Negen vragen over het hulpbeleid vanuit Brussel

07-05-2004
Door: OneWorld Redactie
Bron: OneWorld

1. Hoeveel geld geeft de EU uit aan ontwikkelingssamenwerking?

Er zijn verschillende stromen geld.

1. Het EU-budget voor 'officiële ontwikkelingssamenwerking' (Official Development Assistance, ODA in jargon) bedroeg in 2003 8,1 miljard dollar. Een jaar eerder was dat nog 6,5 miljard. Dit fonds wordt gespekt uit de algemene bijdragen die elk EU-lidstaat afdraagt aan Brussel, dus niet uit de nationale budgetten voor ontwikkelingssamenwerking.

2. Veel belangrijker is het budget dat alle EU-landen afzonderlijk hebben voor ontwikkelingssamenwerking; bij elkaar opgeteld kwam dat in 2003 neer op 36,8 miljard dollar.

3. Er bestaat ook nog een apart Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), dat speciaal is opgericht voor hulp aan de zogeheten ACS-landen (77 landen in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan) en Overzeese landen en gebieden (de (voormalige) koloniën). Het Europese parlement heeft besloten dat fonds apart van de totale EU-ontwikkelingsbegroting te houden. Ieder lidstaat stort direct een bijdrage in dit EOF, sommige vanuit een apart daarvoor bestemd potje, de meesten, zoals Nederland, vanuit hun ontwikkelingsbudget.

microkrediet BangladeshHet EOF wordt steeds voor ongeveer vijf jaar afgesloten. Die cyclus hangt samen met grote overeenkomsten die worden afgesloten, zoals het Cotonou-verdrag met de ACS-landen. Het huidige, negende EOF heeft 13,8 miljard euro voor een periode van vijf jaar (2000-2005) in kas. Bovendien is uit het achtste EOF nog bijna 10 miljard euro over!

Tel je alles bij elkaar op dan neemt Europa het overgrote deel van de totale ontwikkelingshulp in de wereld voor zijn rekening. De Verenigde Staten gaven 15,8 miljard dollar uit in 2003, Japan 8,9 miljard dollar en Australië 1,2 miljard dollar.

 

2. Welke landen dragen hoeveel bij aan het Europese Ontwikkelingsfonds?

De lidstaten storten hun bijdragen direct in het EOF, volgens een overeengekomen verdeelsleutel. De bijdrage van iedere lidstaat hangt onder andere af van het nationale inkomen en van de historische banden met bijvoorbeeld voormalige koloniën.

De verdeling van de bijdragen aan het negende EOF (2000-2005), in miljoenen euro's:

België                             540,96         

Denemarken                   295,32         

Duitsland                     3 223,68         

Griekenland                    172,50         

Spanje                            805,92         

Frankrijk                      3 353,40         

Ierland                              85,56         

Italië                            1 730,52         

Luxemburg                       40,02         

Nederland                      720,36         

Oostenrijk                      365,70         

Portugal                          133,86         

Finland                            204,24         

Zweden                          376,74         

Verenigd Koninkrijk      1 751,22

Totaal                       13.800,00         

 

3. Voldoet Europa aan de VN-norm van 0,7 procent?

In de Verenigde Naties is afgesproken dat landen 0,7 procent van hun bruto nationale inkomen reserveren voor ontwikkelingssamenwerking. Maar dat halen de Europese lidstaten bij lange na niet. Tot nu toe hebben alleen Denemarken, Luxemburg, Nederland en Zweden de 0,7 procent gehaald. Het gemiddelde voor de gehele EU is op dit moment 0,34 procent, en dat ligt hoger dan dat van de Verenigde Staten of Japan.

In 2002 namen de EU-landen zich wel voor om hun hulp als gedeelte van het bruto nationaal inkomen gemiddeld te verhogen van 0,33 naar 0,39 procent in 2006 (dat was de uitkomst van de International Conference on Financing for Development in het Mexicaanse Monterrey). Deze 0,39 is een 'streefpercentage' en dus nog ver verwijderd van 0,7.

EU-landen die nu nog onder de VN-norm zitten, hebben beloofd in 2006 in ieder geval de drempel van 0,33 procent te halen.

De tien nieuwe lidstaten die per 1 mei zijn toegetreden tot de Unie geven veel minder uit aan ontwikkelingshulp. De budgetten voor ontwikkelingssamenwerking van deze tien variëren van eenzestiende tot eenzesde deel van het percentage van 0,33.

 

4. Wat houdt het hulpbeleid van Brussel in?

Het Europese ontwikkelingssamenwerkingbeleid begon in 1957 toen het Verdrag van Rome werd ondertekend. Het Verdrag van Cotonou, dat in 2000 gesloten werd, behelst het grootste deel van de Europese ontwikkelingshulp. Het verdrag beschrijft de samenwerking met 77 ACS-landen: 48 landen in Sub-Sahara Afrika, 15 landen in de Caraïben en 14 landen in de Stille Oceaan waaronder Palau, Micronesie, de Marshall eilanden, Nauru en de Cook Eilanden. 'Cotonou' is de opvolger van de verdragen van Yaoundé (1963) en van Lome (1975).

Maar Brussel richt zijn ontwikkelingsbeleid ook op Zuid-Europa (voornamelijk de Balkanlanden), Midden- en Oost-Europa en Centraal-Azië. Naast de multilaterale verdragen zoals het Verdrag van Cotonou, sluit Brussel ook verdragen met landen apart af, zoals met Congo.

De Europese ontwikkelingssamenwerking steunt in de eerste plaats de landbouwsector, de industrialisering en economische infrastructuur van de ontvangende landen. Brussel heeft al doelstelling de armste landen beter te laten deelnemen in de wereldeconomie. Zowel handel (speciale handelsovereenkomst met de 77 ACS landen) als hulp moeten daaraan bijdragen.

Verder spelen mensenrechten en democratisering een belangrijke rol in het Europese ontwikkelingsbeleid. Dat is terug te lezen in mooie woorden als het belang van 'politieke dialoog' en 'de participatie van maatschappelijke organisaties'. De handels- en samenwerkingsovereenkomsten met de EU moeten een clausule over de mensenrechten bevatten. Wanneer de mensenrechten niet voldoende nageleefd worden in een ontvangend land, wordt automatisch de toegang tot de Europese markt ontzegd of wordt het hulpproject geannuleerd. Denk aan Zimbabwe. Maar ook over producten uit Israël is er voortdurend discussie gaande.

 

5. Hoe samenhangend is dat beleid vanuit Brussel?

Daar schort nog veel aan. Brussel haalt soms met het ene fonds weg wat het met het andere fonds probeert op te bouwen. Drie voorbeelden waaruit blijkt dat het ontwikkelingsbeleid 'geeft' en het Europese landbouw- en visserijbeleid en het handelsbeleid 'neemt'. Maar ook het buitenlandbeleid, het werkgelegenheidsbeleid en het wapenexportbeleid zjin niet los te zien van het ontwikkelingsbeleid.

Voorbeeld 1: aan de ene kant worden West-Afrikaanse kustbewoners met hulp gesteund in de ontwikkeling van de lokale visserij, maar tegelijkertijd wordt de oceaan voor de ogen van deze vissers leeggevist door Europese schepen. De EU heeft nu weliswaar visserij-overeenkomsten gesloten met 15 landen buiten Europa, maar deze zijn puur commercieel en bedoeld om Europa voldoende toegang te geven tot de visgronden.

Twee andere voorbeelden van niet-coherent beleid:

West-Afrika heeft ondanks Europese projecten om de lokale veestapel en vleesproductie te stimuleren, weinig vooruitgang geboekt omdat goedkoop, gesubsidieerd vlees uit de EU wordt gedumpt op de Afrikaanse markt. Andere Europese projecten ondersteunen de melkproductie in India, maar gesubsidieerde EU-melkpoeder verpest de Indiase melksector.

zuivel india

Ook op een andere manier blijkt dat aan coherentie van beleid niet veel prioriteit wordt gegeven in de EU. De eurocommissarissen voor ontwikkelingssamenwerking, handel, landbouw en visserij, en buitenlandbeleid komen ongeveer iedere twee of drie maanden bij elkaar om hun beleid te bespreken!

 

6. Hoever staat het met de afbraak van tariefmuren en subsidies?

Het afschaffen van de tariefmuren gaat langzaam. Brussel heeft sinds 1971 de handelstarieven voor exportproducten van ontwikkelingslanden verlaagd. In 2001 begon de EU ook met de afschaffing van de tarieven op alle producten (behalve wapens) uit de 49 minst ontwikkelde landen.

Subsidies is een even moeizaam verhaal. Positief is dat vorig jaar is besloten de productsubsidies voor de Europese tabak, suiker, katoen, olijfolie te vervangen door inkomenssubsidies; in plaats van meer subsidie voor meer productie, komt er nu een vast bedrag, onafhankelijk van productie. Dit moet overproductie en verzadiging van de Europese markt tegengaan.

Echter, de exportsubsidies voor Europese bedrijven die hun producten willen afzetten op de EU-markt, bestaan nog steeds. Hierdoor ontstaat valse concurrentie met als gevolg dat de toegang van de ontwikkelingslanden tot de Europese markt bijzonder moeilijk is.

Neem suiker, met garantieprijzen en quotaregelingen het meest beschermde landbouwproduct in de EU. Brussel geeft jaarlijks 1,3 miljard euro uit aan exportsubsidies voor suiker, de zes grootste suikerbedrijven van Europa kregen 819 miljoen euro daarvan.

Drie van de armste landen, Ethiopië, Malawi en Mozambique, daarentegen verloren sinds 2001 een bedrag van 238 miljoen dollar aan potentiële inkomsten door deze beperkte toegang tot de Europese markt. De suikerimport naar Europa uit de armste landen bedraagt op dit moment 1 procent (!) van de Europese consumptie.

Het huidige suikerbeleid loopt op 1 juli 2006 af.

Verder is het Europese landbouwbeleid één van de duurste en meest bekritiseerde beleidsterreinen van de Europese Unie. Maar liefst 45 procent van de totale EU-begroting gaat naar landbouwsubsidies. In de informatie van de Europese Commissie is te lezen dat het landbouwbeleid 'streeft naar redelijke prijzen voor de Europese consument en een billijke vergoeding voor de [Europese, red.] landbouwer'.

In december 2002 besloot de Europese Commissie de tegenstrijdigheden tussen visserij- en ontwikkelingsbeleid te bekijken. Sindsdien zijn 'overeenkomsten' omgedoopt in 'partnerschappen'. Maar in het raamwerk voor het nieuwe beleid staat nog altijd te lezen dat de Europese Commissie vóór alles de 'legitieme doelen van zijn visindustrie moet verdedigen'.

 

7. Wie is verantwoordelijk voor het Europese hulpbeleid?

NielsonDe Europese commissaris voor Ontwikkelingssamenwerking is de Deen Poul Nielson. Hij staat aan het hoofd van het Directoraat Generaal Ontwikkeling van de Europese Commissie, dat de ontwikkelingssamenwerking formuleert en coördineert. Op dit moment, tot 1 november, loopt de 'gastcommissaris' Joe Borg uit Malta bij hem stage om het vak te leren.

In verband met de uitbreiding van de EU wordt in november dit jaar een nieuwe Europese Commissie samengesteld. Het is nog niet bekend wie de commissaris voor Ontwikkelingssamenwerking zal worden of wat er met het DG-Ontwikkeling zal gebeuren. Alle lidstaten dragen opnieuw hun commissarissen voor. Er komen 30 in plaats van de huidige 20 eurocommissarissen. Waarschijnlijk wordt de structuur van de Europese Commissie met zijn DG's aangepast.

Tot slot, EuropeAid, de dienst voor ontwikkelingssamenwerking van Brussel, voert het overgrote deel van de Europese ontwikkelingsprojecten uit.

 

8. Doet ontwikkelingssamenwerking er nog toe in Europa?

Nauwelijks, binnen Europa is ontwikkelingshulp geen issue. De verkiezingen voor het Europese parlement vinden plaats in juni, maar de relatie met arme landen buiten de EU-grenzen zal niet veel aandacht krijgen. Belangrijker zijn de strijd tegen het terrorisme (veiligheid), de uitbreiding van Europa met 10 nieuwe lidstaten (zie ons achtergrondverhaal van vorige week), het gelijktrekken van arbeidswetgeving en sociale wetgeving over alle lidstaten en de bewaking van de buitengrenzen.

Volgens de Eurobarometer in 2002 is het percentage Nederlanders dat ontwikkelingshulp 'tamelijk' of 'erg' belangrijk vindt, gestegen vergeleken met 1998 (van 76 procent naar 86 procent van de ondervraagden). In Spanje, Portugal, Oostenrijk en België leeft ontwikkelingssamenwerking iets minder, in tegenstelling tot Luxemburg, Italie, Zweden, Denemarken en Griekenland waar meer dan de helft van de mensen erom geeft.

 

9. Heeft het EU-ontwikkelingsbeleid een toegevoegde waarde?

Volgens Jaques van Laar van de organisatie Euforic voegt het Brusselse ontwikkelingsbeleid wel degelijk iets toe aan de ontwikkelingshulp van de individuele lidstaten. Hij noemt de Brusselse hulp 'alles omvattend', omdat het zowel geografisch als qua thema's bijzonder breed is. De Brusselse ontwikkelingshulp beslaat niet alleen Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, maar ook delen van Europa en Azië. Brussel ondersteunt op zo breed mogelijk vlak de ontwikkeling van landen en beperkt zich niet tot een paar specialistische thema's zoals de meeste landen doen. Bovendien is de EU duurzamer en structureler in haar ontwikkelingshulp: Brussel verandert de hulpprogramma's minder snel dan sommige individuele landen.

 

Reacties