Ondervoeding in Afrika niet op te lossen met landbouwontwikkeling

01-11-2005
Door: Tekst: Jacques van Nederpelt


'Er is geen tekort aan voedsel op deze planeet, zo begon secretaris- generaal van de VN Kofi Anan zijn toespraak op de Wereldvoedseltop in juni 2002 in Rome. De vraag of de wereldbevolking nu en in de voorziene toekomst kan worden gevoed, wordt door deskundigen in het algemeen positief beantwoord. De productie van de belangrijkste voedselgewassen, rijst, tarwe, maïs, sorghum en gierst, nam in de periode 1950 tot 1985 toe met gemiddeld 2,8 procent per jaar tot circa 1,8 miljard ton per jaar. Dit is aanzienlijk meer dan de wereldbevolking, die namelijk jaarlijks met 1,6 procent groeide. De laatste decennia is de wereldproductie van granen tamelijk stabiel en schommelt tussen 1,8 en 1,9 miljard ton. De voedselproductie kan nog flink toenemen door toepassing van nieuwe technieken zoals genetische modificatie, een doelmatiger en duurzamer grondgebruik, en een betere organisatie van de agrarische productie, zowel op bedrijfsniveau als op sectorniveau.

Oneerlijk verdeeld

Hoewel er dus wereldwijd voldoende voedsel wordt geproduceerd om iedereen behoorlijk te voeden, komt voedselgebrek toch voor onder naar schatting 840 miljoen mensen, ofwel dertien procent van de wereldbevolking. De situatie is het ernstigst in Afrika bezuiden de Sahara, waar ondervoeding het lot is van bijna 200 miljoen mensen of eenderde van de bevolking. Voor alle ontwikkelingslanden samen is dat achttien procent. Er is dus sprake van een ernstig verdelingsprobleem tussen arm en rijk. Waar zich voedseltekorten voordoen, kunnen deze deels worden bestreden met voedselhulp; de laatste jaren gemiddeld vijf miljoen ton graan per jaar. Deze hulp komt met name van westerse landen die in het kader van het Wereld Voedselhulpprogramma van de VN hun landbouwoverschotten ter beschikking stellen aan landen met ernstige voedseltekorten.

Voedseltekorten zijn vooral problematisch in de minst ontwikkelde landen (MOL's) die om wat voor redenen ook zelf onvoldoende voedsel produceren en die het tevens aan deviezen ontbreekt om voedsel te importeren. Aan de andere kant zijn er ook arme landen zoals Egypte, waar de voedselproductie per hoofd de laatste jaren is gedaald, zonder dat de ondervoeding toenam of er hongersnood uitbrak. Verder kunnen zich voedseltekorten en zelfs hongersnoden voordoen in landen zoals India die per hoofd van de bevolking voldoende voedsel produceren. Hoe is dit te verklaren?

Geen geld, geen eten

Volgens Amartya Sen, Nobelprijswinnaar economie (1998) en 'econoom van de armoede' genoemd, moeten we voor de oorzaken van honger en ondervoeding niet naar de aanbodzijde kijken, de beschikbaarheid van voedsel, maar naar de vraagzijde. Voedseltekorten ontstaan of nemen toe wanneer bij gebrek aan koopkracht er geen vraag is en de markt het laat afweten. Aanvoer van voedsel van elders - uit surplusgebieden of het buitenland - vindt dan niet plaats. Met name bij droogte of overstromingen, wapengeweld, inflatie en recessie beschikken grote aantallen mensen niet meer over eigendommen of inkomen. Zij hebben geen land, vee of werk meer, of ze hebben te maken met daling van hun loon of sterke stijging van voedselprijzen, aldus Sen.

Honger en ondervoeding komen niet zozeer voort uit gebrek aan voedsel maar uit een groot gebrek aan koopkracht. In een rijk land zoals de VS komt op beperkte schaal honger en ondervoeding voor, maar wie zou dit durven verklaren uit gebrek aan voedsel? En verder voeden rijke, dichtbevolkte landen zoals Japan en het Verenigd Koninkrijk hun bevolking voor een belangrijk deel door middel van voedselimport.

Afhankelijkheid fout

Paradoxaal genoeg zijn de landen die het meest lijden onder voedselgebrek, juist landen waarvan de bevolking merendeels in de agrarische sector werkt. Dit gaat op voor feitelijk alle tropisch Afrikaanse landen. Zij kennen een zeer lange agrarische traditie, die wortelt in tribale samenlevingen die zich in stand hielden met voedselproductie binnen kleine groepen, georganiseerd volgens verwantschap. De koloniale machten zagen landbouw dan ook als Afrika's natuurlijke bestemming ("une vocation imposée") en bouwden hierop voort door nieuwe vormen van landbouw (plantages) en nieuwe gewassen te introduceren. Zo erfden Afrikaanse landen bij hun onafhankelijkheid een zogeheten koloniale economie, die voornamelijk bestaat uit landbouw en plaatselijk ook mijnbouw, en die afhankelijk is van exportmarkten overzee. Sindsdien ondernamen Afrikaanse leiders weinig om hierin verandering te brengen. Er werd geen moderne industrie- of dienstensector ontwikkeld. Ook niet toen de afzetmarkten voor land- en mijnbouwproducten krompen en de prijzen daalden. Het ontbrak Afrikaanse regeringen en hun ambtelijk apparaat aan visie, wil en kunde om hun economieën te moderniseren, al hebben westerse landen wat dit betreft ook boter op hun hoofd. Denk maar aan hun schadelijke handelspolitiek en hun ontwikkelingshulp als balsem op die wonde.

Omdat het zo gericht is op landbouw, lijkt Afrika maar geen afstand te kunnen doen van haar tribale traditie en haar koloniale verleden. Afrikakenner Wim Bossema beschrijft hoe Ethiopië in de jaren negentig van de vorige eeuw streefde naar verhoging van de voedselproductie om de steeds weerkerende hongersnoden te bestrijden. Daarmee vergrootte het land zijn toch al sterke afhankelijkheid van de landbouw, met alle risico's van dien. Met een bevolking die voor tachtig procent van de landbouw leeft, zou de landseconomie bij het uitblijven van regen geheel worden ontwricht. In 2003 sloeg de droogte toe met als gevolg een hongersnood onder vijftien miljoen Ethiopiërs, die weliswaar door voedselhulp iets werd verzacht.

Vicieuze cirkel doorbreken

De gedachte dat een land door louter agrarische ontwikkeling welvaart zou kunnen scheppen, is door Amartya Sen en andere economen overtuigend weerlegd. In landen waar voedselproductie praktisch de enige bron van bestaan is, leidt stagnatie of daling van die productie volgens Sen door wat voor oorzaak ook, bijna noodzakelijkerwijs tot honger. De massa beschikt in zo'n geval niet alleen over te weinig voedsel, maar ook over te weinig inkomen om voedsel te kopen. De inkomens worden immers grotendeels verkregen met de verbouw van voedsel. Ethiopië en de Sahellanden zijn hiervan de duidelijkste voorbeelden. Sen ziet daarom weinig in verhoging van de voedselproductie alleen: 'Voedselproductie moet niet dienen als bron van inkomen voor de massa, maar moet "slechts" voorzien in de behoeften aan eraan'.

Michiel Keyzer, directeur van de Stichting Onderzoek Wereldvoedselvraagstuk (SOW) aan de VU, verwijt de Voedsel en Landbouw Organisatie, FAO, eenzijdig door te gaan met het promoten van landbouwprojecten, zonder zich om diversificatie te bekommeren. Het scheppen van meer werkgelegenheid in de landbouw is geen goede oplossing voor het bestrijden van armoede en honger. Economische ontwikkeling en groei moeten volgens Keyzer, buiten de landbouw plaatsvinden, maar wel zonder dat de landbouwsector wordt verwaarloosd. Landen die dit idee hebben omarmd en daarbij succes boekten, zijn Chili, China, Maleisië, Taiwan en Zuid-Korea. Terwijl ze werkten aan industriële groei en werkgelegenheid buiten de landbouw hebben zij tegelijk hun voedselproductie veiliggesteld. Voedingsmiddelen worden ook geïmporteerd en de koopkracht wordt steeds beter over de bevolking gespreid.

In landen als Venezuela, Egypte en Jordanië is de voedselproductie per hoofd de laatste jaren gedaald zonder dat de arme bevolkingsgroepen over minder voedsel beschikten. Afname van de voedselproductie kon hier worden gecompenseerd door stijging van de inkomens en de werkgelegenheid in andere sectoren, met name in de industrie.

Wat de landen in Afrika bezuiden de Sahara nodig hebben, is diversificatie van hun economie. Alleen transformatie van de agrarische economie biedt uitzicht op het uitroeien van honger en armoede. China is het gelukt om op het platteland allerlei kleinschalige, arbeidsintensieve industrieën op te zetten. Het ligt voor de hand om te beginnen met investeringen in bedrijven die ter plaatse agrarische grondstoffen of delfstoffen verwerken (valorisatie), in plaats van ze af te voeren naar de stad of het buitenland.

Jacques van Nederpelt is geograaf, tropisch landbouwkundige en voormalig ontwikkelingswerker in West-Afrika.

Auteur van: 'Een wereld apart, De uitsluiting van de Derde Wereld', Koninklijke Van Gorcum BV, Assen, 2004, ISBN 90 232 40065



Reacties