rug om.
Het gebouw van de Libanees was met kogels doorzeefd, net als alle andere huizen in de buurt. De drukke straat, waar vroeger vrouwen gebakken vis en oliebollen verkochten aan hun geliefden, deed mij nu smal voorkomen. De winkels, inclusief het benzinestation waar damspelers dagelijks bij elkaar kwamen om elkaar te beledigen, waren er niet meer. In die straat heb ik mijn roeping als schrijver gevonden. Als service voor mannen uit de buurt schreef ik brieven bestemd voor analfabete vrouwen die de brieven nooit lazen, maar in hun doeken wikkelden, om de mannen vervolgens wekenlang op antwoord te laten wachten in het spel dat liefde heet.

Schandaal
Mijn hart begon hard te bonken toen we links afsloegen richting mijn ouderlijk huis. Voor me stond een kleine groep mensen, vooral vrouwen, het restant van wat ooit de grootste familie in Kolahun was. Toen de vrouwen me omhelsden, rook ik de geur van brandhout, het stof van gestampte rijst en het eten dat ze klaar aan het maken waren. Ik klampte me aan hen vast, bang te worden overspoeld door een golf van emoties. Toen ik eindelijk losliet, stond ik even stil om de hele omgeving in mij op te nemen. Waar ooit mijn moeders huis stond, was nu niks meer. De mangobomen waar ik ooit in klom, op zoek naar sappige vruchten, waren weg. Mijn vaders huis stond er nog wel. Ik liep naar binnen en ging op zoek naar de kamer waarin ik ooit naar binnen sloop om de duizenden boeken te lezen die daar lagen, inclusief boeken geschreven in het Arabisch door mijn voorouders. In die kamer, in het licht dat door een kier in het raam naar binnen scheen, heb ik over het soefisme geleerd. Ik worstelde er met formules om onvruchtbare vrouwen kinderen te laten krijgen, of iemand rijk of arm te maken. Een van mijn ooms bracht mijn kleine misdaad aan het licht. “Die jongen leest boeken die alleen mensen van boven de veertig zouden mogen lezen”, zei hij. Daarmee barstte een schandaal los dat niet alleen mij, maar ook mijn moeder trof. Zij had mij ertoe aan gezet om de boeken te lezen, zodat ze nog rijker kon worden dan ze al was, zo luidde de aanklacht. Nu was de kamer leeg. “De rebellen hebben de boeken verbrand”, vertelde een tante. Op mij moeders dood na, was dit voor mij het grootste verlies.

Buitenaardse schoonheid
Ik kon niet wachten om mijn moeders graf te bezoeken in Massabolahun, een dorp in de buurt van Kolahun. Ik kon er alleen niet meteen heen, omdat de dorpsbewoners een officiële ontvangst voor mij wilden voorbereiden. Twee dagen later kwamen honderden mensen me welkom heten, liederen zingend die plechtig maar tegelijkertijd teder klonken. Zo werd ik naar mijn moeders graf begeleid. Het gras om het graf was gemaaid en omsingeld door een hek van bamboe. In de stilte die viel, dacht ik aan mijn moeder. Aan haar gladde, donkere huid, aan haar overweldigende schoonheid, vooral als ze in een kleurrijke wikkeldoek naar buiten kwam, op weg naar de markt waar ze als een koningin regeerde. Mensen noemden haar de ‘Schone Mandingo’.
Schapen werden geofferd, en ik werd gevraagd iets te zeggen. De woorden verzamelden zich gehaast in mijn geest maar stokten in mijn keel. De menigte barstte in tranen uit. Een oude vrouw stond op en zei: “Je moeders schoonheid was buitenaards, Sherif. Haar huid was zo glad, de welvingen in haar nek zo nadrukkelijk dat mensen stil stonden om haar te bewonderen.” Ik geloofde haar, en koos ervoor om alles wat ik op die dag te horen kreeg te geloven.

Pijnlijke waarheid
Na de ceremonie bracht ik de dagen door tussen Kolahun en Massabolahun, met bezoeken aan oudere mensen en vrienden. Gezichten uit mijn kinderjaren herkende ik meteen, maar namen ontglipten me vaak. Het gemak waarmee mensen over de oorlog praatten, verbaasde me. “Een rebellencommandant had je moeder opgepakt, Sherif”, vertelde het dorpshoofd van Massabolahun. “Geloof me als ik het zeg, omdat ik erbij was toen het gebeurde. Hij vuurde een aantal schoten, maar geen enkel schot raakte haar. Jouw familie is uniek, Sherif.” Ik geloofde hem niet. In deze anekdote, zo treffend verteld, lag de ware toedracht van mijn moeders dood. Ze was door een rebel gedood. In een traditie waarin de waarheid altijd verbloemd wordt, werd mij toen ik in Nederland was een pijnlijke waarheid bespaard met een dragelijke waarheid, namelijk mijn moeders dood door ziekte.
In Kolahun ging ik naar de rivier waar ik heb leren zwemmen. De zwemplek was bebost en ik moest mij er met een machete een weg naartoe banen. Op weg naar de rivier zag ik mijn vaders school, die hij had gebouwd toen hij uit Egypte terugkwam. De school had inmiddels een andere naam. Alles wat herinnerde aan de man die de school ooit gebouwd had, was weggevaagd. Dat was een andere waarheid waarmee ik moest leren leven.

Hoe langer ik in Kolahun verbleef, hoe meer ik naar mijn nieuwe thuis in Nederland verlangde. Maar op de dag dat ik zou vertrekken, begon ik Kolahun te missen, ook al was ik nog steeds binnen de stadsgrenzen. De wereld van mijn verleden is anders dan mijn heden, maar de twee werelden zullen altijd mijn leven blijven bepalen.

Vamba Sherif

Vamba Sherif vluchtte samen met zijn familie uit Liberia naar Syrië en kwam...

Lees meer van deze auteur >

Reacties