Het briesje in de tuin van Abla Abu Arraj maakt het hete zomerweer aangenaam. De zeventigjarige Libanese – witte sandalen, zwarte legging en kleurig bloesje – brengt limonade op een zilveren dienblad. Haar kleindochter rijdt op een driewieler door de tuin. Op tafel liggen oude kranten uitgestald, sommige uit 1920, opwaaiend in de wind. “Vroeger had Marjayoun wel drie kranten. Geen daarvan bestaat nog.”
De stad Marjayoun in Zuid-Libanon kijkt in het oosten uit op de door Israël bezette Syrische Golanhoogten, en in het zuiden op Israëlische dorpen. Vóór de vorming van de staat Israël in 1948, was dit heuvelachtige landschap onderdeel van een uitgestrekt gebied in de Levant, de regio direct ten oosten van de Middellandse Zee. Wat nu Israël heet, heette toen Palestina. Voor bewoners van deze streken voelde het als één doorlopende regio, zonder harde, dichte grenzen.
Sterker nog, hier stonden ze in nauwer contact met Noord-Palestijnse steden dan met de Libanese hoofdstad Beiroet. “Marjayoun handelde heel veel met Palestina. Mijn vader, van huis uit docent, werkte toen hij jong was in Haifa, in Noord-Palestina”, zegt Arraj. “Die stad was op een bepaalde manier dichterbij dan Beiroet.”
Koloniale machten veranderden alles
De komst van de Britten in 1920 en daarna de staat Israël veranderde alles. De koloniale machten maakten de grens met Palestina steeds strikter: handelsroutes werden beetje bij beetje afgesloten, families van elkaar gescheiden. Zo’n honderdduizend vluchtelingen zochten onderdak in Libanon als gevolg van de Nakba (‘de catastrofe’), de etnische zuivering van Palestijnen door Israël in 1948.
Ook Libanon werd het conflict tussen Palestina en Israël ingetrokken, en vooral het zuiden moest dat bekopen met veel geweld. Palestijnse en Libanese verzetsgroepen gebruikten het gebied als uitvalsbasis om Israël aan te vallen, en er waren Israëlische invasies en bezettingen. Wat ooit een open landschap was waarin mensen uit de hele regio te vinden waren, is nu een geïsoleerd grensgebied, van Israël gescheiden door hoge muren, mijnenvelden en surveillanceapparatuur.
Dat Zuid-Libanon sterk gemilitariseerd is geraakt en veel bewoners naar Beiroet zijn verhuisd, betekent niet dat plaatsen als Marjayoun helemaal zijn verlaten. Na elke verwoesting bouwen mensen hun huizen weer op en veel inwoners keren in weekenden en vakanties terug naar hun ouderlijk huis. Terugkeren of blijven is voor velen een daad van verzet.
Voorhoede van het verzet
Arraj staat bekend als een van de officieuze historici van de stad. “Mijn echtgenoot verzamelde altijd kranten en andere knipsels over Marjayoun. Toen hij ziek werd, hielp ik hem met het verzamelen van die informatie.” Voor zijn dood schreef haar man een boek over Marjayoun en de regio, Bladzijden uit de geschiedenis. Het vertelt over de verbondenheid van Marjayoun en Zuid-Libanon met de bredere regio, van Palestina tot aan Jordanië en Syrië.
In het voorwoord wordt de streek omschreven als ‘de voorhoede’ van het verzet tegen de opdeling van de Levant, want al in 1925 was er in Syrië en Libanon een opstand tegen de Franse overheersing van Syrië. Ook daarna bleef de verbondenheid van deze streek duidelijk merkbaar. Deze contreien worden in het boek vanaf eind jaren 40, tijdens de Nakba, en in de decennia erna ‘Palestijns in hun pijn’ genoemd, en ‘standvastig en een symbool van verzet tegen de Israëlische agressie’.
Dagelijks aanvallen
De afgelopen jaren escaleerden de gevechten tussen het Libanese Hezbollah en het Israëlische leger. Die gevechten begonnen op 8 oktober 2023, een dag na de aanval van Hamas op Israël. Hezbollah – Libanons grootste sjiitische gewapende militie en politieke partij, en bondgenoot van het Iraanse regime – vuurde enkele raketten af op posities van het Israëlische leger in de Syrische Golanhoogten, die door Israël bezet worden.
Sindsdien liepen grote delen van Zuid-Libanon leeg. In 2024, na bijna een jaar van wederzijds geweld, escaleerde Israël het conflict. Het voerde grootschalige bombardementen uit, doodde bijna het hele leiderschap van Hezbollah, en viel Zuid-Libanon binnen. Meer dan vierduizend mensen in Libanon zijn sinds oktober 2023 gedood, ruim zestienduizend raakten gewond. En ondanks de wapenstilstand waarmee Hezbollah en Israël eind 2024 instemden, voert Israël ook nu nog vrijwel dagelijks aanvallen uit.
Alles kwijt
In Marjayoun raakten zo’n tachtig gebouwen beschadigd, wat meevalt in vergelijking met veel andere plaatsen in Zuid-Libanon. Wie door de regio rijdt, ziet hoe vergaand de verwoesting is. Tientallen grensdorpen zijn bijna volledig met de grond gelijkgemaakt door bombardementen of massale ontploffingen van dynamiet, veroorzaakt door het Israëlische leger. Met graafmachines en speciaal hiervoor ontworpen bulldozers heeft dat leger ook kilometers aan wegen, waterleidingen en elektriciteitskabels vernietigd, landbouwgrond omgewoeld, gewassen platgewalst, en duizenden olijfbomen ontworteld of omgehakt. Het zijn praktijken die Israël al decennia in Palestina toepast, en in de huidige genocide op grotere schaal dan ooit tevoren.
De hoogbejaarde Latifa Ajaj Almghais is een van de honderdduizenden mensen die sinds het najaar van 2023 het grensgebied moesten ontvluchten vanwege de gevechten tussen Hezbollah en Israël. “Al mijn hele leven is hier oorlog. Nu zijn we alles kwijt, alles wat we al die jaren hebben opgebouwd, alle herinneringen”, zegt ze verdrietig. “Waarom hebben ze de bomen, scholen en begraafplaatsen vernietigd? Waar was dat voor nodig?”
Almghais woonde in het dorpje Dhayra, op zo’n anderhalf uur rijden van Marjayoun, in het oude familiehuis met haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Andere familieleden woonden ook in het dorp, waar nu niets meer overeind staat. Nu verblijft de familie in Tyre, een havenstad aan de andere kant van Zuid-Libanon, aan de Middellandse Zee. Almghais’ kleinzoon Oday Abusari nam haar na het staakt-het-vuren tussen Hezbollah en Israël eind vorig jaar mee terug naar Dhayra. “We stopten bij de puinhopen van het huis, en ze vroeg mij waarom we daar stilstonden. Ze herkende het niet eens meer.”
Muur
Dhayra behoorde vroeger tot een groter dorp, Arab al Aramshe, dat precies op de latere grens tussen Libanon en Palestina lag. In 1920 verdeelden koloniale machten het gebied, en begon zich voor het eerst een strikte grens af te tekenen tussen Zuid-Libanon en Noord-Palestina. Samen met de Fransen, die in 1923 het mandaat kregen over Libanon, sloten ze de grens steeds meer af. De dagen van vrij verkeer met Palestina waren verleden tijd. Verschillende opstanden van de lokale bevolking konden de steeds steviger grip van de koloniale machten op het gebied niet tegenhouden.
Na 1948 werden de grenzen gaandeweg nog strikter. De hoogbejaarde Almghais trouwde jong met een dorpsgenoot die zijn eerste gezin had verloren bij een Israëlisch bombardement op zijn huis. Na de Nakba zag het tweetal hoe talloze mensen uit Palestina naar Zuid-Libanon vluchtten. “We verwelkomden hen, kookten voor ze en gaven ze tenten en een slaapplek. Mensen gaven zelfs schapen weg.”
In die eerste jaren stond er nog geen muur zoals nu, maar werd Arab al Aramshe in tweeën gedeeld door een lint. Almghais’ familie woonde vanaf dat moment aan beide kanten van de grens: haar ouders en hun drie dochters, onder wie zijzelf, eindigden aan de Libanese kant van de grens in wat toen Dhayra werd; de andere zeven zussen en drie broers kwamen terecht in het deel van Arab al Aramshe aan de Israëlische kant.
Deel dit
‘Degenen die bleven werden door Israëliërs lastiggevallen’
“We kregen identiteitskaarten, en konden soms nog wel de grens over. Maar aan de andere kant van die grens werd het leven steeds moeilijker, vertelt Almghais. “De Israëliërs verjoegen veel mensen uit de dorpen aan de grens, en degenen die bleven werden afgesloten van water en lastiggevallen. Dat was vreselijk. Toen mijn vader overleed, wilde een van mijn zussen naar onze kant komen voor de begrafenis. Ze liep door een veld en raakte door een landmijn een van haar benen kwijt.”
Van bruisende naar lege stad
Ook de inwoners van Marjayoun halen desgevraagd verhalen op over de jaren voor 1948; verhalen die hun ouders en grootouders hun vertelden. Veel mensen uit deze streek leefden en werkten in Palestijnse steden als Haifa en Jaffa, waar soms meer werk was, bijvoorbeeld in de olieraffinaderijen die de Britten er in de jaren dertig openden. Sommige rijke families uit Marjayoun bezaten grond in Palestina, bouwden er huizen, trouwden met Palestijnen en kregen er kinderen.
De open grenzen zorgden er niet alleen voor dat inwoners van Marjayoun gemakkelijk naar hun buurland konden verhuizen, maar droegen ook bij aan de economische bloei van de stad. Dat vertelt viceburgemeester Hekmat Farha – breed, snor, wit overhemd – in het gemeentehuis. “Marjayoun handelde met Syrië, Jordanië en Palestina, het was een welvarende stad.” Boeren in de omgeving maakten niet alleen landbouwproducten maar ook producten als ghee (geklaarde boter), en handelaren haalden katoen uit Egypte en tarwe uit Palestina. “In die dagen zeiden mensen ‘Ik ga naar Marjayoun’, zoals ze nu over Dubai of de Verenigde Staten praten.”
Na 1948 veranderde Marjayoun van een bruisende stad in een plek die langzaam leegliep. “De economie viel in duigen en de handel kwam stil te liggen”, zegt Farha. “Mensen vertrokken naar Beiroet, Europa of de Verenigde Staten.”
Toneel van onderdrukking en geweld
Palestijnse en Libanese verzetsgroepen gebruikten Zuid-Libanon als uitvalsbasis voor aanvallen op Israël, en ook lokale gemeenschappen kregen te maken met onderdrukking en geweld. Israël viel herhaaldelijk binnen en bezette het gebied vanaf 1982 achttien jaar lang, terwijl het er een guerrillaoorlog uitvocht met voornamelijk sjiitische groepen. Die bezetting en het gewelddadige bewind worden gezien als de belangrijkste voedingsbodem voor de opkomst van Hezbollah, dat met geld, wapens en trainingen van Iran uitgroeide tot een van de machtigste gewapende bewegingen in de regio.
Veel Libanezen hebben dan ook gemengde gevoelens over de Palestijnen: sommigen verwijten hen dat hun verzetsgroepen de oorlog hebben binnengebracht. Toch wijzen veel inwoners uiteindelijk Israël en het Westen aan als de voornaamste verantwoordelijken.
Zuid-Libanon blijft tot op de dag van vandaag het toneel van oorlog en onderdrukking. Israël bezet sinds eind vorig jaar vijf nieuwe delen van Zuid-Libanon, surveilleert intensief en voert aanvallen uit met drones en vliegtuigen. Zelfs herders en kinderen zijn doelwit.
Deel dit
‘Ik wou dat Palestina niet bezet was en we ernaartoe konden gaan’
Dorpen die pal aan de grens liggen, zoals Dhayra, zijn voorlopig te onveilig om naar terug te keren. Almghais’ kleinzoon Oday zou graag terug willen gaan, maar hij weet dat het lot van Zuid- Libanon onlosmakelijk verbonden is met de Palestijnse kwestie. “Als dat wordt opgelost, verdwijnen ook veel andere problemen in het Midden-Oosten. Alle Libanezen, Palestijnen, Syriërs en vredelievende Joden hebben het recht om in vrede te leven.”
Zijn grootmoeder blijft terugverlangen naar de tijd van haar jeugd. “Ik wou dat Palestina niet bezet was, dat de grens open was en we er naartoe konden gaan. Maar dat kan niet. Niet zolang zij [Israël, red.] het bezetten, niet zolang zij die zelfs de rustplaatsen van onze doden vernietigen er nog zitten.”
Een langere versie van dit artikel verscheen in september in OneWorld Magazine.
Verder lezen?
Rechtvaardige journalistiek verdient een rechtvaardige prijs.
Maak jij OneWorld mogelijk?
Word abonnee
- Digitaal + magazine — € 8,00 / maand
- Alleen digitaal — € 6,00 / maand








