Liberalisering is lariekoek

01-03-2004
Door: Tekst: Frans Bieckmann


Wat verstaat u onder mondialisering?

'Er zijn twee scholen. De ene school zegt dat mondialisering een oud fenomeen is. Aan het eind van de negentiende eeuw werd de internationale handel uitgebreider en mondialer, internationale investeringen gingen naar Latijns Amerika om bijvoorbeeld de spoorwegen aan te leggen, en naar andere delen van de wereld. Dus eigenlijk is er niets nieuws onder de zon. Ik geloof dat niet. Ik ben voorstander van de tweede school, die zegt dat er wel degelijk iets nieuws aan de hand is, onder meer vanwege de nieuwe technologieën. De financiële stromen zijn veel sneller en mondialer geworden. Mondiale bedrijven hebben de internationale handel een ander gezicht gegeven. Er zijn grote culturele penetraties wederzijds in allerlei regio's. Er is een kwantitatieve sprong gemaakt, die nieuw is in zijn intensiteit.'

U bent ontwikkelingseconoom. Kunt u die economische mondialisering wat nader verklaren?

'Het gaat vooral om een combinatie van mondiale bedrijven, liberalisering van de internationale handel en liberalisering van de financiële stromen en kapitaalstromen. De liberalisering wordt opgelegd door de westerse landen. De Wereldhandelsorganisatie, het IMF, de Wereldbank en de OESO-landen zeggen nu allemaal dat liberalisering (plus deregulering en privatisering) het antwoord vormt op het ontwikkelingsvraagstuk van het Zuiden en van de transitielanden in Oost-Europa. Dat is lariekoek. Er is geen enkel geïndustrialiseerd land dat zich heeft ontwikkeld zonder een tijdelijke periode van protectionisme. Ook Engeland niet in de negentiende eeuw. Dat schijnt vergeten te zijn. Je kunt dat napluizen, er zijn empirische boeken over geschreven. Je moet ook, en misschien vooral, Friedrich List lezen. List was een Duitser die naar Amerika emigreerde, in 1834 als Amerikaans consul terugkwam naar Leipzig, en toen in 1841 zijn beroemde boek schreef over liberalisering versus protectionisme: "Das Nationale System der Politischen Ökonomie". Dat had hij afgekeken van Alexander Hamilton, de eerste Amerikaanse minister van Financiën, onder president George Washington. Die had onmiddellijk ingezien dat de Verenigde Staten niet tegen de Engelse industrie konden opboksen. Dus moesten zij handelsbarrières introduceren. Tot de Tweede Wereldoorlog is Amerika een van de meest protectionistische landen geweest. Dat is allemaal aangetoond, maar er is geen enkel historisch besef. De academici zouden beter moeten weten. En de politici hebben hun eigen agenda.

Vele landen voelen zich door de machtige instituties en machtige geïndustrialiseerde landen verplicht te liberaliseren, maar dat betekent wel dat hun economische ontwikkeling danig wordt tegengewerkt. Vooral de al sterke landen varen er wel bij.'

Dat idee van handelsliberalisering gaat ervan uit dat alle landen door liberalisering worden gedwongen zo efficiënt mogelijk te produceren en die goederen te produceren waar zij het best in zijn, door specifieke kennis, klimaat of ligging van hun land.

'Dat is de rationalisering. En ook dat protectionisme een verstarring van de economische en industriële structuur teweeg zou kunnen brengen. Wat juist is, als het te lang duurt. Dat was in Latijns Amerika het geval. CEPAL, de economische commissie van de VN voor Latijns Amerika, bepleitte in de jaren vijftig en zestig de strategie van de importsubstitutie. Door protectionisme zouden de Latijns-Amerikaanse landen zelf gaan produceren wat ze tot dan toe importeerden. Maar CEPAL-econoom Raul Prebisch heeft daar altijd bij gezegd: je moet op tijd de bakens verzetten. Oost-Azië heeft dat gedaan. Latijns Amerika niet.'

Hoe zit het met een land als Chili, om in Latijns Amerika te blijven? Daar is men al in 1973 begonnen met liberaliseren. Het wordt gezien als een van de economisch best presterende landen op dat continent.

'Het hangt ervan af hoe je ernaar kijkt. Chili doet het goed in termen van export. Maar wat exporteert het? Nog steeds primaire producten als wijn, koper en vis. Weinig of geen hightech of moderne industrie. Hoe lang kan dat dus duren? Het is een voorbeeld van kortetermijndenken: Chili heeft zich op korte termijn via liberalisering kunnen "ontwikkelen", maar op een manier die niet duurzaam is. Zuid-Korea is een heel ander geval. De Koreanen hebben een niche gevonden. Het paradoxale van Oost-Azië is dat het wordt geroemd als het succes van liberalisering, terwijl daar juist absoluut het tegenovergestelde heeft plaatsgevonden. Zij zijn hét voorbeeld van datgene waar iedereen nu tegen is: een succesvol geplande economie, die pas op een later tijdstip, toen ze al sterk waren, ging liberaliseren. De Koreanen hebben totdat ze in de jaren negentig lid werden van de OESO kapitaalcontroles gehad, ze hebben hun industrie net als de Japanners gepland en gesubsidieerd. Cambridge-econoom Ha-Joon Chang publiceerde in 2002 een boek waarin dat beschreven wordt: "Kicking away the ladder" - een zin uit het boek van Friedrich List. De titel slaat op het feit dat de eerste landen die zich industrialiseren via een protectionistische periode de "ladder" opklimmen. Als ze op de bovenste tree staan, beginnen ze te liberaliseren. Vervolgens komen andere landen achter hen aan en dan trappen de bovensten de ladder weg en zeggen: jullie moeten direct liberaliseren.'

Waarom propageren zoveel mensen dat dan?

'Zoals ik reeds heb gezegd: academici schijnen weinig of geen historisch besef te hebben en draaien rond in het papegaaiencircuit. Van de zijde van de politici is het een mengeling van egoïsme, onkunde en handelen op de heel korte termijn, zonder visie. We schoppen gewoon die ladder weg. Wij doen zelf niet wat wij prediken, door de landbouwsubsidies in Europa en de VS in stand te houden. Als landen zich willen ontwikkelen, dan moeten zij positief gediscrimineerd worden. Dat gebeurt absoluut niet. De mondialisering is een totaal asymmetrisch gebeuren.

Het is oude koek, maar het kan niet genoeg herhaald worden. Daarom was ik blij met de reactie, op de WTO-top vorig jaar in Cancún, van de nieuwe coalitie van ontwikkelingslanden, geleid door Brazilië en India. De belofte van Doha dat de OESO-landen eindelijk eens iets zouden doen aan die subsidies is twee jaar later nog steeds niet ingelost, dus stapten die ontwikkelingslanden uit de onderhandelingen.'

Als wij wel doen wat we prediken, dus als er echt volledige vrijhandel is, is dan alles opgelost?

'Wacht even. Wij moeten het voorbeeld geven. Tenslotte staan wij boven aan de ladder. We moeten de arme landen de ladder helpen opklimmen door een tijdelijke bescherming toe te staan tegen het geweld van de hoogtechnologische industrie en dienstensectoren van de rijke landen. Wij zijn sterk en we moeten de ladder laten staan.'

Hoe moeten we dit vertalen naar praktisch beleid - bijvoorbeeld van de Wereldbank? Er wordt gezegd dat de Wereldbank niet meer klakkeloos de Washington Consensus - waarin een reeks 'basisregels' voor 'goed' economisch beleid zijn samengevat, die vooral neerkomen op liberalisering, privatisering en goed bestuur - uitdraagt, maar wel degelijk is opgeschoven en genuanceerder beleid maakt.

'Wereldbank, IMF en WTO zitten nog steeds op die lijn van liberalisering. Maar er is nu eindelijk sprake van een gewaarwording, ook daarbinnen, dat het beleid zou moeten worden aangepast, ook bij mensen die gesympathiseerd hebben met de Washington Consensus. En natuurlijk is de Washington Consensus meer dan alleen liberalisering van de handel. Voor de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB) heb ik in 1996 een grote conferentie georganiseerd over de Washington Consensus in Latijns Amerika. Daarop werd hevige kritiek geleverd, onder meer door de Indiase Cambridge-econoom Ajit Singh. Ajit Singh vroeg aan de zaal, waaronder de uitvinder van de term Washington Consensus, John Williamson, en ook de bekende Chileense econoom Andres Bianchi: "Hoelang moeten we nog doorgaan met dat op de Washington Consensus gebaseerde beleid? Tot u zegt dat het beleid heeft gefaald?" Waarop men unaniem antwoordde: "We hebben nog vijf jaar nodig om de resultaten aan te tonen." Inmiddels zijn we acht jaar verder! In de tussentijd zit Fujimori in Japan, Hugo Chavez in Caracas, ging Argentinië zo goed als failliet...'

Is het failliet van Argentinië dan te wijten aan het falen van het neoliberale economische beleid?

'Waar is het anders aan te wijten?'

Corruptie bijvoorbeeld...?

'Wij hebben hier toch ook corruptie? Frankrijk is corrupt, Italië is corrupt, om over Amerika maar te zwijgen. En die ontwikkelen zich ook nog steeds.

Begin jaren negentig was Domingo Cavallo minister van Financiën in Argentinië. Cavallo was een groot gelovige in de Washington Consensus. Hij introduceerde een beleid waarin de Argentijnse peso aan de Amerikaanse dollar werd gekoppeld: één dollar was één peso. De quasi-dollarisering van de Argentijnse economie dus, om de inderdaad heel hoge inflatie tegen te gaan. Ik was toen de enige in de IDB die tegen mijn goede vriend Enrique Iglesias, de president van de IDB, zei: "Dit wordt een ramp! Er is geen land dat dat kan houden." "Ah, Luis", zeiden ze meewarig. En de eerste jaren ging het geweldig. Maar toen de dollar steeg, steeg de peso mee. Dus de Argentijnse exportindustrie ging naar de verdommenis. Hoe langer je je vastklampt aan die vaste wisselkoers, hoe moeilijker het wordt je daarvan los te maken.

Natuurlijk ging het er vooral om de zeer hoge inflatie de kop in te drukken. En de fanatici van de Washington Consensus - een nu eindelijk kleiner wordende meerderheid - zullen beweren (wat ze ook al beweerden op mijn conferentie in 1996), dat het beleid in Argentinië niet goed en niet lang genoeg is uitgevoerd. Dat is natuurlijk een vreemde bewering als je bedenkt dat in de verguisde jaren zestig Latijns Amerika, inclusief Argentinië, een heel hoge economische groei heeft gekend. Zonder liberalisering, zonder dollarisering, maar wél met dezelfde corruptie!'

U was adviseur van Enrique Iglesias, de baas van de IDB, toch geen domme man. Iglesias en de IDB - zeg maar het (onafhankelijke) Latijns-Amerikaanse zusje van de Wereldbank - waren in de jaren negentig toch ook aanhangers van de Washington Consensus?

'Er zijn altijd twee banken. Dat geldt voor de IDB en ook voor de Wereldbank. Je hebt de Wereldbank van de speeches van president Wolfensohn, van het World Development Report, van de onderzoeksafdeling. Dat zijn dikwijls heel interessante geluiden, die ook tegen de orthodoxie ingaan. Daarnaast heb je de bank van de bankiers, van de jongens en meisjes die het geld doorgeven. En dat is een heel andere bank. Dat is nog steeds de bank van de keiharde conditionaliteit, van de orthodoxie.'

Het tegenargument uit de Wereldbank is dat die verschuiving een kwestie van tijd is. De hervorming wordt van bovenaf ingezet en het duurt even totdat deze volledig is doorgedrongen tot de middenlagen van de Bank.

'Gelul! Ik ben zo langzamerhand een oud kerstkind, ik loop al een paar jaren mee. Robert McNamara was een van de sterkste managers die ik heb gekend. Hij heeft dertien jaar de Wereldbank geleid, van 1968 tot 1981. Een heel interessante periode, waarin hij de basisbehoeftenbenadering omarmde en de grote Nairobi-speech uitsprak. Hij geloofde in armoedebestrijding. De armste veertig procent van de bevolking moest ook meegaan in de opwaartse golf. McNamara wilde die twee "banken" samenvoegen. Hij zocht de bankiers op! Zij doken onder hun bureaus en McNamara sleepte ze er bijna letterlijk onder vandaan: "Dit moet gedaan worden!" Dat gebeurde wel enigszins, want als je zo'n vent tegenover je hebt... Maar hij was nog niet weg of het hield weer op. Ik heb ooit eens een paper geschreven over dat fenomeen en daarin statistisch aangetoond dat er gedurende die dertien jaar enige beweging te bespeuren was. Er werd meer in de landbouw geleend, meer gedaan voor de armen, meer in de informele sector. Maar het was weinig en de terugslag na 1981 was overweldigend. Dat was natuurlijk ook het begin van de Washington Consensus.'

Maar u ziet nu dus tekenen van het einde van de Washington Consensus? Wat komt daarvoor in de plaats?

'Eén: wij (de rijke landen) moeten volledig liberaliseren. Twee: we moeten tijdelijk protectionisme bij armere landen toestaan.'

Inclusief hulp in de vorm van subsidies of technologie?

'Ja, maar wij behoren niet alleen een filantropische instelling te zijn.'

Ook niet in de ontwikkelingssamenwerking?

'Het gaat over financiële, economische en sociale ontwikkeling. We hebben het hier niet over het Nederlandse of Europese ontwikkelingsbeleid. Dat is maar een schijntje. Die 0,3 procent van het BNP - in ons geval ietsje meer - voor ontwikkelingssamenwerking zet bijna geen zoden aan de dijk. We hebben het over nationaal beleid: industriebeleid, bevolkingsbeleid, onderwijsbeleid. Van die landen en onze houding ten aanzien daarvan.'

Beleidscoherentie dus.

'Ik hamer er al decennia op dat ons ontwikkelingsbeleid recht tegenover het beleid op landbouwgebied en andere gebieden staat. Eveline Herfkens heeft in haar vier jaren een poging gedaan een consistent beleid te voeren. Maar wat is nou de macht van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking tegenover bijvoorbeeld het Europese landbouwbeleid of de minister van Financiën, of van Economische Zaken? Dus dat zijn woorden gebleven. Het is een relatief ondergeschikt ministerschap. Zelfs een man als Jan Pronk, die zijn economie kent, die in de vergaderingen van de ministerraad tegenargumenten kan aanvoeren, delft het onderspit.'

Een van de nieuwe trends is partnerships: bedrijven en overheden van ontwikkelingslanden, al dan niet in samenwerking met NGO's, zetten iets op waar ze allebei voordeel van hebben. Wat vindt u van dat idee, dat nu een van de belangrijkste elementen van het beleid van minister Van Ardenne is?

'Dan hebben we het ook over het Global Compact van Kofi Annan. Ik heb Kofi Annan heel erg hoog, maar dat is een heel vrijblijvend initiatief. Het is een gedachte, een ideaal: geef het bedrijfsleven een sociaal geweten. Vele grote bedrijven bewijzen overigens al lippendienst aan hun sociale verantwoordelijkheid. De essentie van Global Compact en andere initiatieven is: kunnen wij de multinationals die in ontwikkelingslanden bezig zijn, inzetten als partners van lokale bedrijven, regeringen en organisaties? En dan vooral op sociaal gebied: werkgelegenheid, onderwijs, gezondheidszorg.'

Zouden bedrijven gestimuleerd moeten worden, bijvoorbeeld door ze met ontwikkelingsgeld te subsidiëren?

'Daar ben ik tegen. Uitzonderingen daargelaten. Waarom zou ik met een kruiwagen geld gaan brengen naar bedrijven die dat niet nodig hebben?'

Omdat ze dan wel in landen gaan zitten waar ze anders nooit zouden investeren. Landen waar ze bijvoorbeeld voor werkgelegenheid zouden zorgen, of voor technologieoverdracht.

'Ik ben geen filantroop. Ik vind ook niet dat het bedrijfsleven filantropisch bezig moet zijn. Ik vind wel dat ze meer een sociaal gezicht moeten krijgen. Dat is in hun eigen belang. Het zou ook kunnen in landen waar ze goede zaken doen.'

Andersom dan. We willen in het Zuiden meer bedrijvigheid. Er wordt vaak gezegd dat daar niet voldoende ondernemingszin is. Maar we willen stimuleren dat ze zelf bedrijven gaan opzetten. Hoe krijgen we dat voor elkaar?

'Toen ik in de jaren zeventig bij de ILO werkte als directeur van het werkgelegenheidsprogramma, ontdekten wij de "informele sector": arme lui die in de marge van de economie werkten. Daar waren wonderen van innovatie en verbeeldingskracht te zien. Na de val van de Muur zeiden we over Oost-Europa ook: "Die mensen hebben veertig tot zeventig jaar onder het communisme geleefd. Er is geen managementtraditie." Moet je nu eens kijken. Het is onzin! Er is genoeg managementkwaliteit en ondernemingszin in al die landen. Je moet de prikkels organiseren. Maar de huidige vorm van mondialisering haalt in veel landen in het Zuiden en Oosten die prikkels weg door voortijdige liberalisering, slechte privatisering, et cetera.'

Daarmee zijn we weer terug bij de mondialisering. Is een WTO nodig? Moet er een wereldwijd orgaan zijn dat de handel, of in bredere zin de wereldeconomie reguleert?

'Dan hebben we het over "global governance", mondiaal bestuur. Er is een zich snel mondialiserende economie en financiële structuur, hoofdzakelijk gestimuleerd door de particuliere sector, en daar staat geen "countervailing power" tegenover om het in een bepaalde richting te duwen. Laten we even 130 jaar terug gaan, naar Europa, naar Duitsland bijvoorbeeld. Daar voltrok zich een geweldige economische ontwikkeling die heel onevenwichtig was, met een zeer ongelijke inkomensstructuur. Er was een man als Otto Von Bismarck nodig, nauwelijks een progressief politicus te noemen, om in te zien dat daar geen toekomst in zat. Het kapitalisme moest menselijker zijn, evenwichtiger. De industriële pioniers moesten wat minder verdienen en (meer) belasting gaan betalen. Dus Bismarck stond aan de wieg van de sociale voorzieningen, van de verzorgingsstaat. Het lijkt erop dat juist conservatieve politici dit soort inzichten succesvoller kunnen doorvoeren.
Nu hebben we dezelfde situatie op mondiaal niveau. Er zijn landen en bedrijven die het heel goed doen en profiteren van de mondialisering. Maar we hebben ook een snel verslechterende mondiale inkomensverdeling. De vrijheid die bedrijven minder hadden op nationaal gebied, hebben ze nu weer meer op internationaal gebied. Ze kunnen min of meer doen wat ze willen door goed hun geografische niches uit te zoeken. Dus is er nu een mondiale Von Bismarck nodig - minder oorlogslustig weliswaar. Een sterke persoonlijkheid die een structuur voorstelt, niet om in te gaan tegen wat er gebeurt, maar om evenwicht te scheppen, om de maatregelen in te voeren die nodig zijn: liberalisering van onze kant, een zeker protectionisme aan de andere kant. Die de relatie ziet tussen conflicten en terrorisme aan de ene kant en de verslechterende economische situatie aan de andere kant. Iets wat absoluut niet wordt ingezien. We hebben een wereldautoriteit nodig. Er zijn voorstellen over welke vorm die zou moeten aannemen. Bijvoorbeeld een economische Veiligheidsraad. Inclusief milieu. Daar wordt veel over geschreven en gesproken, binnen de VN, in academische kringen, onder bepaalde verlichte internationale politici, maar er wordt nog niets aan gedaan. Dat wordt de strijd van de komende decennia.'

U stelt dat een verlicht leider met een dergelijk plan moet komen. Maar is het niet juist nodig om meer van onderop de druk zodanig op te voeren dat politici besluiten nemen in die richting? Hoe kijkt u in dit verband aan tegen de andersglobalistische beweging?

'Ik ben altijd voor een tegenwicht. Al sinds ik in mei 1968 in Parijs werkte en opgeslokt werd door een golf van studenten, ben ik voor manifestaties. Ik vond de provo's ook fantastisch. Ze vertederden me. Maar het moet niet doorslaan naar extremen. Het Wereld Sociaal Forum in Porto Alegre en onlangs in Mumbay in India vind ik uitstekend. Het is een massale ideeënmarkt waar van alles in los komt. Een paar jaar geleden waren er ook van die grote demonstraties in Washington. Ik ben daarnaartoe gegaan. De heterogeniteit van die manifestaties is natuurlijk wel ongelooflijk. Je hebt aan de ene kant de vakbonden, die voor meer protectionisme zijn in Amerika of in Europa (maar niet in de arme landen), en aan de andere kant heb je goedwillende studenten, lesbische groepen, allerlei NGO's, religieuze groeperingen, en dan mensen die de aandacht proberen te trekken door ruiten in te gooien. Van het ene extreme naar het andere. Tijdens een forum is die heterogeniteit een kracht, maar verder is het een zwakte. Al is die beweging zich nu meer aan het structureren. In Frankrijk bijvoorbeeld is Attac erg hard bezig. Onder meer met Susan George, een Amerikaanse "grande dame", maar met een heel scherpe tong.

Ik weet niet hoe al die ideeën die uit het Wereld Sociaal Forum naar voren komen, kunnen worden gekanaliseerd. Maar het móet ergens opgepikt worden, door mensen met de autoriteit om iets te veranderen.

Die pressie van onderop, hoe heterogeen ook, draagt bij aan verandering. Autoriteiten realiseren zich dat er iets moet gebeuren met die Washington Consensus. Er is een constellatie van heel verschillende factoren die allemaal in de richting wijzen van eenzelfde conclusie: die mondialisering is goed voor bepaalde landen, bepaalde industrieën, bepaalde mensen, maar veel minder goed voor anderen die zich daarbuiten geplaatst zien. Daar komt nog de conflictsituatie in het Midden-Oosten bij, mensen die zich laten ontploffen. In de Verenigde Staten leggen ze die link nog niet. Als ik in de VS zo'n discussie aanzwengel - bijvoorbeeld over de aanslagen door al-Qaida en de relatie tussen terrorisme en armoede -, dan krijg ik steevast het volgende argument: "Maar dat waren de armen niet in die vliegtuigen!" Nee, natuurlijk niet: Trotski was niet arm, Lenin was niet arm, het is altijd een elite die een revolutie maakt. Maar de vraag is waarom het zo'n positieve echo vindt onder de massa's. Waarom staan die mensen te jubelen als ze die vliegtuigen het WTC zien binnenvliegen? Alleen omdat Amerika machtig is? Nee, omdat ze zich buiten die mondialisering geplaatst voelen. Twee jaar geleden, vlak na 11 september, was er in eerste instantie een reactie: moeten we die mondiale financieel-economische structuur niet aanpakken? Even was er een moment van aarzeling.'

De reactie is toch juist anders: we gaan er nog harder tegenaan, we gaan ze de westerse democratie opleggen.

'Ja, dat klopt. Na die aarzeling is het omgeslagen. Maar misschien dat over een tijdje de wijsheid wel doordringt...'



Reacties