Kaas

01-01-2006
Door: Tekst: Evelijne Bruning


Persoonlijk vind ik de confrontatie met exotische hoogwaardigheidsbekleders steeds weer een feestje. Zet mij gerust op het platteland van Vietnam met een roedel eendrachtig in nylon pak gestoken vrouwenbondvertegenwoordigers. In een onderkoelde conferentiezaal in willekeurig welke hoofdstad van West Afrika, met al dat welbespraakte weelderig vlees in kunstig gesteven gebatikte lappen. Of op de van snorren vergeven jaarvergadering van de Rotary in Rajasthan. En dan om beurten een gezwollen speech van minstens een kwartier houden, vol welgemeende wederzijdse wensen van welzijn en wereldvree. En ik geniet. Heus. Urenlang.

Typisch geval van niet-westers socioloog. Want hier thuis kom ik niet verder dan de rol van verbijsterde toeschouwer bij al die nieuwjaarsrecepties en overige leuk bedoelde bijeenkomsten waar de Nederlandse bestuurscultuur in grossiert. Hé-dag-hallo-hoe-gaat-het-met-jou, goh wat leuk. En ondertussen bijna je nek verdraaien op zoek naar een nóg belangrijker iemand om tegenaan te schuren. Misschien dat drank toch helpt. Ze drinken als vissen, ontwikkelingswerkers, dat kan u niet ontgaan zijn. Denkelijk zijn ze daarmee ooit begonnen om al die recepties een beetje door te komen. Soort olijfolie voor de ziel.

De hamvraag wordt nu natuurlijk: hoe lang houdt Jan Soldaat het in Uruzgan vol op kopjes thee? Want laten we maar gevoeglijk aannemen dat het gemiddelde stamhoofd geen Breezer lime voor hem heeft klaarstaan. Gelukkig was er voor de oplettende luisteraar goed nieuws uit het wat tammere Noorden van Afghanistan. Een eerste wapenfeit. Daar is inmiddels met Nederlandse steun een heuse kaasfabriek opgezet. Dat is wel fijn, dan hebben we straks tenminste iets om aan de stamhoofden aan te bieden, bij die thee. Zeeuws mutsje over de burqua. Paar Nederlandse vlaggetjes erin. Klaar. Moeten we wel hopen dat die Afghanen er niet stiekum Khomeini-kaas van maken. En dat die vlaggetjes niet halfstok hoeven.

Daarnaast hebben we er ook nog iets anders te brengen: onze ervaring met drugs. De Amerikanen - en de Afghaanse overheid - willen de papaverteelt en dus de opiumproductie stopleggen. Toegegeven, dat is niet direct ons sterkste punt. De Nederlandse marineschepen die de afgelopen maanden voor de kusten van Latijns-Amerika patrouilleerden zijn helemaal niemand tegengekomen onderweg. Geen enkele smokkelaar gearresteerd. Behalve dan een paar van onze eigen Jantjes, die op de terugweg zelf een paar kilo spul aan boord gesmokkeld bleken te hebben. Oeps. Zeker om USB-stickies van te draaien.

Toch hebben we wel degelijk iets nuttigs in te brengen in de papaver-discussie: onze gedoog-ervaring. Onlangs werd er op Clingendael al een bijeenkomst gehouden over de mogelijkheid om de Afghaanse opiumteeltvaardigheden in te zetten voor medicijnproductie. Je kan er namelijk ook morfine en codeïne van maken, en daar is een legaal tekort aan. Niemand beter dan de Nederlanders om daar nou eens een stevig pleidooi voor te houden, lijkt mij. En als we daar internationaal geen breed maatschappelijk draagvlak voor kunnen vinden, kunnen we allicht een paar van onze jongens een tablettenmachine meegeven in hun bagage.

Nu maar hopen dat dat genoeg aanknopingspunten zijn om de 'hearts and minds' van de lokale bevolking stormenderwijs te veroveren. Eén ding is duidelijk. Ballen hebben ze nodig, onze troepen die ontwikkeling gaan brengen in Uruzgan. Bitterballen.

Evelijne Bruning

Hoofdredacteur Vice Versa

Editor@viceversaonline.nl

p.s. Het ministerie van Defensie nam onlangs een abonnement op Vice Versa. Dat is wat traag, want volgens mij waren ze sinds Srebrenica al in ontwikkelen geïnteresseerd. Maar laat ik hier dus voor mijn eigen veiligheid maar snel verklaren dat ik ook achter onze jongens zal moeten staan. De scherpe blik op wie welk deel van deze operatie gaat betalen houden we overigens onverminderd vast, en we beloven u op de hoogte te houden.



Reacties