Farm Finance in ontwikkelingslanden

04-03-2004
Door: Agriterra
Bron: Agriterra

Vandaag, donderdag 4 maart, komen op verzoek van de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken 100 ondernemers bij elkaar in het VNO-NCW gebouw om van gedachten te wisselen met een groep Nederlandse ontwikkelingsorganisaties over de mogelijkheden tot `Partnerships for Development`. Sinds de VN Duurzaamheids Topconferentie in Johannesburg, vlak na het aantreden van het kabinet Balkenende II, bevordert Minister Van Ardenne voor Ontwikkelingssamenwerking de samenwerking met het bedrijfsleven om de ontwikkelingsdoelen van de VN te halen. Met uitzondering van de bedrijven en maatschappelijke organisaties van de landbouw, leek het bedrijfsleven eerst terughoudend. Na een herhaalde oproep van de Minister komt er langzaam beweging in de zaak. Tegelijkertijd is er een opmerkelijke toenadering van ontwikkelingsorganisaties tot het bedrijfsleven.

Cor Broekhuyse van de Rabobank-vestiging in New York verwacht wereldwijde mogelijkheden voor Farm Finance, directe financiering aan boeren. De Rabobank, die in Nederland in de vorige eeuw werd opgericht en groot gemaakt door boeren, ziet ook in de VS mogelijkheden om te groeien via Farm Finance. Ook elders in de wereld, zoals in Brazilië, heeft de Rabobank vestigingen. Daar financiert de bank, met de in bankkringen begeerde Triple A-status, klanten die hun vleugels in dat land hebben uitgeslagen. Ze volgt nu nog vooral de agri-business, de verwerkers en de handelaren. Hun zekerheden zijn beter. “Ons kantoor in São Paulo wacht op het geschikte moment om ook agrariërs te gaan financieren”, aldus Broekhuyse.

De Triple A-status is het teken van een solide positie en die heeft de bank gekregen door conservatief, risicomijdend te bankieren. Buiten Nederland zal de bank niet lichtvoetig in Farm Finance stappen. Zelfs direct over de grens verkiest de bank de landbouw alleen te financieren als er een degelijke relatie met een verwerker of opkoper is en dan financiert men liever het verwerkingsbedrijf dan de primaire productie. Een vestiging in Chili zal geen lening verstrekken aan de lokale opkomende boerencoöperaties. Wanneer komt in Chili dan het moment om direct boeren te financieren? En hoe lang zal dat nog duren in het Grote Meren-gebied van Afrika? Daar zijn nu ontwikkelingsorganisaties actief met het opzetten van kredietsystemen en nog niet zo lang geleden hadden bedrijfsleven en ontwikkelingsorganisaties geen boodschap aan elkaar.

Inmiddels komt er, mede dankzij minister Van Ardenne, langzaam beweging in de zaak en is er toenadering van ontwikkelingsorganisaties tot het bedrijfsleven. Die toenadering richt zich vooral op de grote bedrijven, Unilever en Ahold. In ontwikkelingskringen is nog geen brede erkenning voor de kracht van het middelgrote en het kleinbedrijf. En bij de bedrijven kende men de NGO’s eigenlijk alleen als luizen in de pels. Ze legden zich neer bij die realiteit en dichtten de ontwikkelingsorganisaties vooral de rol toe om de bedrijven dan maar kritisch te volgen. Pas nu is er echte toenadering, omdat bedrijven meer ernst lijken te willen gaan maken met hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Wereldwijd is de oorspronkelijke Washington Consensus over privatisering, deregulering en liberalisering aangevuld met ideeën over maatschappelijk verantwoord ondernemen, anti-corruptiemaatregelen en sociale vangnetten. En omgekeerd erkent men in ontwikkelingskringen tegenwoordig de waarde van de vrije markt en van duidelijke eigendomsregels. Bovenal begint aan beide kanten het besef door te dringen dat ontwikkeling mensenwerk is. In ontwikkelingslanden zullen uiteindelijk niet overheden of lokale NGO’s ontwikkeling brengen maar gewone mensen die hun eigenbelang nastreven, veelal in georganiseerd verband. De rol en betekenis van belangenorganisaties in ontwikkelingslanden worden nog onderschat. Het potentieel is enorm vooral als het gaat om organisaties van boeren en tuinders of van transporteurs die lokaal ondernemerschap bevorderen.

Er is toenadering tussen ontwikkelingsorganisaties en het bedrijfsleven. De ontwikkelingsorganisaties verwachten veel van het bedrijfsleven. Ze weten ook dat de directe investeringen in opkomende markten tegenwoordig de ontwikkelingshulp ver overtreffen. Toch gaapt er nog een enorme kloof tussen de markt waarop de bedrijven opereren en de doelgroepen van de ontwikkelingsorganisaties. De meeste ontwikkelingslanden zijn geen opkomende markt en binnen de opkomende markten horen de doelgroepen van de ontwikkelingsorganisaties niet tot de koopkrachtige bovenlaag die de bedrijven op het oog hebben. Farm Finance kan daarom in de meeste ontwikkelingslanden alleen van de grond komen als de risico’s die het ‘normale’ marktrisico overstijgen mede worden afgedekt door de ontwikkelingsorganisaties. De Rabobank probeert de Nederlandse Ontwikkelingssamenwerking daarvan te overtuigen, maar stuit op wantrouwen dat dateert van voor de geschetste toenadering. Als 4 ma

Reacties