Japans stageprogramma leidt tot uitbuiting

17-11-2006
Door: Suvendrini Kakuchi
Bron: IPS

De Japanse media hebben zich op het verhaal gestort van drie Chinese vrouwen die wegvluchtten uit een naaiatelier in het Noord-Japanse Aomori, waar ze sinds 2004 werkten. De drie vrouwen moesten dertien uur per dag werken, kregen een hongerloon en mochten 's winters geen verwarmingstoestellen gebruiken in de slaapzaal van het bedrijf - een omgebouwde garage. Eén van de vrouwen vertelde in de krant Yomiuri dat ze broeken voor vrouwen en kinderen in elkaar moest zetten. Ze had al 176 overuren gemaakt sinds ze in het atelier was begonnen.
 
Het stageprogramma werd in 1993 gelanceerd. Het is populair geworden omdat bedrijven het moeilijk hebben om werkvergunningen voor ongekwalificeerde arbeidskrachten uit het buitenland te bemachtigen. In 2005 deelde Japan ruim 83.000 stagevisa uit, meer dan 55.000 daarvan aan Chinezen. De meest visa geven het recht drie tot vier jaar in Japan te blijven.
 
"Het programma belooft buitenlanders vertrouwd te maken met nieuwe technologieën, maar eigenlijk is het een dekmantel om goedkope arbeid aan te trekken", zegt Shu Furiyama, een medewerker van de vakbond Tokyo Rengo die zich om Chinese werknemers bekommert. "De ondernemers betalen een habbekrats en leggen de vrijheid van hun stagiairs aan banden."
 
Andere Aziaten gaan graag werken in Japan omdat de Japanse munt sterk is en er veel kan worden verdiend. De Japanse werkgevers, vooral kleine ondernemingen en boerderijen, zijn wanhopig op zoek naar goedkoper werknemers: ze zien dat als de enige kans om met hun bedrijf de globalisering te overleven.
 
De regering werkt zegt te werken aan strengere maatregelen en beter toezicht. Maar niet iedereen gelooft daarin. "De Japanse regering bekommert zich vooral om de belangen van de bedrijven", zegt Pin Win, een Birmaanse vluchteling en voorzitter van de Vereniging van Birmaanse Vluchtelingen in Japan.

Reacties