ODA-norm is niet verwaterd

01-07-2005
Door: Tekst: Frans Bieckmann


Zes jaar geleden, in 1999, was Hilde Johnson in Nederland voor de viering van vijftig jaar Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. De Noorse minister, toen 36 jaar oud, had een nauwe band met haar Nederlandse collega Eveline Herfkens. Samen hadden zij, met de Britse OS-minister Clare Short en de Duitse OS-bewindsvrouwe Heidi Wieczorek-Zeul de Utstein-groep opgericht. In een interview met Vice Versa zei Hilde Johnson toen dat er sprake was van een 'momentum' voor de armoedebestrijding. Op tal van fronten leek een doorbraak aanstaande: IMF-directeur Camdessus had zich openlijk achter de 'seven pledges' - de voorlopers van de Millenniumdoelstellingen - geschaard en de andersglobalisten manifesteerden zich op de WTO-top in Seattle. Is er in 2005 ook weer sprake van zo'n momentum, met het Sachs-rapport, de commissies over de hervorming van de VN, het Blair-rapport over Afrika, Live8 en de G8-top, in september de VN-top en in december de WTO-besprekingen in Hongkong? De internationale agenda lijkt sinds 11 september 2001 gekaapt door de wereldwijde veiligheidsdiscussie, de oorlog tegen het terrorisme en de ondergraving van het VN-systeem door het unilaterale optreden van de VS.

Hoe kijkt u aan tegen de huidige situatie?
'Sinds het interview in Vice Versa uit 1999 is er zeker vooruitgang geboekt. In september 2000 is de mondiale overeenkomst over de Millenniumdoelstellingen getekend. Alle internationale spelers die ertoe doen, hebben die doelen vervolgens overgenomen: Wereldbank, IMF, WTO en belangrijke G8-landen. Daarna is in Monterrey overeenstemming bereikt over hoe we de doelstellingen gaan realiseren: een Global Partnership over wat de rijke landen moeten doen op het terrein van handel, schuldverlichting en hulp, en wat de arme landen moeten doen op het gebied van goed bestuur. Ik vind het ook bemoedigend dat de EU heeft toegezegd in 2010 0,56 procent van het BNP aan hulp te besteden, en in 2015 0,7 procent. Dat zijn belangrijke stappen vooruit, maar nog lang niet genoeg. En er is een groot verschil tussen woorden en daden.

Ik ben het ermee eens dat er een risico zit in de vermenging van militair veiligheidsdenken en terrorismebestrijding enerzijds, en armoedebestrijding aan de andere kant. Dat kan slecht uitpakken als veiligheid de overhand krijgt boven armoede. Maar we zien ook nieuwe betrokkenheid van de VS. De regering-Bush besteedt meer dan welke andere Amerikaanse regering sinds het Marshallplan. Ze beginnen in te zien dat armoede een onveilige wereld creëert. Er zijn drie zaken die we in dit verband in de gaten moeten houden. De geldstromen moeten niet worden verlegd van de landen die echt arm zijn naar de landen die van strategisch belang zijn in de context van de terrorismebestrijding. Militaire en civiele hulpoperaties op de grond mogen niet vermengd raken. En de ODA-definitie moet niet verwateren. De militaire uitgaven bedragen nu 1000 miljard dollar per jaar, de hulp is 58 miljard dollar. Het is heel gevaarlijk om de discussie daarover te starten. Straks moet uit dat kleine hulpbudget de rekening van de militairen worden betaald! Wij hebben dat voorlopig weten te voorkomen.'

Minister Van Ardenne kwam in april 2005 triomfantelijk terug uit de onderhandelingen hierover in het Ontwikkelingscomité (DAC) van de OESO, in Parijs. Zij meldde goede resultaten te hebben geboekt. Betekent dat niet dat u hebt moeten toegeven op dit vlak?
'Ik weet niet wat Van Ardenne heeft gezegd, maar wij hebben de strijd in de DAC ondubbelzinnig gewonnen. Zoals in de DAC-notulen valt te lezen, werd het voorstel voor verandering van de ODA-normen niet gesteund. Bovendien is er een moratorium van drie jaar overeengekomen: het onderwerp mag niet voor de ministeriele bijeenkomst van 2008 weer worden ingebracht. Er zijn enkele kleine aanpassingen gemaakt in de DAC-regels, die Noorwegen altijd al wilde, over kindsoldaten en kleine wapens. Maar verreikende voorstellen van Nederland om bijvoorbeeld vredesoperaties te financieren uit het ODA-budget hebben het niet gehaald. Er is een heel duidelijk besluit genomen over de DAC-regels: geen verwatering van de ODA-norm.'

MDG8

Het Global Partnership wordt omschreven in de achtste Millenniumdoelstelling. Bent u het ermee eens dat dit de belangrijkste MDG is - omdat die gaat over handel en andere zaken waarin Europa zelf moet veranderen - maar tegelijkertijd ook de vaagste?
'Ik ben het ermee eens dat MDG8 het belangrijkst is. En ik denk dat we op handelsgebied het meest achterlopen. Er zijn belangrijke besluiten genomen op het terrein van schuldverlichting, maar het is nog lang niet duidelijk of de Doha-ronde echt een ontwikkelingsronde wordt. Noorwegen heeft in oktober 2004 een MDG8-rapport gepubliceerd, waarin we het Noorse beleid doorlichten op relevante terreinen voor ontwikkeling, zoals handel, migratie, schuldenbeleid en een aantal milieuthema's. Dat waren de thema's die in Monterrey zijn genoemd. Wij hebben daar nog wat onderwerpen aan toegevoegd die we zelf van belang vinden, zoals ethische richtlijnen voor Noorse oliemaatschappijen en corruptiebestrijding. We oefenen in het rapport behoorlijk wat zelfkritiek uit.'

MDG8-rapport

'Millennium Development Goal No 8 - Progress Report' . Het rapport beschrijft wat Noorwegen heeft bijgedragen aan de Millenniumdoelstellingen, in het bijzonder aan MDG8. Die gaat over 'policy coherence for development': het beleid van de donorlanden op het gebied van onder meer handel, milieu, migratie, technologieoverdracht, veiligheid, investeringen en schulden. Lees meer.

Worden die problemen echt benoemd? Nederland heeft in 2004 ook een MDG8-rapport uitgebracht, maar dat was gewoon een samenvatting van het hulpbeleid. Leidt dit streven naar beleidscoherentie ten bate van ontwikkeling niet tot problemen met andere ministeries?
'Nee, die accepteerden dat wij opschreven op welke gebieden het Noorse beleid deels tegen de belangen van ontwikkelingslanden ingaat. We hadden alleen niet genoeg tijd om tot kabinetsbesluiten te komen over hoe wij dat beleid moesten veranderen. Dus hebben we de belangrijkste punten omschreven als uitdagingen en problemen die we moeten oplossen. In eerste instantie hebben we natuurlijk een probleem met de handel. Een groot deel van onze bevolking woont buiten de stad en is afhankelijk van landbouwsubsidies en hoge tarieven. Ook al hebben we een nultarief voor bijna alle minst ontwikkelde landen.'

Een dergelijk rapport veronderstelt een brede aanpak van ontwikkeling. Aan de andere kant: tijdens uw vorige regeerperiode was u minister voor Internationale Ontwikkeling en Mensenrechten, nu is dat 'Mensenrechten' eraf gevallen. Gebeurt in Noorwegen hetzelfde als in Nederland, waar Ontwikkelingssamenwerking sterk in het defensief is ten opzichte van andere ministeries?
'Nee, dat is het niet. In deze kabinetsperiode hebben wij een recordstijging van het hulpbudget mogen noteren: 30 procent meer van 2001 tot 2004. Dat het thema mensenrechten niet meer onder mijn mandaat valt, heeft te maken met de coalitie waarmee we nu regeren. Er is een andere arbeidsverdeling binnen Buitenlandse Zaken overeengekomen. Mijn christen-democratische partij, die niet conservatief is, maar een centrumpositie inneemt, is voor een portefeuille die ook brede mensenrechtenthema's behelst. Maar dat wilden de andere partijen niet. Ik ben nu minister voor Internationale Ontwikkeling, en dat is het belangrijkste. Onder de term "Internationale Ontwikkeling" valt de hele MDG8-hulpagenda, ook thema's als globalisering en handel. Het gaat om veel meer dan om traditionele ontwikkelingshulp. Ik heb als minister dus nog steeds een brede agenda.'

Eensgezind

In haar eerste regeerperiode nam Hilde Johnson het initiatief tot een samenwerkingsverband van vier gelijkgestemde ministers: de Utstein-groep, genoemd naar de plaats in Noorwegen waar de vier voor het eerst bijeenkwamen. De vier vrouwen (Johnson, Eveline Herfkens, Clare Short uit Groot-Brittannië en Heidi Wieczorek-Zeul uit Duitsland) vormden een front in internationale instituties als Wereldbank en IMF, waar zij zich hard maakten voor een belangrijkere plek voor armoedebestrijding. Lees meer.

In 1999 zagen we tijdens de WTO-top in Seattle de opkomst van de andersglobalistische beweging. Sindsdien heeft deze nog regelmatig van zich doen spreken, onder meer in Schotland, tijdens de recente bijeenkomst van de G8. Wat vindt u van die beweging?
'Het goede van Seattle was dat ontwikkelingslanden niet accepteerden wat de westerse landen hen op wilden leggen. Ook positief was de brede betrokkenheid van mensen bij globalisering en ontwikkelingsthema's. Maar naar mijn idee maakt een deel van de globaliseringsactivisten zich belangrijker in naam van de rechten van de armen, en is het nog maar de vraag of dat terecht is. Ze laten zich ook gebruiken door groepen die vooral hun eigen belangen in de westerse landen willen verdedigen. Protectionisme om de eigen economie te beschermen. Kijk ook naar de rol van de vakbonden, die voeren niet altijd een agenda voor de armsten. Ik maak me zorgen over het feit dat de armste landen steeds minder aandacht krijgen. Van de regeringen, maar ook van activisten, die zich tegen handel verzetten. Ik zeg zeker niet dat vrijhandel een doel op zichzelf is, maar markttoegang is voor de arme landen cruciaal. De activisten pleiten bijvoorbeeld ook voor de Tobin Tax. Ik ben voorstander van vernieuwende financiële mechanismen om meer middelen voor ontwikkelingen te genereren, maar daar hebben de armste landen voorlopig niet veel aan. Er is een gebrek aan betrokkenheid bij de allerarmsten.'

Wat moeten we in dit verband denken van landen als China, India en Brazilië, die steeds belangrijker worden in de internationale machtsbalans? Zij hebben in eigen land ook nog heel veel armen.
'Ik ben erg positief over het feit dat er een alliantie is tussen Brazilië, Zuid-Afrika en India, en misschien ook China. Die vormt een potentieel tegenwicht tegen de westerse landen. Voor het eerst in de wereldgeschiedenis kunnen ontwikkelingslanden een grote politieke impact hebben. We moeten wel opletten dat deze middeninkomenslanden niet alleen opkomen voor hun eigen belangen. Ze moeten hun verantwoordelijkheid nemen als grote machten in de zich ontwikkelende wereld en ook vechten voor de belangen van de armste landen. Ik ben er helemaal niet zeker van of dat nu wel gebeurt. Er zijn progressieve leiders in die landen, maar ik zou een sterkere betrokkenheid willen zien. We zullen afwachten wat voor handelsregime er uit de Doha-onderhandelingen te voorschijn komt. Deze landen maken zich niet zo druk over de belangen van de arme landen. Dat geldt ook voor de discussie over stemverhoudingen in Wereldbank en IMF.'

Wat vindt u van de benoeming van Paul Wolfowitz tot president van de Wereldbank? Heeft Europa daarin voldoende haar best gedaan?
'De Wereldbank is geen instituut dat zijn leiders democratisch kiest. Dat gezegd hebbende: de signalen die wij van Wolfowitz krijgen, zijn overigens best positief. Ik heb hem twee keer ontmoet en het lijkt er niet op dat de angsten die men in Europa had, bewaarheid worden. Ik denk dat het mogelijk is om, ook met deze Wereldbankpresident, voort te bouwen op het werk van zijn voorganger Jim Wolfensohn. Want alleen zo kunnen we echt resultaten gaan boeken in de bestrijding van de armoede in de wereld.' 



Reacties