‘Populariteit boerka stijgt door tekort aan mondkapjes’, kopte het Reformatisch Dagblad afgelopen april. Ik was vast niet de enige die moest grinniken bij het lezen ervan: nog geen jaar nadat de ‘Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding’ in werking trad (in augustus 2019), werd deze al op de proef gesteld. Al scrollend door mijn sociale media, stuitte ik op verontwaardigde reacties: waarom mag een mondkapje wel en een nikab niet? Daartegenover las ik ook veel reacties van mensen die de vergelijking niet terecht vonden. Immers, de één wordt gedragen om de verspreiding van Covid-19 tegen te gaan, de ander niet.

Voor mijn master International Human Rights Law begon ik in januari van dit jaar met een onderzoek naar het ‘nikabverbod’. Ik wilde analyseren of het Nederlandse verbod in lijn is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Spoiler: dat is het niet.

Toen ik net begon, was er nog geen Covid-19 in Nederland en had ik nog geen idee hoe ik de verschillende argumenten voor het verbod kon weerleggen en zo bewijzen dat het nikabverbod in strijd was met het EVRM. Toen de corona-uitbraak in maart ook Nederland trof, en mensen massaal mondkapjes gingen dragen, begon ik me af te vragen of het gezicht wel zo belangrijk is in sociale interactie als de Nederlandse overheid stelde.

Extra frappant vond ik het dat het mondkapje in Nederland alleen verplicht is in het OV, juist een van de locaties waar het gedeeltelijke gezichtsbedekkingsverbod ook geldt. Eigenlijk maar één groep kon ik bedenken die het nu moeilijk zou hebben: de dove en slechthorende gemeenschap. Mimiek en liplezen zijn immers cruciaal voor dove en slechthorende mensen, schreef Tamara Hartman hier al.

Waar begon het allemaal?

Nederland was niet het eerste land met een gezichtsbedekkingsverbod. Frankrijk en België, waar geen gedeeltelijk maar een volledig verbod geldt, gingen ons voor. In Nederland barstte de discussie rond een mogelijk nikabverbod los in 2004. Na een oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling (het huidige College voor de Rechten van de Mens), dienden Geert Wilders en Sietse Fritsma in 2005 een motie in om de nikab te verbieden. Volgens hen stond gezichtsbedekking ‘symbool voor onderdrukking’, ongeacht of een vrouw zelf de keuze maakt zich te bedekken, en zouden nikabdraagsters westerse normen en waarden afwijzen. En passant insinueerden ze dat westerse vrouwen vrij van onderdrukking zijn, omdat zij zich niet bedekken.

Onze samenleving is zodanig veranderd, dat het Hof wel moet terugkomen op het eerdere oordeel

Aanvankelijk werd gepleit voor een volledig gezichtsbedekkingsverbod, maar de Raad van State bracht daar een negatief advies over uit; een volledig verbod zou het EVRM schenden. Daarop werd uiteindelijk in 2015 een gedeeltelijk verbod voorgesteld. De nikab zou op enkele locaties verboden worden: in het openbaar vervoer, het onderwijs, de zorg en in overheidsgebouwen. Op die plekken wilde de regering namelijk belemmeringen voor onderlinge communicatie wegnemen: een verbod zou de kwaliteit van de dienstverlening en de veiligheid moeten waarborgen.

Het Europese Hof

Terwijl het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zich inmiddels over het Franse (2014) en het Belgische gezichtsbedekkingsverbod (2017) uitsprak, is er bij het Hof nog geen zaak geweest over het Nederlandse verbod1. Het volledige verbod dat Frankrijk en België invoerden, werd door het Hof beoordeeld als ‘proportioneel’. Omdat Nederland een gedeeltelijk verbod kent, zou je kunnen concluderen dat dit ook als proportioneel gezien zal worden. Het Hof is niet verplicht eerdere uitspraken op te volgen, maar doet dat vaak wel om burgers rechtszekerheid en houvast te bieden. Maar onze samenleving is sinds het laatste oordeel tegen België zodanig veranderd, dat het Hof niet anders kan dan terugkomen op haar eerdere oordelen.

Hoewel het Hof zowel het Franse als het Belgische verbod dus niet afwees, ging het in de zaken niet mee met het zogenaamde ‘gendergelijkheidsargument’, een argument dat beide landen aanvoerden. De overheden beargumenteerden dat een verbod de gelijkheid tussen mannen en vrouwen moest bevorderen: vrouwen zouden gedwongen worden om de nikab te dragen en zouden dus onderdrukt worden door hun familie of partner. Een verbod zou dit moeten voorkomen, zeiden de landen.

Het Hof zag echter niet hoe een verbod gelijkheid zou bevorderen, met name omdat de vrouwen die het verbod treft duidelijk aangeven de nikab zelf te willen dragen. De aanname dat alle nikabdraagsters onderdrukt worden, werkt bovendien juist onderdrukking in de hand: zo wordt gesuggereerd dat moslimvrouwen niet autonoom en onafhankelijk beslissingen kunnen maken. Paternalistisch, zoals het Hof zelf ook opmerkte.

Open communicatie?

Het argument dat het Hof wél accepteerde in de zaken van Frankrijk en België, was het vage concept van ‘living together harmoniously’: het Hof oordeelde dat het gezicht een belangrijke rol speelt in sociale interactie, en toonde begrip voor het argument dat gezichtsbedekking open en vrije communicatie belemmert. Maar nergens in het EVRM is het recht op open en vrije communicatie opgenomen.

Wat het Hof precies bedoelde met ‘living together harmoniously’ is nooit duidelijk geworden, maar onderzoek toont aan dat juist het verbod (en niet de nikab zelf) negatieve gevolgen heeft voor vrouwen in nikab: ze verlaten hun huis veel minder en als ze al naar buiten gaan, reizen ze minder met het OV of worden ze vergezeld door een/hun man die ze kan beschermen. Harmonieus samenleven lijkt dus niet op te gaan voor vrouwen in nikab.

Juist door het verbod verlaten vrouwen in nikab hun huis veel minder

De Nederlandse overheid voerde niet de bevordering van gelijkheid aan als argument voor het verbod, maar wel de ‘open communicatie en veiligheid’. Maar de afgelopen maanden heeft Covid-19 ons laten zien dat open communicatie mogelijk is en blijft, ook wanneer alle mensen hun gezicht bedekken. Ook het veiligheidsargument gaat niet op: wanneer het noodzakelijk is voor de veiligheid, kunnen de vrouwen hun gezichtsbedekking ter identificatie kort afdoen.

En belangrijker: geen enkel onderzoek toont een link aan tussen de aanwezigheid van nikabs en veiligheid. Wél toont een onderzoek uit 2019 een link aan tussen een verbod op nikabs en veiligheid: landen die een verbod hebben ingesteld, lijken een hoger risico te lopen op aanslagen. Ook de corona-uitbraak ondersteunt het argument dat er geen groter veiligheidsrisico ontstaat wanneer mensen hun gezicht bedekken. Toen begin maart de meeste mensen veelvuldig hun mondkapje droegen, zagen we geen stijging in het aantal misdrijven.

Tot slot wordt het Nederlandse verbod niet consistent uitgevoerd. Als het de overheid echt om onze veiligheid zou gaan, dan zou je verwachten dat het verbod in de praktijk consistent en correct wordt uitgevoerd. Nu blijkt er nog veel verwarring over waar het verbod überhaupt geldt en waar niet. Deze inconsistentie zou erop kunnen duiden dat het probleem niet heel groot is. Andersom zou je ook kunnen redeneren dat de doelen die het nikabverbod volgens de overheid moet bewerkstelligen, niet relevant (genoeg) zijn, anders zou het verbod wel consistent worden uitgevoerd.

Of het verbod wel of niet wordt opgevolgd, het heeft sowieso reële gevolgen op de levens van (met name herkenbare) moslimvrouwen. Het verbod is ‘neutraal’ geformuleerd, en kan in theorie iedereen raken, maar de praktijk is anders. De parlementaire geschiedenis, het publieke debat en de gevolgen na de invoering van het verbod laten zien dat moslima’s indirect gediscrimineerd worden op grond van hun religie, geslacht en potentieel ras/etniciteit. Potentieel, omdat er geen exacte cijfers zijn over het aantal vrouwen die een nikab dragen in Nederland, laat staan wat hun etniciteit/ras is2.

Uit onderzoek blijkt een stijging van anti-moslimincidenten sinds het verbod is ingegaan

Het Hof erkent dat het verbod moslima’s het hardst treft, maar doet alsof deze schade irrelevant en gerechtvaardigd is vanwege de doelen die de landen willen bereiken. Ondertussen meldt Meldpunt Islamofobie in een recent onderzoek een stijging van anti-moslimincidenten. Uit het onderzoek van 21 september blijkt dat het verbod in de praktijk wordt gebruikt als legitimering om vrouwen die een nikab dragen, maar ook andere moslimvrouwen, uit te sluiten, onheus te bejegenen, te discrimineren en zelfs verbaal en fysiek aan te vallen.

Een verbod was überhaupt nooit nodig

thumbnail_image0
Beeld door: Ersem Ercil via The Legal Burqa

De boete voor het overtreden van het nikabverbod bedraagt in Nederland 150 euro. Dit lijkt misschien geen buitensporig hoog bedrag, maar vrouwen kunnen meermaals beboet worden, waardoor boetes zich snel kunnen opstapelen. Middels het ‘noodzakelijkheidsvereiste’ toetst het Hof of er geen andere, minder ingrijpende middelen beschikbaar zijn die hetzelfde effect kunnen bereiken. Deze zijn er, en bestonden al voor het verbod.

Zo stond Nederland vóór het verbod al toe dat onder andere scholen en overheidsgebouwen in hun huisregels mochten bepalen wat de kledingvoorschriften waren. Het feit dat een ruime meerderheid de nikab nooit verboden heeft, ondersteunt het argument dat een verbod nooit als noodzakelijk is gezien door de sectoren waar het geldt.

Harmonieus samenleven komt niet in gevaar als mensen hun gezicht bedekken

Tot nu toe zijn er nog geen boetes uitgedeeld. Als die er wel komen, zal het mij niet verbazen wanneer deze voor de Nederlandse rechter betwist zullen worden. Nadat een burger alle nationale middelen heeft uitgeput, kan een zaak ingediend worden bij het Europese Hof, dat dan de meest recente onderzoeken en ontwikkelingen in acht moet nemen. Het kan niet anders dan dat het Hof op dat moment oordeelt dat het Nederlandse verbod het recht op eerbieding van de privésfeer en het recht op geloofsovertuiging inperkt.

Ook zal het Hof terug moeten komen op de eerdere stelling dat de schade die dergelijke verboden toebrengen aan moslimvrouwen, gerechtvaardigd is in het licht van de doelen die regeringen zeggen na te streven. Living together harmoniously wordt, zoals Covid-19 heeft laten zien, niet in gevaar gebracht wanneer mensen hun gezicht bedekken. Het Hof laat zelf in bijna alle uitspraken terugkomen dat het EVRM een ‘levend instrument is dat geïnterpreteerd dient te worden in het licht van de huidige omstandigheden’. Het is te hopen dat het Hof deze woorden in de toekomst naleeft.

‘Niet de boerka, maar het verbod is onderdrukking’

De discussie over het boerkaverbod is allesbehalve zwart-wit, betoogt Suheyla Yalcin.

Djumanah

Nikabdraagsters voelen zich nu nóg onveiliger

Dit kun en mag je doen om te helpen

  1. Een wet wordt niet automatisch door het EHRM getoetst; dat gebeurt alleen als een burger de zaak daar voorlegt, nadat eerst alle nationale middelen zijn uitgeput (rechtbank, hoger beroep en cassatie). ↩︎
  2. Hoewel er geen cijfers over bestaan, wordt er in schattingen gesproken over zo’n 100 tot 150 nikabdraagsters. Kijk bijvoorbeeld hier. ↩︎