Militairen met civiele taken brengen hulpverleners in gevaar

19-08-2004
Door: OneWorld Redactie
Bron: Saskia Kouwenberg

Terecht stelt Linda Polman (Opiniepagina NRC, 5 augustus) de vraag of hulporganisaties überhaupt wel neutraal (kunnen) zijn in hedendaagse conflictgebieden, maar zij onderschat de gevolgen voor hulpverleners - en daarmee voor de lokale bevolking - van de trend dat militairen zich steeds vaker en verder begeven op het gebied van hulpverlening en wederopbouw.

Dat hulpverleners vandaag de dag meer gevaar lopen in (post)conflictgebieden dan vroeger heeft meerdere oorzaken. Vroeger was het (vaak) behoorlijk overzichtelijk: herkenbaar leger A vocht tegen herkenbaar leger B op plek C en als er gewonden vielen, kwamen herkenbare mensen met een rood kruis aansnellen om de gewonden af te voeren. Die tijden zijn voorbij. Tegenwoordig zijn er nog steeds relatief eenvoudige oorlogen waar vrijwel niemand naar toe gaat, maar in de 'hype'conflictgebieden is het een drukte van jewelste geworden.

Daarmee is ook de overzichtelijke rolverdeling verleden tijd. Er zijn nu geen twee, maar meestal meerdere, vaak onherkenbare - soms van kant verwisselende - elkaar bestrijdende partijen. De slachtoffers zijn niet 90 procent militairen , maar 90 procent burgers.

Naast het Internationale Rode Kruis zijn er nu honderden hulpverlenende niet-gouvernementele organisaties (NGO's) in 'het veld', maar daar blijft het niet bij. Er zijn ook vaak tientallen verschillende buitenlandse krijgsmachten aanwezig, al dan niet onder VN vlag, snel aanzwellende stromen vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven, regionale instellingen (Europese Unie, Organisatie voor Afrikaanse Eenheid etc), de VN met talloze politieke en hulpverlenende poten, diasporagroepen die terugkeren en vanalles ondernemen, privé-beveiligingsbedrijven (alias huurlingen, alias particuliere militaire ondernemingen), civiele specialisten op elk denkbaar gebied van westerse overheden en onderwijsinstellingen en, niet te vergeten, de zwermen journalisten, net als NGO's vaak in kuddes van ongeveer 300 stuks.

Intussen is het  basisprincipe van een oorlog in feite niet veranderd: de betrokken strijdende partijen willen winnen. Ze beoordelen dus alles wat er gebeurt  op de vraag of het in hun voordeel of in hun nadeel is.

Hulpverleners zijn er in geslaagd om een speciale plek in te nemen en gezien te worden als relatief onafhankelijk, neutraal en onpartijdig, maar dat lukt steeds minder goed. De veranderde strategieën binnen asymmetrische oorlogsvoering, waarvan Polman voorbeelden geeft uit Afghanistan, doen een duit in het zakje. Het  desastreuze Bush/BinLaden adagio 'je-bent-of- voor-of-tegen-ons' doet hier nog een behoorlijke schep bovenop. Ook hulpverleners worden óf in het eigen óf in het vijandige kamp ingedeeld.

Polman heeft daarom gelijk als ze zegt dat NGO's zich moeten bezinnen op hun neutraliteit. Wel blijft recht overeind staan dat hulporganisaties - ook Artsen zonder Grenzen dat Afghanistan verliet - er uiteraard naar streven om alles binnen hun mogelijkheden te doen om zo onafhankelijk, onpartijdig en neutraal mogelijk te zijn. Anders kunnen ze hun werk - redden van mensenlevens, verlichten van lijden - niet doen. Daarin moeten ze zoveel mogelijk actief worden gesteund door anderen, met name door de politiek, met name door militairen in het veld.

Het tegenovergestelde gebeurt echter: activiteiten van militairen in conflictgebieden leiden steeds meer tot rolverwarring, waardoor iedereen doelwit wordt. Daar doelde  Artsen zonder Grenzen naar mijn mening op toen het aankondigde te vertrekken uit Afghanistan. Als Amerikaanse militairen in Afghanistan dreigen met stopzetting van hulp als hulpverleners niet meewerken aan het uitleveren van Taliban, dan gaan ze zonder meer ver buiten hun boekje. Als ze dan ook nog in burgerkleding inentingscampagnes uitvoeren en meewerken aan de wederopbouw, dan wordt het al snel onmogelijk voor de strijdende partijen en de bevolking om uit elkaar te houden wie waarbij hoort en worden alle buitenstaanders als vijand gezien.

Dan wordt iedere buitenstaander doelwit. Dat is voor militairen niet prettig, maar dat is hun beroepsrisico. Voor  hulpverleners echter is het funest: zij kunnen hun werk niet meer doen.

De  centrale vraag is waarom de taakverschuiving van militairen plaatsvindt. Er zijn veel mogelijke redenen aan te voeren:

• Eigenbelang. Sinds het wegvallen van traditionele verdedigingstaken (na het einde Koude Oorlog) en de angst voor inkrimping van de defensiebudgetten en het daarmee gepaard gaande verlies van werkgelegenheid en prestige, is de krijgsmacht op zoek naar nieuwe taken om het huidige niveau van paraatheid te kunnen handhaven.

• Tijd. Het verzekeren van veiligheid is bij een aantal vredesmissies (in tegenstelling tot 'vroegere' oorlogen) geen dagvullende taak en er blijft (veel) tijd over voor andere taken.

• Militair-strategisch belang. Deelname aan noodhulp en wederopbouw geeft toegang tot informatiekanalen (zowel voor het inwinnen als voor het verspreiden) die voor militairen anders moeilijk te verkrijgen zijn. Contacten met NGO's dienen hetzelfde doel: NGO's hebben meer gedetailleerde kennis over de lokale situatie.

• Public relations: Een 'tegenoffensief' tegen het slechte imago komt goed over op de achterban thuis voor de buis.

• Humanitaire overwegingen. Daar waar menselijk lijden kan worden verminderd willen militairen uit menselijke overwegingen assistentie verlenen. De militair wil gewoon alles doen om de situatie voor bevolking te verbeteren en noodhulpactiviteiten zijn goed voor de moraal van de soldaten.

 • Veiligheid. Het leger begeeft zich op het terrein van noodhulp en wederopbouw om goede relaties op te bouwen met de lokale bevolking ('winning of hearts and minds-strategie'). De achterliggende gedachte: de kans wordt een stuk kleiner dat je aangevallen wordt door diegenen die je van voedsel en andere steun voorzien.

• Politiek. Dat is mogelijk de belangrijkste reden achter de taakverschuiving van militairen. Bij neo-liberalen doet de redenatie opgeld dat een geïntegreerde militair-civiele aanpak, waarbij NGO's nauwelijks of geen rol spelen, de voorkeur verdient.

Dat past in de verschuiving van een aantal militaire analyses: Amerikaanse militaire strategen, waaronder Binnendijk & Johnson (US War College) zijn van mening dat de grote fout in het conflict om Irak is geweest dat er na de snelle militaire 'overwinning' niet meteen een 'leger' van civiele actoren aan het werk is gegaan om het verzet in de kiem te smoren en zo de stabiliteit te bewerkstelligen.  In 'Transforming for Stabilisation and Reconstruction Operations'  verdedigen ze een geïntegreerde civiel/militaire aanpak. Onder civiel verstaan zij bedrijfsleven en overheden op alle niveaus. In hun verhaal komen ontwikkelingssamenwerkingsorganisaties nauwelijks voor. Naast 'embedded journalism' gaan we richting  'embedded aid&reconstruction'.

Het komt politieke machthebbers dus beter uit als militairen in nauwe samenwerking met bedrijfsleven noodhulp en wederopbouwtaken gaan verrichten. Op de krijgsmacht hebben ze tenslotte veel meer invloed (wat tempo, hoeveelheid, doelgroep en inhoud van de hulp betreft) dan  op de 'onafhankelijke', eigengereide en weerbarstige NGO's. Hierin past ook de visie dat ontwikkeling in 'onderontwikkelde' landen efficiënter kan worden aangepakt door het bedrijfsleven dan door 'do -gooders' zoals noodhulp-en ontwikkelingsorganisaties (zie bijvoorbeeld analyses zoals van Fareed Zakaria). Bij dit alles komt het ook heel goed uit dat veel militairen (ook Nederlandse militairen) zeer kritisch staan ten opzichte van het functioneren van NGO's in conflictgebieden. Natuurlijk moet onderscheid worden gemaakt tussen motieven van Nederlandse en Amerikaanse militairen, maar de overeenkomsten zijn niet gering. Eigenlijk hebben we het hier over - bij gebrek aan een betere term - een nieuwe vorm van kolonialisme.

Deze ontwikkeling maakt de cruciale vraag over de (on)mogelijkheid van neutraliteit van hulporganisaties in conflictgebieden nog complexer dan Polman die beschrijft. Hulpverleners zoals Artsen zonder Grenzen moeten zich inderdaad buigen over de neutraliteitsvraag en ze moeten ook zonder meer de hand in eigen boezem steken, maar als het om de consequenties van de verschuivende taak van militairen gaat, dan moeten politici aan het werk en militairen geen civiele opdrachten geven.

Saskia Kouwenberg is mensenrechtenactiviste en medewerker van het Nederlands Expertisecentrum Alternatieven voort Geweld (NEAG)

Dit is een samenvatting van een uitgebreider discussiestuk  'NGO's en militairen in (post)conflictgebieden'. Vanaf 5 september te verkrijgen via NEAG: info@neag.nl of 020- 670 52 95

Reacties