Nederland steunt omstreden terugkeerproject vluchtelingen Birma

18-04-2000
Door: OneWorld Redactie
Bron: onzeWereld/Ellen van Dalen

Nederland is opnieuw betrokken bij een omstreden terugkeerproject van de VN-vluchtelingenorganisatie (Unhcr). Met medeweten van de Unhcr worden teruggekeerde Birmese vluchtelingen onderworpen aan dwangarbeid in hun land.

Dit keer gaat het om Birmese vluchtelingen in Thailand die met steun van Nederlands geld zullen terugkeren naar huis. Het gaat om een groep van bijna honderdduizend Karen-vluchtelingen. Zij komen oorspronkelijk uit het oosten van Birma.

In dit grensgebied woeden regelmatig onlusten tussen rebellen van deze etnische minderheidsgroep en het leger. Nadat begin april nieuwe gevechten uitbraken, zochten nog eens 1700 Karen-vluchtelingen een veilig heenkomen aan de andere kant van de grens met Thailand.

De Unhcr is desondanks begonnen met voorbereidingen om hen vanaf begin volgend jaar te laten terugkeren. Sein Win, sinds 1990 voorzitter van de Birmese regering in ballingschap, waarschuwt dat de situatie in hun thuisland daarvoor absoluut te onveilig is.

‘De Karen-vluchtelingen lopen nog steeds gevaar door de onlusten die daar plaats hebben. Bovendien is de kans groot dat ze zullen worden blootgesteld aan dwangarbeid,’ aldus Sein Win tijdens een bezoek aan Nederland.

80 duizend Birmezen gedwongen te werken
Dwangarbeid komt op grote schaal voor in Birma. Volgens een rapport van de internationale arbeidsorganisatie van de VN (ILO) worden ongeveer 80 duizend mensen gedwongen te werken, meestal voor het leger.

Tweede Kamerlid Farah Karimi van GroenLinks toonde medio maart al haar twijfels over het lot van de Karen-vluchtelingen. Zij stelde minister Herfkens voor Ontwikkelingssamenwerking de vraag of zij wel voldoende op de hoogte is van de dwangarbeid in Birma en of zij het gerechtvaardigd vindt het terugkeerproject te steunen.

Herfkens liet begin april in een antwoord aan de Tweede Kamer weten dat zij het project van de Unhcr met 1 miljoen gulden zal blijven steunen.

Bij haar argumenten daarvoor leunde ze sterk op informatie van Jessen Petersen, een hoge vertegenwoordiger van de Unhcr. ‘Volgens zijn laatste bevindingen is over het hele land de dwangarbeid sterk verminderd,’ aldus Herfkens. ‘Dit alles dankzij een instructie van de Birmese autoriteiten om een wet die dwangarbeid toestaat, niet toe te passen.’ Uit onderzoek van Human Rights Watch blijkt echter dat alleen in de directe omgeving van plaatsen waar de Unhcr kantoor houdt de dwangarbeid binnen de perken blijft.

Het is niet de eerste keer dat Nederland verwikkeld is in een omstreden project waarbij de Unhcr vluchtelingen helpt terug te keren naar Birma. Eind 1998 kwam de rol van Nederland ook in opspraak na een artikel in het tijdschrift onzeWereld.


Het verhaal ging toen over 260 duizend Rohingya-vluchtelingen, moslims uit het westen van Birma die begin jaren negentig naar Bangladesh vluchtten. Uit een interne brief van de Unhcr bleek dat de teruggekeerde vluchtelingen aan dwangarbeid mochten worden blootgesteld. Mits dat per huishouden niet meer was dan vier dagen per maand.


Beschermende taak
Zowel in het geval van de vluchtelingen uit Bangladesh als die uit Thailand wijst Herfkens erop dat Nederland vooral de ‘beschermende taak’ van de Unhcr steunt. Ze doelt daarmee in eerste instantie op twee Unhcr-kantoren in het westen van Birma die toezien op de naleving van de destijds gemaakte afspraak met de Birmese junta. De Unhcr heeft zelf al toegegeven dat in de praktijk de teruggekeerde Rohingya’s veel vaker dan de afgesproken vier dagen worden onderworpen aan dwangarbeid.

Volgens Herfkens beseft de Unhcr dat de Karen-vluchtelingen net als de Rohingya’s gevaar lopen. Maar de Unhcr belooft ook nu de bevolking bescherming te bieden bij terugkomst.

Sein Win heeft daar echter geen vertrouwen in. ‘De toenemende dwangarbeid waaraan de Rohingya’s worden onderworpen, toont aan dat de bescherming van Unhcr in het westen onvoldoende is. Ze hebben veel te weinig personeel om dat te controleren. Hoe denken ze die veiligheid te kunnen bieden, als ze hun gebied ook nog uitbreiden tot het onherbergzame oosten?’

Prangende vraag blijft in beide gevallen: in hoeverre is het aanvaardbaar om de Birmese junta toestemming te geven om vluchtelingen te onderwerpen aan dwangarbeid? Herfkens geeft daar geen antwoord op.


Wel schrijft ze dat ze met een ‘moreel dilemma’ zit. Want wat doe je: steun je een hulpprogramma dat wordt uitgevoerd in de context van schending van de mensenrechten, of trek je je terug en laat je daarmee de vluchtelingen aan hun lot over? Herfkens kiest dan nog liever voor het eerste, zo schrijft ze de Kamer.

Reacties