‘Internationale milieuverdragen zijn kortzichtig’

28-04-2000
Door: OneWorld Redactie
Bron: IPS

Dit zijn de conclusies van 'Groen beleid, wereldwijde milieuonderhandelingen', een studie van 409 pagina’s van Indiase Centrum voor Wetenschap en Milieu. Daarin wordt onderzocht hoe de VN-milieuconventies van het afgelopen decennium tot stand zijn gekomen. Dat zijn verdragen over problemen als het broeikaseffect of de vermindering van de biodiversiteit.

Bij internationale onderhandelingen over milieuproblemen piekeren regeringen niet in de eerste plaats hoe vervuiling het beste kan worden teruggedrongen. Of op welke manier meer diersoorten van uitsterven kunnen worden gered. De delegaties willen eerst en vooral de begroting van hun land vrijwaren, zegt Anju Sharma, een medewerkster van het Centre for Science and Environment in New Delhi.

‘Milieudiplomatie heeft niets te maken met het streven naar een rechtvaardig systeem dat een duurzaam beheer van de aarde mogelijk moet maken - het gaat om kleinzielig gecijfer.’

Volgens de Indiase onderzoeksinstelling zijn de drie grote milieuverdragen die in de jaren 90 in de VN tot stand kwamen, zwaar getekend door die houding. Het gaat om het raamverdrag over de Klimaatverandering met het bijhorende Protocol van Kyoto, de Conventie over de Bestrijding van de Verwoestijning en de Conventie over Biologische Diversiteit.

‘Rijke landen zoeken goedkope oplossingen’
‘Wij denken dat het Kyoto-protocol een absolute ramp wordt omdat het helemaal op kortetermijnoverwegingen is gebaseerd,’ zegt Sharma. In het Kyoto-Protocol verbonden de industrielanden zich ertoe hun uitstoot van broeikasgassen tegen het volgende decennium met zo'n 6 procent te verminderen.
‘Maar de rijke landen hebben vooral naar goedkope oplossingen gezocht waarvoor geen ingrijpende industriële ommezwaai nodig is - zoals het kopen van emissierechten van arme landen die zelf relatief weinig broeikasgassen produceren. Op die manier zal de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen die geen broeikasgassen voortbrengen waarschijnlijk nog voor een lange tijd grote vertraging oplopen.’

Zolang de rijke landen zich kunnen ‘vrijkopen’ hebben ze die alternatieve energiebronnen niet echt nodig. Ontwikkelingslanden zouden door de overschakeling zelfs een gemakkelijke inkomstenbron laten liggen.

De Conventie over de Biologische Diversiteit uit 1992 moest onder meer ook de cultuur en de middelen van bestaan van inheemse volken beschermen. Zij leven vaak op plaatsen met een grote natuurrijkdom. Volgens Sharma staan de rechten van die natuurvolken op losse schroeven door de bepalingen van het verdrag over Handelsgerelateerde Intellectuele Eigendomsrechten (TRIPSs). Die werd in het kader van de Algemene Overeenkomst over Tarieven en Handel (GATT) gesloten.

Dat verdrag beschouwt planten en hun genetische eigenschappen als handelswaar, en wil beperkingen die worden opgelegd ter bescherming van nationale of lokale belangen zoveel mogelijk wegwerken.

‘Bij het opstellen van dat TRIPs-verdrag hielden de farmaceutische industrie en andere multinationale ondernemingen de pen vast,’ oordeelt Sharma. Volgens haar vinden de belangen van Derde-Wereldlanden vaak enkel een neerslag in verdragen die niet kunnen worden afgedwongen. Rijke landen daarentegen regelen hun zaakjes in de Wereldhandelsorganisatie. Dat is de instelling die lidstaten zwaar onder druk kan zetten om beslissingen te respecteren.

Overconsumptie schaadt Zuiden
Een voorbeeld is de Conventie over de Strijd tegen de Verwoestijning. Die is tot stand gekomen op aandringen van de ontwikkelingslanden. En dus zetten de meeste rijke landen en de westerse hulporganisaties zich nauwelijks in voor de uitvoering van die conventie.

Volgens de Indiase critici willen de industrielanden het verband niet zien tussen de overconsumptie in het Noorden en de vermindering van de bodemvruchtbaarheid in het Zuiden. Dat is een gevolg van de lage wereldmarktprijzen voor landbouwproducten die boeren ertoe aanzetten hun akkers en weidegronden te overbelasten.

Maar veel ontwikkelingslanden zien in de woestijnconventie ook louter een nieuw instrument om meer ontwikkelingshulp binnen te krijgen. Zelf gaan ze ook niet grondig na hoe sommige problemen op eigen kracht kunnen worden opgelost of voorkomen.


Naast het probleem dat de grote milieuconventies niet afdwingbaar zijn, laakt het Centrum voor Wetenschap en Milieu ook het gebrek aan coördinatie bij de pogingen van de Verenigde Naties om grensoverschrijdende milieuproblemen aan te pakken. Het VN-systeem is volgens Sharma ‘in sterke mate ongestructureerd’, en de secretariaten van de verschillende milieuconventies kunnen vrijwel naar eigen goeddunken optreden.

Sharma stelt de oprichting van een Wereldmilieuorganisatie voor die alle milieu-initiatieven van de VN coördineert. Die moet ook de basis leggen voor een wereldwijd milieubeleid. Zo'n organisatie moet zich dan wel te weer kunnen stellen tegen de Wereldhandelsorganisatie en de Wereldbank en Internationaal Monetair Fonds.

Meer over Centrum voor Wetenschap en Milieu in India

Reacties