Hulp voor handel helpt maar matig

01-11-2005
Door: Tekst: Mireille Vermeulen


Sinds de eerste ministeriële conferentie van de World Trade Organisation (WTO) in Singapore in 1996, hebben zowel bilaterale donoren (waaronder Nederland), als multilaterale instellingen veel geïnvesteerd in de positieverbetering van ontwikkelingslanden in het mondiale handelsstelsel. Zo is er via organisaties als UNCTAD (United Nations Conference on Trade and Development) en multilaterale programma's (IF en JITAP) gewerkt aan de formulering van 'pro-poor' handelsbeleid. En aan het vergroten van de kennis en vaardigheden van overheden en organisaties in ontwikkelingslanden. Dat gebeurt door het uitgeven van publicaties en het organiseren van conferenties, trainingen en studies.

Niet effectief

Een van de belangrijkste bevindingen in de recente IOB-evaluatie is dat de geïntegreerde programma's van grote multilaterale organisaties op dit gebied in de minst ontwikkelde landen niet effectief en efficiënt zijn. In ieder geval niet in de vier geëvalueerde Nederlandse partnerlanden (Burkina Faso, Jemen, Ethiopië en Tanzania). Programma's die op landenniveau het 'pro-poor' handelsbeleid en het institutionele kader moeten versterken, lijden onder de beperkte personele en institutionele capaciteit in de doellanden: dit soort programma's is moeilijk te runnen.

Daarnaast zijn vertegenwoordigers van ministeries en de private sector in de hulpontvangende landen vaak niet op de hoogte van de basisconcepten van het programma. Of ze zijn het er gewoon niet mee eens. Terwijl de programma's het integreren van handel in ontwikkelingsplanning als uitgangspunt hebben, zien sommige landen juist de gebrekkige investeringen en geringe productiecapaciteit als grootste bottleneck voor economische groei. Dit verschil van inzicht, concludeert de IOB, leidt tot geringe betrokkenheid van politiek, private sector en maatschappelijk middenveld.

Het gaat echter te ver om te zeggen dat geïntegreerde programma's überhaupt niet kunnen werken, benadrukt Otto Hospes, inspecteur bij de IOB: 'De impact van activiteiten wordt ook bepaald door het feit of het een meer, minder of minst ontwikkeld land betreft. Hulp aan de minst ontwikkelde landen verloopt moeizaam, dat heeft deze evaluatie ook weer bevestigd.'

Geen coördinatie

Maar er spelen ook problemen aan de donorkant mee. Zo belemmert de taakverdeling binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken een goede coördinatie van de Nederlandse inspanningen op het vlak van handel, bedrijfsleven en ontwikkeling. Den Haag doet de wereldwijde, multilaterale programma's, Genève brengt de Nederlandse standpunten in bij multilaterale onderhandelingen, en de ambassades houden zich bezig met hun eigen bilaterale programma's gericht op bedrijfsleven of ondernemersklimaat. Geïntegreerde programma's als IF en JITAP worden door de ambassades negatief beoordeeld, of zijn zelfs onbekend. Van informatie-uitwisseling, samenwerking en synergie tussen de verschillende onderdelen van het ministerie is dan ook nauwelijks sprake.

Geen transparantie

Hoewel de hulpontvangende landen UNCTAD waarderen om de publicaties en conferenties, blijkt het een weinig transparant en efficiënt kanaal te zijn voor het verlenen van handelsgerelateerde technische assistentie. Zo is de jaarlijkse bijdrage van 450 duizend euro door Nederland nooit getoetst op resultaten, ook niet toen Nederland in 2002 besloot de steun te oormerken voor programma's op het terrein van investeringen en competitie. Het ontbreken van duidelijke indicatoren in programma's en projecten maakt bovendien een inhoudelijke monitoring en dialoog nagenoeg onmogelijk. Heel verassend is dat niet, meent Hospes: 'Vanaf 2000 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken een serieuze start gemaakt met resultaatgericht management, maar dat is niet altijd gemakkelijk toepasbaar of uitvoerbaar. Gebruikte indicatoren zijn vaak "output"-indicatoren, die de geleverde prestaties tellen. De stap naar "outcome"-indicatoren om de doeltreffendheid van de activiteiten te meten, is lastig.'

Wat helpt dan wel?

De resultaten van de Nederlandse inspanningen op het gebied van handelsgerelateerde technische assistentie blijken dus matig te zijn. Uitgangspunt van het beleid, waarmee Nederland zich ook internationaal profileert, is immers een focus op de minst ontwikkelde landen, op hun identificatie van behoeften, en op hun eigenaarschap van de programma's. Wat volgens de IOB-evaluatie wél efficiënt en effectief werkt, is de thematische inzet door kleine, internationale ngo's in Genève. Zij versterken de onderhandelingscapaciteiten van ontwikkelingslanden in multilateraal handelsoverleg en geschillenbeslechting. Behalve dan die van de minst ontwikkelde landen, want deze zijn in Genève niet vertegenwoordigd.

Aid for Trade? An Evaluation of Trade-related Technical Assistance. IOB 2005, nr. 300. Het volledige IOB-rapport is te raadplegen op www.euforic.org/iob of op te vragen bij Marit.Kuyper@minbuza.nl



Reacties