Nieuw ‘exportpromotiepotje’

03-06-2008
Door: Marusja Aangeenbrug

Ben-D121
Foto: Roel Burgler
Het oude ORET-programma voorzag in exclusieve gelden voor Nederlandse bedrijven. Dat was tijdens voorgaande kabinetten lang een doorn in het oog van vooral de Partij van de Arbeid. Minister Koenders (Ontwikkelingssamenwerking) noemde ORET vorig jaar nog een 'exportpromotiepotje'. Koenders en staatssecretaris Heemskerk (Buitenlandse Handel), beiden PvdA, hebben het nieuwe programma zo vormgegeven dat ontwikkelingslanden niet meer per se op het Nederlandse bedrijfsleven een beroep hoeven te doen. Ondernemersvereniging VNO-NCW is daar niet gelukkig mee.

ORIO is gericht op meerjarige samenwerkingsverbanden waarbij de training en opleiding van de lokale overheid een belangrijk onderdeel vormt. Nederlandse bedrijven kunnen met initiatieven blijven komen, maar de vraag van het ontwikkelingsland staat centraal. Vooral het midden- en kleinbedrijf gaan een belangrijke rol spelen.

Van het jaarlijkse budget van 120 miljoen euro moet ongeveer de helft naar de armste landen gaan. Minder landen gaan van de ORIO-regeling profiteren en een beperkter aantal sectoren wordt ondersteund. China en India zullen op termijn geen gebruik meer kunnen maken van de regeling omdat de welvaart en concurrentiekracht in deze landen toeneemt. Voor beide landen wordt door het ministerie van Economische zaken een apart programma gestart met een budget van twintig miljoen euro per jaar.

Opkomende landen als de Filippijnen, Thailand, Peru, Algerije, Marokko, Servië en Montenegro komen wel in aanmerking voor de nieuwe regeling. De uitvoering van de ORIO-regeling start in 2009. Een uitvoeringsagentschap bepaalt namens de minister welke projecten ontwikkelingsrelevant zijn.

Reacties