Midden-Oosten-top omzeilt Palestijnse economische crisis

10-07-2000
Door: OneWorld Redactie
Bron: IPS/ANP

De Amerikaanse president Clinton was verheugd dat hij Arafat weer rond de tafel kreeg met de Israëlische premier Barak, om te trachten een definitieve vredesregeling voor het Midden-Oosten op te stellen. Maar de Israëlische leider schat de kans van slagen van de vredesconferentie op niet meer dan 50 procent. ‘Ik ben er niet zeker van dat er een akkoord zal komen,’ zei de premier voor de Israëlische legerradio.

Barak noemde vijf punten waarover met Israël niet valt te onderhandelen: de status van Jeruzalem, de terugkeer van Palestijnse vluchtelingen naar het gebied dat nu Israël is, de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook, de grens tussen Israël en een Palestijnse staat en de vallei van de Jordaan.

De Palestijnen zijn alleen bereid een totaalakkoord te accepteren. Naast moeilijk overbrugbare politieke problemen, kampen de Palestijnen met een kwakkelende economie, die volledig afhankelijk is van de Israëlische overheid.

Na aanslagen sluit Israël de grens met het Palestijnse territorium tijdelijk voor alle verkeer af. Hierdoor kunnen 120.000 Palestijnse arbeiders niet naar hun werk. Zij pendelen dagelijks heen en weer tussen hun gezin in Palestina en hun werkgever in Israël.

Voor de uitvoer van hun producten, moeten de Palestijnen toestemming krijgen van de Israëlische autoriteiten. De Israeli's misbruiken deze machtspositie soms door een verholen blokkadepolitiek te voeren. De Palestijnen lijden hierdoor grote economische schade.

Het vertrouwen van de Palestijnse consumenten in de eigen economie is op een dieptepunt, ook omdat buitenlandse investeerders wegblijven.

Kwart Palestijnen onder de armoedegrens
Het aandeel van de Palestijnse bevolking dat onder de armoedegrens zit, is volgens cijfers van het Palestijns Instituut voor Economisch Beleidsonderzoek (Pepri) gestegen van 20,1 procent in 1997 tot 23,3 procent in 1998. Waarschijnlijk is de groep armen inmiddels nog groter geworden.

Volgens Hisham Awartani, een econoom van het Centrum voor Palestijns Onderzoek en Studies in Nablus, verwacht de Palestijnse bevolking niet veel meer van het vredesproces in het Midden-Oosten. Bij hen leeft de vrees dat de economische malaise nog groter wordt. ’Wie kan, legt geld opzij voor de moeilijkheden die nog kunnen komen. Daardoor wordt er momenteel erg weinig geld uitgegeven.’

Sinds Israël zijn importtarieven verlaagde - een maatregel die ook voor de Palestijnse gebieden geldt - worden de gebieden overspoeld met goedkope Chinese import. Hoewel ook Israëlische bedrijven lijden onder de toevloed van goedkopere producten uit lage-lonen-landen, zijn vooral voor de kwetsbare Palestijnse economie de gevolgen dramatisch. Met name de Palestijnse schoenen- en textielindustrie zijn hierdoor in de problemen gekomen.

Volgens de voorzitter van de Palestijnse Vereniging van Lederbewerkers, zijn er in de Palestijnse schoenenindustrie sinds 1995 al 8.000 werknemers ontslagen. Deze industrie telt nu nog maar 2.000 werknemers. ‘We kunnen de concurrentieslag met goedkope producten uit China niet aan,’ zegt de Palestijnse minister van Industrie Sa'adi Kurunz.

De Palestijnse autoriteiten willen bedrijven helpen bij de omschakeling naar producten met een hogere toegevoegde waarde. Met steun van de Verengde Naties is daarvoor een speciaal programma uitgewerkt. ’Een goed initiatief, maar het komt te laat,’ oordeelt Pepri-medewerker Makfoul. Volgens hem wisten de Palestijnse autoriteiten al sinds 1992 dat Israël zijn importtarieven geleidelijk zou laten dalen.

Nieuws vanuit Palestijnse invalshoek

Reacties