Hoe effectief zijn controles in kledingfabrieken?

30-08-2016
Door: Veerle Boekestijn
Bron: OneWorld
Foto: Flickr
Certificeringen en keurmerken moeten slechte arbeids- en milieuomstandigheden in kledingfabrieken aanpakken. Inmiddels is er een wildgroei aan certificaten en zijn er ontelbare controles, maar blijft de situatie in de fabrieken veelal onveranderd. Wat gaat er precies mis en wat zou wel helpen?
Achtergrond – 

Als je in Europa een kledingstuk koopt, is de kans groot dat deze in een fabriek in China, Turkije, Bangladesh, of India is gemaakt. De werkomstandigheden in die fabrieken zijn op z’n zachtst gezegd niet om over naar huis te schrijven: slechte hygiëne, lange werkdagen, lage lonen en veel herrie.

Die slechte omstandigheden versterken elkaar weer. Zo zorgen de lage lonen ervoor dat de arbeiders veel meer uren dan toegestaan werken om te kunnen rondkomen. Daarnaast hebben sommige landen geen vakbondsvrijheid, of worden arbeiders die een vakbond op willen zetten ontslagen zodra de fabrieksbaas lucht krijgt van hun plannen.

Opzet van certificatieorganen

Om grip te krijgen op de situatie in de fabrieken werden ruim twintig jaar geleden de eerste certificaten in het leven geroepen. Een certificaat kan door een onafhankelijke partij, een combinatie van partijen, of een kledingbedrijf zelf opgezet worden. Het grootste gedeelte van de certificaten wordt bedacht door de industrie zelf. Hierdoor zijn er talloze verschillende certificaten, elk met hun eigen standaarden. Dat betekent dat zij ook elk hun eigen controlebezoeken organiseren. Een bedrijf dat zijn eigen standaarden bepaalt, controleert dus zijn eigen prestaties. 

Het vraagt nogal wat van de consument om de verschillen tussen de certificaten te snappen

Een slager die z'n eigen vlees keurt, wekt niet veel vertrouwen. Toch is de hoeveelheid certificaten door de complexiteit van de textielketen een noodzakelijk kwaad. Eén certificaat voor de gehele productieketen is geen haalbaar streven, maar het zou wel helpen als bedrijven niet allemaal hun eigen standaarden bepalen. Die dragen er namelijk aan bij dat het aantal controles dat uitgevoerd moet worden momenteel erg hoog is. Erica Van Doorn, directrice van de Fair Wair Foundation: “Het vraagt nogal wat van de consument om de kwaliteitsverschillen tussen de vele certificaten te snappen.” Fair Wair Foundation is een non-profit organisatie die zich bezighoudt met arbeidsrechten. “Helaas is het heel ingewikkeld om een betrouwbaar controlesysteem in te richten”, zegt Van Doorn.

Audit fatigue

De certificeringen frustreren de fabriekseigenaren, sommigen van hen krijgen dagelijks een bezoek van een controleur. Er is inmiddels zelfs een woord voor: audit fatigue (controle-vermoeidheid). De vele controles zijn dus voornamelijk het resultaat van bedrijven die hun eigen standaarden hanteren. Fair Wair Foundation doet dat anders, legt Van Doorn uit. “Wij organiseren enkel een controlebezoek als het vorige rapport overduidelijk niet klopt, bijvoorbeeld als er staat dat arbeiders niet overwerken. In een land als Bangladesh werkt momenteel namelijk iedereen over.”

Bedrijven kunnen veel geld besparen door met een vragenlijst te werken. En in geld besparen zijn de bedrijven meestal wel geïnteresseerd

Waarom geven al die bedrijven zo veel geld uit aan al die controles? Van Doorn: “Grote bedrijven als Walmart hebben contact met duizenden fabrieken. Het is voor hen veel handiger om zelf de controles uit te voeren, want alleen hun eigen standaard hanteren kost minder tijd en bovendien wordt er dan precies gecheckt wat zij willen dat er gecheckt wordt.” Voor hen is het opvragen van een bestaand rapport waarin andere standaarden zijn gemeten niet economisch rendabel en inefficiënt.

Daarom zijn er nu onderhandelingen bezig over het opzetten van een algemene vragenlijst, zegt socioloog Pierre Hupperts. Hij is de voorzitter van het internationale social & labour convergence project. “Het wordt geen nieuwe standaard, maar we stellen een vragenlijst samen die bedrijven zouden kunnen adopteren.” Van Doorn is positief over het idee. “Bedrijven kunnen veel geld besparen door met een vragenlijst te werken. En in geld besparen zijn bedrijven meestal wel geïnteresseerd.” Het bespaarde geld kunnen ze vervolgens in voor de arbeider belangrijke zaken als een leefbaar loon steken.

Trekken aan een dood paard?

Het blijft de vraag of het gelijktrekken van de standaarden tot een duurzame kledingindustrie leidt. Tot nu toe hebben certificaten en alle controles namelijk nog niet geleid tot verbeterde werkomstandigheden en verduurzaamde werkprocessen. Het certificeringsysteem is een westers concept. Het lijkt daarom vooral ontworpen te zijn om het vertrouwen van de westerse consumenten te winnen. Wij zijn immers gewend dat een certificaat een gecontroleerd en dus aantoonbaar bewijs is. Professor in de politieke wetenschappen en internationale zaken Richard M. Locke deed onderzoek naar certificatiesystemen en schreef daar het boek The Promise & Limits of Private Power over. Zijn bevindingen waren ook dat certificatie-organen niet uit zichzelf leiden tot betere werkomstandigheden (zie filmpje hieronder).

Fragment uit een boekpanel over het boek The Promise and Limits of Private Power, waarin Richard Locke de kern van zijn bevindingen uiteenzet. Kijk het hele filmpje hier.

Controlebezoeken van commerciële certificaten vinden vaak plaats in anderhalve of twee dagen. Veel te weinig, vindt van Doorn. Hoe moet het dan wel? “Wij trekken voor een controle negen dagen uit, zodat we de fabrieksbazen kunnen spreken, maar ook de fabrieksmedewerkers kunnen spreken binnen en buiten de fabriek.” Op die manier controleren ze of de fabriekseigenaren de schijn hoog houden, of de werkelijke situatie vertellen. Nog genoeg werk aan de winkel voor een eerlijke kledingindustrie dus.

Reacties