Ik kies mijn kleding uit op basis van hoeveel risico’s ik bereid ben die dag, dat uur te nemen. Ik plan mijn routes op grond van wat ik draag, hoeveel make-up ik opheb, of juist hoe weinig. Het openbaar vervoer neem ik alleen als ik er zeker van ben dat mijn vrouwelijkheid overtuigend is of onopgemerkt kan blijven. Ik fiets liever door de stad dan dat ik loop, want de wieg in mijn heup verraadt me misschien. Als je me opmerkt op de fiets, en mijn nagellak, mijn lippenstift en mijn stoppelbaard vragen bij je doen rijzen, ben ik allang weer voorbij.

Als ik moet lopen, dan kijk ik mensen niet rechtstreeks aan. In de bus, metro, tram, winkel, trein, wachtkamers, hou ik mijn oordopjes in. Ik loop snel, met lange passen, onverstoorbaar; ik wil eruitzien als een onbereikbare onomkeerbare natuurkracht. Ik ben dik en groot; ik vertel mezelf dat mijn formaat me beschermt. Dat ik gezien wordt als een grote kerel – toch maar niet doen, straks kan-ie vechten. Soms wil ik niet gezien worden, en draag ik een zwarte hoodie, zwarte joggingbroek, en doe ik mijn nagellak af; ik waan me dan onzichtbaar en veilig. Toch word ik dan soms, zoals vorige week op de markt, aangesproken als mevrouw en ben ik deels blij, en deels opgeschrikt door het besef dat ik kennelijk nooit onzichtbaar kan zijn.

Archief van geweld

Wat ik het meest vrees, zijn lust en begeerte. Want de begeerte van cis-mannen (van wie de seksuele identiteit overeenkomt met het biologische geslacht waarmee zij geboren zijn – red.) doodt trans vrouwen en femmes. Hun lust legitimeert hun geweld. Als ik die blik herken, voel ik de klappen al bijna. Ik voel de scheldwoorden al, de aantijging dat ik hen probeer te verleiden en misleiden. Als ik die blik herken, kijk ik weg, soms verander ik van zitplaats – of stap ik in de metro een paar haltes te vroeg uit. De foto’s en video’s van toegetakelde, verminkte, vermoorde LHBTQIAP’ers vormen collectief gedeelde herinneringen. Ik draag dit archief van geweld met me mee. Een geschiedenis die ook toekomst is, een onuitgesproken waarschuwing in de keurende en afkeurende blik van mannen.

Blikken die mijn aanwezigheid, mijn bestaan, mijn zichtbaarheid beoordelen en soms veroordelen. Een veroordeling tot anders zijn. Een anders zijn dat daarna opgevat wordt als provocatie, uitdaging en uitnodiging tot geweld. Mijn interne navigatiesysteem neemt ruime bochten om grote menigten en gaat afgezonderde straatjes uit de weg. Ik vermijd groepen van mannen, vooral jonge mannen, dronken mannen, witte mannen. Mannen wiens straten het zijn. Mannen die zwarte lichamen, vrouwenlichamen, LHBTQIA-lichamen minachten als beschikbaar, verwerpelijk en wegwerpbaar. Het zijn de mannen die indringend kijken, die speuren naar antwoorden, met een lichte sneer rond hun mondhoeken, ongeduld in hun ooghoeken. Mannen die kijken alsof ik hun een antwoord schuldig ben. Ze willen een simpel, snel antwoord: een ‘ja’ of een ‘nee’, een ‘penis’ of een ‘vagina’, een ‘man’ of een ‘vrouw’, een ‘ik ben de jouwe’ of een ‘ik ben van een ander’.

Bonkend hart

Angst verzilt je bloedbanen. Hij laat hoopjes verkalkte schrikbeelden achter. Je hart gaat er harder van pompen om je bloed op gang te houden. Mijn hart slaat almaar harder, om me buiten de deur te krijgen. Mijn hart bonkt almaar harder, om me te laten zitten in de metro, laat op de nacht en een groep dronken witte jongens (met een stil wit meisje dat mijn blik mijdt) me beginnen te vragen waarom ik zoveel glitter op heb. Mijn hart pompt almaar harder wanneer twee zwarte jongens om me heen cirkelen, bij een druk busstation, en woordeloos gebaren dat ze mijn keel door willen snijden. Mijn hart jaagt almaar harder om mijn arm niet weg te trekken, wanneer mijn geliefde arm in arm wil lopen in mijn nieuwe buurt.

Ik wil hem toevertrouwen dat ik de buurt nog niet kent, dat ik nog niet weet welke risico’s er om de hoek liggen. Dat ik mijn handschoenen niet uitdoe bij de kassa van de lokale bakker om mijn nagellak te verbergen. Dat ik mijn heupen recht probeer te houden wanneer ik mijn buren passeer. Dat ik de muziek in mijn oordopjes uit laat sinds Xeverio van achteren met een baksteen is geslagen, beroofd en bijna voor dood is achtergelaten. Dat ik mijn angst sus met de gedachte: “Mochten ze mij besluipen, dan kan ik ze horen. Ik kan de klap voor zijn.”

Maar angst is ook een brandbare stof. Je kunt hem opstoken tot een vuur. Een vuur dat heelt, dat plaatsmaakt voor nieuwe huid, voor nieuwe verbindingen, voor verandering. Daarom eisen we zondag 28 januari de straten op. In Amsterdam, zullen wij – LHBTQIAP’ers uit alle hoeken van dit land – en onze samenzweerders demonstreren voor het recht jezelf te zijn. Het recht om te bestaan, om veilig zichtbaar te zijn, om je door de stad te bewegen, om de trein in te kunnen, om naar school te gaan, om uit te gaan en nog zo veel meer. We eisen het recht om publieke en privélevens te leiden, vrij van angst, geweld en haat.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
profielfoto1

Over de auteur

Olave is jurist, activist en politica. Ze is een non-binaire trans femme, feminist, veganist en schrijfster. Olave is geboren in Burundi …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief