Naar nieuwe kennis en onderzoeksstrategieën

01-01-2006
Door: Tekst: Jos van Beurden


Het laatste beleidsstuk dateerde van 1992. Minister Pronk had genoeg van Nederlandse wetenschappers die hun onderzoekshobby's in ontwikkelingslanden botvierden. Hij wilde 'de noordelijke dominantie van het wetenschapsbedrijf' doorbreken en het Zuiden meer autonomie geven. Pronk schiep daarom ruimte voor onderzoeksprogramma's in acht landen, die het onderzoeksgeld zelf mochten besteden: de zogenaamde Multi-annual, Multidisciplinary Research Programs (MMRP's). Als het onderzoek maar met armoedebestrijding te maken had en de onderzoekers nauw samenwerkten met beleidsmakers en de arme bevolking. De MMRP's kunnen in het Zuiden nog steeds op veel enthousiasme rekenen.

Nederland financierde overigens meer onderzoek. 'Heel, heel veel', verzekert Caroline Wiedenhof, hoofd van de centrale onderzoeksafdeling van het ministerie en een van de architecten. 'Maar al jaren had niemand er meer zicht op wat er precies gebeurde.' Per jaar gaat rond de 3,3 procent van het totale budget van bijna 4 miljard euro naar onderzoek. Grote afnemers van die 130 miljoen zijn de Wereldbank, de Stichting voor Wetenschappelijk Onderzoek van de Tropen (WOTRO), de Directie Milieu en Water (DMW) en de centrale onderzoeksafdeling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zelf. De laatste twee financieren verschillende regionale onderzoeksinstellingen. Naar de MMRP's ging slechts een fractie van dit bedrag.

Nieuw beleid

'Omdat al dat onderzoek onvoldoende aansloot bij de doelstellingen uit de nota "Aan Elkaar Verplicht", was er behoefte aan een nieuw beleid', stelt Wiedenhof. 'We wilden kennis en onderzoek terugbrengen in het hart van de ontwikkelingssamenwerking. Aangezien de beleidsnota van 1992 maar over een klein deel van het onderzoek ging, hadden we onvoldoende zicht op de kwaliteit van de rest. Wij willen naar het geheel kijken en weten wat het onderzoek oplevert.'

'Een nieuw beleid was ook nodig', stelt Rob Visser, een andere architect en sinds kort raadsadviseur Kennis en Onderzoek van de minister, 'omdat er sinds 1992 veel is veranderd in de wereld. Nederland wil kennisland worden. Dat heeft ook consequenties voor de ministeries, want deze moeten veranderen van beleidsorganisaties in kennisorganisaties. Overigens wordt wetenschappelijk onderzoek niet langer als de enige manier van kennisverwerving gezien. Kennis creëren kan ook via seminars, evaluaties, trainingen of internetdiscussies. Bovendien bestaan er naast academische kennis ook andere vormen van kennis. Arme mensen bijvoorbeeld beschikken vaak over nuttige knowhow.' Caroline Wiedenhof: 'We zijn niet per definitie in onderzoek geïnteresseerd. Het gaat ons om onderzoek waarmee je armoede kunt bestrijden.'

Partnerschappen

Op één punt staat het nieuwe beleid scherp tegenover het oude. Visser: 'We schakelen over van een "ownership"-filosofie naar een partnerschapfilosofie. Noem het wederzijds "ownership" met twee proceseigenaren: het ontwikkelingsland en alles wat daarbij hoort enerzijds en de donor anderzijds.' De periode van grote autonomie voor het Zuiden is voorbij. In concreto betekent dat voor Pronks vlaggenschip, de MMRP's, dat zij niet meer vanuit Den Haag worden gefinancierd, maar ieder apart moeten aankloppen bij de Nederlandse vertegenwoordiging in hun land. Wiedenhof: 'Eén MMRP, dat in Mali, is beëindigd. De overige programma's moeten geld van een ambassade zien te krijgen, en als dat niet lukt, een andere donor zoeken.'

In het nieuwe beleid krijgen de ambassades in de partnerlanden een sleutelrol in het toekennen van bilateraal onderzoeksgeld. Themadirecties en regionale directies worden kennismakelaar. Het centrale onderzoeksprogramma van de Directie Culturele Samenwerking, Ontwikkeling en Onderzoek (DCO) wordt omgevormd tot het programma Onderzoek en Innovatie. De afdeling Onderzoek en Innovatie en de raadsadviseur Kennis en Onderzoek moeten het nieuwe beleid aan de man brengen binnen het ministerie, op de ambassades en bij de kennisinstellingen in Nederland.

Nieuwe academie

Net als Pronk introduceert ook Van Ardenne iets nieuws: de IS-academie. Die bestaat uit samenwerkingsverbanden tussen afdelingen van het ministerie en onderzoeksinstellingen in Nederland. Deze moeten het onderzoek beleidsrelevanter en bruikbaarder maken. Visser: 'Ontwikkelingsambtenaren en wetenschappers hebben ieder een eigen domein, dat moet zo blijven, maar de dialoog tussen ambtenaren en Nederlandse onderzoekers moet beter.' Van Ardenne wil met de IS-academie jonge onderzoekers aantrekken. Visser: 'We mogen niet een hele generatie onderzoekers gaan missen.' Jonge onderzoekers zijn volgens hem 'minder ideologisch ingesteld dan de generatie die in 1992 de boventoon voerde. Ik merk dat ze over minder parate kennis beschikken, maar ze hebben wel beter dwarsverbanden leren zien en denken resultaatgerichter.'

Het nieuwe beleid roept veel reacties op. Ton Dietz, hoogleraar in Amsterdam en directeur van de landelijke onderzoeksschool CERES, en Gerti Hesseling en Ed Maan, de een voorzitter en de ander secretaris van de Raad voor het Wetenschappelijke Onderzoek in het kader van Ontwikkelingssamenwerking (RAWOO), zien zeker positieve kanten. Onderzoek staat tenminste weer hoog op de agenda van het ministerie, en een duidelijke structuur en centrale regie zijn gewaarborgd. Bovendien neemt capaciteitsversterking in het Zuiden nog steeds een centrale plaats in en staat de minister open voor Nederlandse kennis en knowhow.

Maar ze hebben ook twijfels. Ton Dietz spreekt van 'een gemiste kans om het probleem meteen goed aan te pakken'. Gerti Hesseling drukt zich voorzichtig uit, maar neemt toch het woord 'restauratiebeleid' in de mond. De RAWOO wordt soms bekritiseerd om zijn traagheid. Niet elk onderzoek leidt tot concrete resultaten. Ze vindt het nieuwe beleid daarom simplistisch: 'Je kunt niet eisen dat elk onderzoek tot bruikbare resultaten leidt.' Ton Dietz betreurt dat 'onderzoeksinstellingen uit het Zuiden nauwelijks betrokken zijn geweest bij de vorming van het nieuwe beleid'. Ed Maan vindt dat het 'onduidelijk is hoe het nieuwe onderzoeksbeleid gekoppeld kan worden aan de nationale agenda's in het Zuiden. De nota vertelt niets over het kennisdebat in het Zuiden en de positie daarin van de kennisinstellingen.'

Hun commentaar komt erop neer dat het 'ownership' geen 'partnership' is geworden, maar naar de donorkant is verschoven. Wiedenhof en Visser zijn het daar niet mee eens. Wiedenhof: 'We hebben de RAWOO geraadpleegd. Daarin zitten prominente onderzoekers uit het Zuiden. Bovendien legt de nota weinig vast. Het nieuwe beleid biedt vooral een structuur. In elk land wordt dan via de ambassade bekeken wat daarmee concreet gedaan kan worden in aansluiting op wat Nederland al doet in die landen.' Visser: 'Je moet accepteren dat wij eerst een eigen visie hebben ontwikkeld. Wij maken als het ware ons bod en leggen dat voor aan een partnerland. Dat kan met een tegenbod komen.'

Onvoldoende kennismakelaars

Volgens Dietz, Hesseling en Maan wordt de uitvoering van het beleid de zwakke schakel. Dietz: 'Elk van de negen directies van DGIS en elke ambassade in een partnerland heeft een soort kennismakelaar nodig. Die zijn er onvoldoende. Die functie is niet geïnstitutionaliseerd.' Hesseling weet uit ervaring 'dat veel Nederlandse ambassades overbelast zijn'. Visser ontmoet op het ministerie 'veel enthousiasme' en lepelt de namen op van enkele ambassademedewerkers die 'goede kennismakelaars' zijn. Wiedenhof erkent het bezwaar: 'Als die capaciteit onvoldoende in huis is, moeten we die stimuleren of er van buitenaf bij halen.' Daarom gaat het ook niet alleen om een onderzoeksbeleid, maar om een kennis- en onderzoeksstrategie.

Op zich zijn de woordvoeders van CERES en RAWOO ingenomen met het idee van een IS-academie. Dietz: 'Het is goed dat al die kennis wordt gebundeld, maar zoals de MMRP's te los stonden van de academische wereld in Nederland, staat de IS-academie te ver af van het Zuiden. De slinger dreigt nu door te slaan naar de andere kant.' Ed Maan is het met hem eens: 'Die academie is te Nederlands en betrekt het Zuiden onvoldoende bij het debat en het onderzoek.' Wiedenhof: 'De IS-academie is slechts één van de instrumenten. Het beleid als geheel is wel degelijk op het Zuiden gericht.'

Transparant of niet?

De IS-academie is met vijf onderzoekstrajecten gestart. Dat wil zeggen: er zijn vijf thema's vastgesteld en per thema is een onderzoeksinstelling benaderd. Wat Ton Dietz betreft, is die start 'weinig transparant' verlopen. 'Vaak zijn die trajecten terechtgekomen bij instellingen die een monopolie hebben of bij onderzoekers met wie persoonlijke banden bestaan. Er is weinig rekening gehouden met het feit dat veel relevante kennisvelden in Nederland erg versnipperd zijn.' Gerti Hesseling deelt die kritiek, Wiedenhof niet. Wiedenhof: 'We bediscussiëren welke thema's relevant zijn en bekijken daarna waar de expertise in Nederland zit. Dat levert nieuwe contacten op en het is heel goed mogelijk dat we binnen één traject met meerdere instituten gaan samenwerken.' Rob Visser geeft toe dat 'er om te beginnen vooral op bestaande samenwerking is voortgeborduurd'. Volgens Wiedenhof werkt de nieuwe aanpak 'ongelooflijk motiverend. Ministerie en onderzoeksinstelling zoeken samen uit voor welke problemen we een oplossing willen zoeken. En er is geld.'

De bezem is door de onderzoekskast. Oude paradigma's zijn vervangen door frisse. Het nieuwe onderzoeksbeleid is duidelijk een kind van zijn tijd: no-nonsense, een beetje 'self-centered', open voor jonge honden, resultaatgericht. Hoe het zal opgroeien, wie het als peetooms en peettantes krijgt en hoe oud het zal worden, kan alleen de toekomst leren.



Reacties