Op de rug van het verleden

30-06-2011 Bron: IS Online
Francis Fukuyama (c) Peter Boer

Francis Fukuyama, de befaamde Amerikaanse denker die het einde van de geschiedenis afkondigde, bestudeert tegenwoordig de geschiedenis van staatvorming. De geschiedenis is machtig: zo wortelt het zwakke bestuur in Afrika in de koloniale tijd, toen de westerse landen hun mannetjes neerzetten om voor hen te heersen. “Dat was het begin van de postkoloniale bobo, die zijn eigen macht in stand houdt door mensen via geld en baantjes aan zich te binden.”

Geschiedenis is een schildpad, zegt Francis Fukuyama. We zitten in de bibliotheek van het Amsterdamse Ambassadehotel, vaste stop over voor schrijvers in transit. De Amerikaanse filosoof/politicoloog laat de mededeling heel even inwerken. Geschiedenis is een stapel schildpadden, vervolgt hij. “Stephen Hawking, de beroemde natuurkundige, gaf een lezing over de oerknal, waarna een bejaarde dame opstond en zei: ‘Nee, de aarde is een schijf die balanceert op de rug van een schildpad. En die schildpad staat weer op een andere schildpad en die staat ook weer op een andere. Dat gaat oneindig door’.” Hij maakt een deze-vuist-op-deze-vuist-beweging. “De stapel schildpadden is een metafoor voor causale verbanden tussen toen en nu. Onder elke schildpad die je oplicht, zit er weer een andere. Om de wereld te begrijpen, zoeken we naar economische, politieke of sociale verklaringen, maar de antwoorden liggen in de geschiedenis.” Fukuyama schreef 22 jaar geleden zelf geschiedenis met The End of History, het pamflet waarin hij met de val van de Muur het einde van de ideologische evolutie voorspelde, met de westerse liberale democratie als de ultieme vorm van menselijk bestuur. De wereld heeft niet bepaald stilgestaan na het einde van de Koude Oorlog. Maar om te begrijpen waarom bijvoorbeeld Argentinië bankroet kon raken of waarom in Iran de ayatollahs aan de macht blijven, moeten we volgens Fukuyama ver teruggaan, naar het begin van onze beschaving. Hij werkt aan zijn magnum opus, De oorsprong van onze politiek, een tweeluik over de geschiedenis van onze democratie. Deel 1, van de eerste moderne staten in China, India en het Midden-Oosten tot aan de Franse Revolutie, is net in Nederlandse vertaling verschenen.

In uw boek kijkt u naar staatvorming door de eeuwen heen. Een effectieve staatsmacht, functionerende rechtsorde en politieke verantwoordingsplicht zijn volgens u de basisingrediënten van een functionerende staat. Waarom blijven veel Afrikaanse landen steken in wanbeleid?
“Dat is te begrijpen als je de schildpad van het kolonialisme optilt. Afrika bleek geen heel vruchtbare grond voor exploitatie. Daarom wilden de Europeanen er niet te veel geld in stoppen en creëerden ze een systeem van indirect bestuur. Ze hadden iemand nodig die belastingen voor ze inde en met ijzeren hand de lokale bevolking onder de duim hield. De Europeanen wezen een lokale man aan als hun tussenpersoon, zodat ze zelf niet een enorme infrastructuur van soldaten en ambtenaren op hoefden te zetten. Dat was het begin van de postkoloniale bobo, die zijn eigen macht in stand houdt door mensen via geld en baantjes aan zich te binden. Tel daarbij op de rigide vastgestelde landsgrenzen die etniciteit en religie doorkruisen. Zwak bestuur in hedendaags Afrika is een optelsom van al die factoren.”

Brengt het westerse democratische model de oplossing voor Afrika?
“Nou, nee. In de filosofie van de Wereldbank is democratie hét tovermiddel, omdat de kiezers corrupte politici zullen afstraffen in het stemhokje. Maar de geschiedenis laat een heel ander patroon zien. In veel recentelijk ontstane democratieën is patronage onderdeel van het systeem. Dat zie je in India, waar politici voordeeltjes, cadeautjes en banen uitdelen aan individuen, van wie ze op die manier electorale steun kopen. Patronage is de armeluisversie van verantwoording afleggen aan de kiezers. Zo geeft de politicus tenminste íets terug. Er zijn immers ook genoeg vormen van corruptie waarbij de machthebbers alleen zichzelf verrijken.”

Maar is corruptie dan wel uit te bannen?
“Dat is een politiek proces, dat laat ik ook in mijn boek zien. Dat kost heel erg veel tijd en moeite, want corrupte politici zijn niet corrupt omdat ze niet beter weten. Ze zijn corrupt omdat het lucratief is. Arme mensen zullen stemmen op degene die belooft om hen te helpen. Daarom is economische groei een voorwaarde om corruptie uit te bannen. Het begint bij een politicus die tegen de stroom in durft te roeien en een anti-corruptie-coalitie bouwt, waarbij anderen zich aansluiten. Je hebt goed opgeleide middenklasse-stemmers  nodig die deze vorm van politieke transformatie steunen. Denk aan zakenmensen die het zat zijn om steekpenningen te betalen of gewone burgers die betere publieke diensten opeisen. Dat is nu aan de gang in Brazilië.”

Werkt het westerse ontwikkelingsmodel daarbij als – moreel – kompas?
“De huidige financiële crisis betekent het failliet van de Washington Consensus. Het liberale geloof dat een vrije markt de motor is van economische groei, heeft twintig jaar lang ons ontwikkelingsdenken gedomineerd. Dat heeft tot zekere hoogte gewerkt. Kijk naar het succes van China en India. Maar meer economische groei betekent niet automatisch minder armoede. Bovendien zijn de Verenigde Staten zelf de dupe geworden van de adviezen die ze ook aan andere landen gaven. Het openstellen van hun financiële markt heeft tot een enorme kapitaalvlucht geleid. Ontwikkelingslanden luisteren daarom niet meer naar Washington, maar komen zelf met strategieën voor economische groei.”

Wordt die groei wel gekoppeld aan armoedebestrijding?
“Mexico heeft een programma ontwikkeld dat nu al een groot succes is in verschillende landen in Latijns-Amerika, waaronder Brazilië. Het idee is simpel. Gezinnen ontvangen contant geld, op voorwaarde dat ze hun kinderen naar school sturen of op tijd naar de dokter gaan. De programma’s zijn zo ontworpen, dat de impact heel goed meetbaar is. De statistische resultaten liegen er niet om en dat vergroot de bereidheid bij de rijken om meer belasting te betalen. De opkomende landen hebben dus heel wat te leren aan de wereld. Het centrum van de ontwikkelingsideeën verschuift naar waar het zou moeten zijn: in het Zuiden.”

China is een grote speler op het wereldtoneel geworden. Wat voor lessen hebben de Chinezen voor ons?
“China voorziet in infrastructuur en voorzieningen op plaatsen die westerse donoren links laten liggen, maar China opereert vaak niet in het belang van de armen. In Papua heb ik gezien hoe ze honderden laagbetaalde Chinese arbeiders het werk in de nikkelmijnen lieten doen. De lokale bevolking verdient er dus geen cent aan. Dankzij Chinees oliegeld kan de Sudanese regering vreselijke dingen doen in Darfur en Zuid-Sudan. Tegelijkertijd voelen veel mensen in ontwikkelingslanden weerstand tegen de bazigheid van westerse donoren, die ze constant vertellen wat ze moeten doen en wat ze zouden moeten willen. Stel, ik vraag een lokale burgemeester wat hij wil voor zijn stad. Een voetbalstadion, zegt hij. Dan zeg ik: ‘Nee, daar gaan we je niet bij helpen. Je hebt geen stadion nodig, maar een kliniek of een school’. Vervolgens komen de Chinezen en die bouwen een voetbalstadion. En dat blijkt dan ook nog eens goed te zijn voor de onderlinge saamhorigheid en de kinderen van de straat te houden.”

De crisis heeft het imago van het kapitalistische Westen geen goed gedaan. Biedt ons model nog wel perspectief voor de Egyptische en Tunesische jongeren die hun samenleving opnieuw willen vormgeven?
“De aantrekkingskracht van het westerse, democratische model zit minstens evenveel op een sociaal-cultureel niveau als op het politieke, institutionele niveau. Jongeren in de Arabische wereld zien leeftijdgenoten in een liberale samenleving waar ze hun mening kunnen uiten, zich vrij kunnen bewegen en kunnen solliciteren naar banen. Dat is en blijft een heel krachtig voorbeeld.”

Bent u optimistisch over het perspectief voor de Arabische wereld?
“De democratiseringsbeweging gaat het heel moeilijk krijgen, want ze hebben historisch gezien geen ervaring met zich organiseren in politieke partijen, vrije media en maatschappelijke organisaties. Het grote voordeel van Egypte en Tunesië is dat ze een behoorlijk goed ontwikkelde nationale identiteit hebben. Je hoeft niet bang te zijn voor tribalisme, voor gevechten langs etnische lijnen zoals in Bahrein of Libië.”

Tribalisme en moderne staatvorming gaan niet samen, schrijft u in uw boek.
“Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Als de staat niet functioneert, viert tribalisme hoogtij. Dat zie je in Afghanistan. Daar is het een geografische consequentie, want hoe kun je in zo’n ondoordringbaar berggebied zorgen dat de regels en wetten van een centrale overheid gerespecteerd worden?”

Toch lijken wij in Nederland te geloven dat staatvorming zelfs in Afghanistan mogelijk is. Kamp Holland is verlaten, maar we sturen deze zomer wel politietrainers naar Kunduz.
“Het is de vraag hoeveel tijd, geld en levens we nog willen inzetten om de Taliban van de macht weg te houden, want Afghanistan vormt geen internationale terroristische dreiging meer. Al-Qaida gebruikte Afghanistan als uitvalsbasis om de VS en andere landen aan te vallen, maar dat opereert nu vanuit Pakistan en Jemen. De Taliban zijn strijders van het Pashtun-volk die hun eigen land willen besturen. En het is waar, dat gaan ze niet doen op een plezierige manier, zeker niet op het gebied van vrouwenrechten en vrijheid van meningsuiting. Maar ze zijn niet van plan om Nederland aan te vallen. In plaats van de Taliban te bestrijden, zouden we daarom tot een overeenkomst moeten komen. Zij zouden delen in het zuiden van Afghanistan kunnen bestieren. Het probleem is ook dat we geen goede coalitiepartner hebben om democratie te promoten. President Karzai tolereert een grote hoeveelheid corruptie. “

In uw boek beschrijft u China als een kapitalistische, maar totalitaire staat die de VS de loef afsteekt op dit moment. Daarmee raakt u aan de discussie die ook wordt gevoerd over Afrikaanse leiders. Wat weegt zwaarder: economische voorspoed of vrijheid?
“Ik denk niet dat het een duurzaam model is in China. Als er op een dag een minder sterke leider aantreedt, klapt het systeem alsnog in elkaar. In Oost-Azië hebben een aantal autoritaire moderniseerders, zoals Park Chung-Hee in Korea, de KMT-partij in Taiwan of Lee Kwan Yew in Singapore, behoorlijk knap werk verricht. Als president Kagame van Rwanda later een Afrikaanse Lee Kwan Yew blijkt, dan zeg ik: oké. Maar het lukt maar weinig Afrikaanse leiders om hun macht te materialiseren. Kijk naar Museveni. Hij heeft Uganda omhoog getrokken uit de ellende na de vreselijke periode onder dictator Idi Amin, maar in zijn derde termijn gaat het land nu ten onder aan wanbestuur. Hetzelfde verhaal met Meles Zenawi in Ethiopië. Die deed het de eerste tien jaar ook aardig goed. Maar sindsdien is het regime steeds autoritairder en corrupter geworden. Afrikaanse leiders blijven bijna altijd te lang hangen. Daarom heeft Afrika institutionele controlemechanismen nodig, zodat de machthebbers verkiezingsuitslagen niet kunnen manipuleren. Er zijn ook genoeg landen waar het systeem wel functioneert. Botswana, Mozambique, Ghana, Tanzania en Mali doen het goed. Ze zijn democratisch, er is oppositie mogelijk, ze laten economische vooruitgang zien en bouwen aan instituties.”

Nederland is wel een staat die beantwoordt aan uw criteria. Betekent dat dat ons land ‘af’ is?
“Nee, verre van dat. Uit zelfgenoegzaamheid vloeit veel van het idealisme in westerse landen weg naar het buitenland. Mensen willen armoede bestrijden in Afrika, in ontwikkelingslanden, omdat ze denken dat thuis alle problemen zijn opgelost. Daarmee geef je ruim baan aan populistische politici, die wél beloven zich in te zetten voor de mensen die het gevoel hebben dat ze alleen de negatieve gevolgen ondervinden van globalisering, migratie en de Europese eenwording. Na de Tweede Wereldoorlog is een begrip als ‘nationale identiteit’ besmet geraakt. Nederlanders , Fransen en Duitsers zouden voortaan alleen nog maar Europeaan zijn. Maar de elite rende voor de troepen uit, want op individueel niveau koesteren mensen hun cultuur en hun tradities. Ze voelen ze zich bedreigd door nieuwkomers die die cultuur niet erkennen en andere gewoonten meebrengen.”

In 1989 schreef u dat het einde van de geschiedenis een droevige tijd zou zijn, omdat we geen idealen meer zouden hoeven nastreven en alleen maar bezig zouden zijn met het oplossen van technische en milieuproblemen. Is die voorspelling uitgekomen?
“Nou ja, ik schreef ook dat het vooruitzicht op eeuwen van verveling ons zou kunnen helpen om de geschiedenis weer opnieuw te laten beginnen. Elk land heeft weer zijn eigen uitdagingen waar het voor staat. Ik geloof nog steeds in het liberaal-democratische model, maar binnen die staatsinrichting zijn er elke dag weer problemen te overwinnen. Dus saai is het zeker niet geworden, nee.”

Wie is Francis Fukuyama
Yoshihiro Francis Fukuyama (Chicago, 1952) is socioloog, politicoloog en filosoof. Hij was als hoogleraar verbonden aan de Johns Hopkins University in Baltimore en geeft nu les aan Stanford University, Californië. Fukuyama verwierf internationale faam met The End of History and the Last Man (1992) en The Great Disruption (1996). Als neoconservatief denker adviseerde hij president George Bush om Irak binnen te vallen, maar nam daar later afstand van. De Nederlandse vertaling van het eerste deel van The origins of political order verscheen in mei bij uitgeverij Contact (De oorsprong van onze politiek. , € 69,95).

Lonneke van Genugten

Hoofdredacteur OneWorld. Leest en schrijft het liefst over Congo, Rwanda en...

Lees meer van deze auteur >

Reacties