Hoe het goud verdwijnt uit Farabako

31-03-2011 Bron: IS Online
Goud in Farabako (c) Seydou Camara

Farabako. Zomaar een dorp in Mali. Voor de vondst van goud, nu twee jaar geleden, stond de tijd stil. Nu heeft er een kleine revolutie plaatsgevonden. Goudzoekers beproeven er hun geluk. De dorpsbewoners delen in de winst.Wat zal het goud Farabako brengen? De lang gewenste welvaart? Minder ziektes? Kunnen jonge mensen hun dromen waarmaken? IS zal Farabako de komende tijd op de voet volgen. Deze maand deel 1, waarin we de dorpsbewoners aan u voorstellen.

Namagan Kante schrijft met zijn vingers tekens in het zand. Zijn cliënt wacht vol spanning op de uitkomst van zijn wiskundige berekeningen. Waarom schrikt hij terug voor de stap om een tweede vrouw ten huwelijk te vragen? Ziener Namagan doet een uitspraak en tevreden trekt de vragensteller zich terug. Hij moet een kip offeren en zich enkele keren wassen met een speciale balsem. Over een tijdje moet hij weer op consult voor de volgende stap van genezing. Vroeger was dat terugkeren een hele klus, want het dorpje Farabako, aan de grens met Guinee, ligt ver van de bewoonde wereld. Sinds vorig jaar rijdt er een busje in een kleine drie uur van de asfaltweg naar het dorp. Denk niet dat de populaire praktijk van ziener Kante tot een intensievere infrastructuur heeft geleid. Ook is het niet zo dat de Malinese staat zich het lot van het vierhonderd zielen tellende dorp in de brousse heeft aangetrokken. Het is goud dat de bus naar Farabako heeft gebracht.

Kalebas
Voordat in Farabako goud werd gevonden, was het een gewoon dorp onder de alles verzengende zon van Mali. De mannen en de kinderen werkten hard op de akkers met gierst, maïs en pinda’s. De vrouwen kookten, werkten in de groentetuin en zorgden voor de kinderen. De plaatselijke herder weidde het vee, en de smid maakte het landbouwgereedschap. Namagan Kante las de waarheid in het zand, zoals ook zijn vader, grootvader en overgrootvader dat al deden.
Het leven was niet gemakkelijk. Meer dan de helft van alle kinderen in Farabako ging dood voor het vijfde levensjaar. Vrouwen ruzieden met de tweede, derde of vierde vrouw van hun man of stierven aan malaria. Mensen hadden vaak honger.
Een enkeling vertrok uit Farabako en die zag je nooit meer terug. Soms maakte een nieuwe dorpeling zijn opwachting. Zo kreeg het animistische dorp gezelschap van de veeherders, de Peul. Die geloven in Allah, maar dat was geen probleem. Verder was iedereen analfabeet en er werd geen woord Frans gesproken.
Op een enkele ijzeren deur of een splinternieuw aluminium dak na, is Farabako opgetrokken uit materiaal dat al duizend jaar lang wordt gebruikt. De huizen, de kippenhokken, de bijenkorven, de duiventillen, de waterreservoirs, de banken, de bedden, de erfafscheidingen, alles is gemaakt van leem, hout en riet.
In het dorp is geen elektriciteit. Nergens kun je beter sterren kijken dan in het duister van Farabako’s nachten. Water wordt uit de grond geput met een grote kalebas aan een lang touw. Puur en ongerept kun je dat water niet noemen, de bevolking poept en plast in de bosjes rondom het dorp.

Groentetuin
Toen het eerste goud werd gevonden, nu twee jaar geleden, liet iedereen in Farabako de hak en de kalebas uit handen vallen. Bevangen door goudkoorts reisden de dorpelingen elke dag zeven kilometer het dorp uit om goud te zoeken. Bedekt met klei, uitgeput van het graven en zeven, keerden ze in de schemering terug om nog snel wat te eten en dan uitgeput in slaap te vallen. De verloskundige groef mee, de onderwijzer groef mee, de pottenbakster groef mee, de moeder van elf kinderen groef mee. Farabako lag helemaal stil. Er werd nog geen tomaat ingezaaid. De honger kwam.
“De groentetuin was leeg”, vertelt Djeneba Kamara (70). De chief van de vrouwen wordt nog kwaad als ze aan die periode terugdenkt. De vrouwen legden het werk in de tuin neer en togen naar de mijn. Djeneba vond het een verschrikkelijke tijd. “Gelukkig zijn ze weer terug.” Ze kijkt trots naar de gemeenschappelijke groentetuin vol vrouwen, haar vrouwen, die in de frisse schemering kalebassen vol met water over de groenteperken uitgooien. Ze verbouwen er spinazie, rode bieten, uien, tomaten, zoete aardappelen, bananen, courgettes, aubergines, maïs en kruiden. “We beseffen nu dat er geen winst gehaald kan worden met goud. Het is beter om je eigen groente te verbouwen. Dan heeft iedereen tenminste te eten.” De zoon van Djeneaba werkt nog wel in de mijn, maar hij verdient niet veel. “Niet iedereen kan rijk worden”, zegt ze wijs.

Geluk
Farabako telde twee jaar geleden nog vierhonderd inwoners. Daar zijn vijfenzestig inwoners bijgekomen; mannen, vrouwen en kinderen. Een enkeling opent een winkeltje, de rest komt op het goud af. Overal in het dorp liggen lege meelzakken met stenen en gruis erop. De oogst van een dag graven in de goudmijn. Het is nu aan de vrouwen en kinderen om erop los te hakken. In Nigeria is ontdekt dat dit tot ernstige loodvergiftiging kan leiden, vooral bij kinderen. In gouderts zitten vaak giftige metalen, maar dat nieuws heeft Farabako nog niet bereikt. M’bamaka Kante (20) slaat de stenen uit de mijn kapot met een hamer. Haar splinternieuwe huisje staat aan de rand van het dorp. Ze woont hier nu een jaar, samen met haar man en moeder. De laatste past op haar twee kinderen. M’Bamaka heeft een goede dag. “Ik heb vandaag 2100 CFA (bijna 3,50 euro) verdiend. Als ik geluk heb, vind ik kleine stukjes goud.” M’bamaka verkoopt haar vondst dezelfde dag nog aan de goudkopers. Als ze voldoende verdiend heeft, wil ze terug naar haar oude dorp, net als de andere goudzoekers.

Aandelen
Er werken dit jaar minder mensen in de mijn dan vorig jaar. Dat komt omdat de goudopbrengst van Farabako gestaag slinkt. Behalve een paar luxere huizen en wat nieuwe brommers zijn er weinig zichtbare tekenen van toegenomen welvaart. Een Malinees zal ook niet snel zeggen dat hij binnenloopt, anders moet hij het maar uitdelen aan armere familieleden. “Eigenlijk verdienen de mensen hier het meest aan het zorgen voor de mijnwerkers”, zegt chief Madou Keita (70). Op de open goudmijn is een hele kolonie goudzoekers aan het werk. Honderden mannen en vrouwen graven en beitelen in de witte rots. Die mensen komen niet alleen uit de drie dorpjes die rond de goudmijn liggen. Ze komen van ver, uit Kayes, Guinee of Bamako. Ze zoeken in de dorpen een bord eten en een tijdelijk thuis.
De mijnlogés betalen niet met geld voor hun logies, ze betalen in aandelen. Als zij goud vinden, krijgen hun gastheren een deel. De dorpsvrouw die hun lunch naar de mijn brengt, wordt ook zo betaald. Het is dus een gok, om voor de mijnwerkers te zorgen. Als zij niks vinden, krijg je je investering niet terug.
Alamako Kante (30) kookt voor een ploeg goudzoekers. Ze kweekt zelf de groenten in de tuin, de mijnwerkers kopen de rijst op de markt. Elke dag kookt ze voor negentien man. “Ik doe dit al een jaar, maar ik heb nog niets verdiend. Je moet ook maanden graven voor je bij het goud komt”, zegt ze verontschuldigend. Wel gaan haar drie kinderen naar school. Haar oudste dochter gaat zelfs naar de middelbare school in Bamako, ze is de eerste uit Farabako.
“Als er dit jaar niet verdiend wordt aan het goud, heeft Farabako zwaar ingeleverd”, zegt de oude chief Keita onheilspellend. “Dan vind ik dat het afgelopen moet zijn met het goud.” Hij gaat op weg naar zijn akkers, een uur lopen van het dorp. Een mager silhouetje verdwijnt met opgewekte tred in de gortdroge brousse.

Demonen
In het eerste licht lopen, fietsen en brommen ook de mijnwerkers naar hun put. Iedereen mag hier graven. Er wordt niet gevraagd waar je vandaan komt. Dorpelingen bewaken de mijn ‘s nachts tegen ongenode goudzoekers. De surveillanten worden betaald met de kleine belasting die een ploeg putgravers moet betalen. Dorpssmid Diankini Kante (54) bemiddelt als surveillant ook in disputen tussen mijnwerkers en hij stuurt regelmatig vrouwen weg ‘die van hun man niet op de mijn mogen komen’, een eufemisme voor prostitutie.
Als Diankini geen dienst heeft, maakt hij gereedschap voor de mijnwerkers: hamers, beitels en bijlen. Daarvoor smelt hij vrachtwagenonderdelen om in een klein hoogoventje van leem. Hij moet hard werken om zijn vier vrouwen te onderhouden en veel verdient hij niet. Op vrijdag en maandag bewaakt Diankini een lege mijn. “Dan is het te gevaarlijk op de mijn omdat er djinns (demonen) rondhangen”, vertelt mijnwerker Sadio Sankaré (35), als hij op vrijdag in Farabako rondhangt en aan de lopende band kopjes muntthee zet. Iedereen houdt zich aan dit taboe, ook de grote handelaren uit de stad die met een fourwheeldrive op hun zaken komen toezien. Die handelaren lopen hier snel binnen. Bij de mijn ligt een gigantische markt. Alles wat een mijnwerker nodig heeft, is te koop: touw, katrollen, batterijen, zakjes thee, spijkerbroeken, dekens, fruit, fietsbanden, mutsen, motoronderdelen en emmers. Voor de inwoners van Farabako een scala aan spullen die niet eerder binnen handbereik waren.
De sotrama’s, groene busjes, staan in rijen geparkeerd om de mijnwerkers en handelaren van dienst te zijn. Sommigen rijden tussen de dorpen en de mijn, anderen zijn beladen met boomstammetjes om de mijngangen te stutten. “Vorig jaar kwamen op een dag tientallen bussen vol koeien en schapen aanrijden. Die zijn toen in één dag door de mijnwerkers opgekocht en geslacht”, vertelt ziener Namagan Kante opgetogen. “Daar hebben een paar mensen veel geld mee verdiend.”

Palmwijn
De goudmijn van Farabako is eigenlijk een uitgestrekt industrieterrein met overal diepe putten, balken, kabels en slangen, generatoren en pneumatische boren. In elk gat werkt een ploeg van acht of negen mijnwerkers. Vaak zijn ze in dienst van een exploiteur die ze een klein salaris betaalt. Ze worden bediend door een stuk of tien loopjongens en vrouwen. De dorpsvrouwen brengen eten, maar hebben ook een andere taak: ze voeren de stenen en het gruis af dat uit de put komt. De beloning? Elke tiende emmer is voor hen.
Kilometer na kilometer strekt het mijngebied zich uit. “Daar achter die heuvel zitten ook goudzoekers”, wijst mijnwerker Sadio. Hij loopt naar zijn mijn, een put van 58 meter diep. Ze graven al vier maanden, maar hebben nog niet veel gevonden. “Gisteren had ik geluk, toen vond ik dit goud”, zegt Sadio. Hij ontvouwt voorzichtig een stuk papier. Daarop liggen wat flinterdunne graantjes goud. “Ik denk dat het eentiende gram is. Daar krijg ik 1500 CFA voor (2,20 euro).” Sadio woont bij Namagan Kante in. “Daar heb ik mijn familie gevonden.” Als hij een klapper maakt, moet hij eerst Namagan afbetalen. Daarna kan hij misschien even terug naar zijn dorp in het noorden van Mali. Hij wil een stukje grond kopen, maar dan moet hij minstens 50.000 CFA bij elkaar hebben voor de aanbetaling. Zijn vrouw en twee kleine kinderen ziet hij maar af en toe. “Als ik een beetje goud vind, stuur ik thee naar huis.”
Zijn gastheer zandlezer Namagan Kante (38) werkt zelf niet in de mijn. Wel heeft hij hier en daar een vinger in de pap. Hij handelde in vee, reisde naar Guinee en Bamako en was een van de eersten in het dorp die een brommer kocht. Van Namagans negen kinderen gaat er maar eentje naar school. De rest is nog te klein of werkt op het land. Hij heeft zijn kinderen verboden naar de mijn te gaan. “Daar zouden ze maar palmwijn drinken of op het idee worden gebracht om het dorp te verlaten.” De charismatische zandlezer maakt zich zorgen over de effecten van het goud op zijn dorp. “We raken de jongeren kwijt aan de mijn”, zegt hij, “daar zijn alle vaders hier bang voor.”

Vrachtwagen
Veel positiever is Namagans jongere broer Djaguina Kante (35). Hij komt aanrijden op zijn nieuwe zware brommer, een levende kip aan het stuur. Djaguina heeft een brede lach op zijn ronde gezicht. “Vroeger moesten we altijd zoeken naar eten. Nu is het leven stabieler”, legt hij uit. Hij exploiteert een put in de mijn en laat andere mensen goud voor hem zoeken. Zijn eigenlijke beroep is het zoeken van kruiden en planten om traditionele medicijnen te maken. Dat doet hij nog steeds in het regenseizoen. Als hij rijk wordt, wil hij naar Bamako vertrekken om daar een huis te bouwen en een praktijk als traditioneel genezer te beginnen.
Niet alleen Djaguina, ook de plaatselijke winkelier is blij met de vondst van het goud. Komakan Keita (32) is een van de twee lokale opkopers van het edelmetaal. Terwijl hij vertelt hoe slecht zijn zaken gaan – altijd slim als er twintig klanten meeluisteren – schuiven een aantal grote handelaren aan die met een vrachtwagen naar Farabako zijn gekomen om zakken pinda’s op te halen, een handel die ook via Komakan loopt. De zakjes oploskoffie, suiker, poedermelk, flesjes nepfanta, batterijen en kookolie die hij in zijn grote boetiek verkoopt, vullen zijn inkomen verder aan.
Het kleine dorpje heeft nog een tweede boetiek, die van Ousmane Sidibe (44). Toen er vorig jaar honderden mijnwerkers in het dorp logeerden, vonden de producten van beide boetieks gretig aftrek. Nu lopen de zaken wat moeizamer, maar Sidibe is niet geheel afhankelijk van zijn winkeltje. Hij hoedt het vee van de vrouwen van Farabako die te druk zijn met de mijn. Zijn droom is om een grotere winkel te openen en zelf veel vee te bezitten. “Dan kan ik veel vlees eten.”

Tegen de avond keren de bestofte mijnwerkers naar Farabako terug. De dorpsjongens voetballen onder het gejoel van de meisjes. Een jongeman wast zijn brommer bij de waterput.
De zon zakt weg. De koeien nemen hun plaats in op het erf van Namagan, zijn kinderen schuiven aan bij het vuurtje. Gekeuvel tot diep in de nacht. Dan verdwijnen de mensen een voor een in hun lemen kamers. Als de stilte neerdaalt, droomt Farabako over de kansen die het goud brengt. Een ijzeren hek rond de groentetuin om de wilde dieren uit de sla te houden. Een school voor alle kinderen. Een brug zodat de bus naar het dorp ook in het regenseizoen kan rijden. Een eigen lapje grond voor Sadio. Wordt vervolgd.

Esther Bakker

Esther Bakker heeft vijf jaar vanuit Afrika als freelance journalist gewerkt....

Lees meer van deze auteur >

Reacties