Het Tsjadische oliedebacle

25-09-2008
Door: Tekst: Dorrit van Dalen Foto: Petterik Wiggers

34_00769655
Met een lening van 140 miljoen dollar aan de regering van Tsjaad begaf de Wereldbank zich in 2001 voor het eerst in een olieproject. De lening was bedoeld om oliewinning, door buitenlandse maatschappijen onder leiding van Esso, op gang te krijgen. De Bank stelde als voorwaarde dat de regering de olie-inkomsten transparant moest beheren en aan ontwikkeling zou besteden. Een gezamenlijk contract tussen de Wereldbank, de regering en de betrokken oliemaatschappijen moest een garantie zijn voor goed beheer, en voor eindelijk eens een olie-succesverhaal.

De Tsjadische president Déby kocht vanaf de eerste dollars die in 2004 binnenkwamen echter hoofdzakelijk wapens, om zijn aanhang in staat stellen ongestraft en op alle niveaus te stelen. Een wet over het transparante beheer van fondsen annuleerde hij, een college van toezicht maakte hij vleugellam. Door geldgebrek en door toenemende corruptie en chaos is de kwaliteit van het onderwijs en de gezondheidszorg alleen maar afgenomen. Op de Human Development Index is Tsjaad sinds de oliewinning gezakt naar de 170ste plaats. Voor het Europees Ontwikkelingsfonds EOF (met 41 miljard frank CFA ofwel ruim 62 miljoen euro in 2008 de grootste donor in Tsjaad) tot nu toe reden om het budget verder te laten groeien, en te proberen om druk te blijven uitoefenen op de regering. Voor de Wereldbank reden om zich terug te trekken.   

Belangen
In augustus 2008 liet de Wereldbank de Tsjadische regering weten dat het zo niet langer kon, anders zou ze zich definitief niet meer met het olieproject bemoeien. De Bank had daarmee al eerder gedreigd, en haar kantoor in de Tsjadische hoofdstad Ndjamena zelfs een paar weken gesloten, maar nu was het menens. Dat is sneu, zei Déby. Hij betaalde het nog uitstaande bedrag aan de Wereldbank terug, en daarmee was de relatie over.

Schiet de bevolking van Tsjaad ermee op? 'Helemaal niets,' vreest Gilbert Maoundonodji, directeur van onderzoeksgroep die het olieproject op de voet volgt. 'Het ging de Bank in de eerste plaats om haar eigen geloofwaardigheid. Maar ze heeft geen enkel middel meer om druk uit te oefenen op de regering. Déby heeft nu vrij spel.'

Gilles Desesquelles, delegatieleider van het EOF in Tsjaad, betwijfelt zelfs of de Wereldbank ooit echt van plan is geweest om de financiën rondom de oliewinning te controleren, 'aangezien de belangen van de oliemaatschappijen daarbij in het geding komen'. Maar hij betreurt het dat het besluit van Wereldbank de coördinatie tussen donoren schaadt, onder meer van een groot project voor de modernisering van de overheidsfinanciën. 'Je kunt je afvragen of de Europese Commissie dan in zijn eentje met zulke moeilijke projecten door wil gaan.'   

Oppositie
Voor de inwoners van Ndjamena zijn dat cruciale vragen. Ze lijken meer te verwachten van de Wereldbank en het EOF naarmate het vertrouwen in hun eigen politici verdampt. En daarvan is weinig meer over.

'Mensen zijn doodmoe van politiek', volgens de hoofdredacteur van een kritische krant. Geen van de ongeveer zeventig politieke partijen heeft een programma dat beschikbaar is voor kiezers. Politici zoeken posities die het ze mogelijk maakt om hun achterban wat toe te schuiven. Leiders van oppositiepartijen en rebellengroepen laten zich daarom vroeg of laat door ministerschappen of andere hoge posten paaien. Andersom grijpen ex-ministers die toch de oppositie verkiezen, vaak naar de wapens. Het zijn ex-ministers en oud-adviseurs van Déby die de rebellie leiden. De laatste jaren is er bijna elk droog seizoen, als de modder is opgedroogd en de Toyota's weer kunnen rijden, een poging tot staatsgreep geweest. Het wachten is op de volgende deze winter.

De laatste aanval van rebellen op Ndjamena, in februari 2008, werd gevolgd door gruwelijk veel geweld van het leger tegen de inwoners van de stad. Ook het dagelijks leven wordt in het hele land verziekt door onveiligheid, corruptie en geweld. Van 'gewone', ongewapende oppositie is nauwelijks sprake. Saleh Kebzabo is leider van een politieke partij met aanhangers uit het zuiden. 'We kennen geen cultuur van oppositie,' zegt hij. 'De oppositie is wispelturig en verdeeld. Een volksopstand tegen corruptie en overheidsgeweld is ook niet te verwachten, daarvoor is het land te zeer verdeeld.'

Tsjaad is verdeeld in een islamitisch 'noorden' en een christelijk 'zuiden', en de tegenstelling is de laatste jaren door de grote sociale onzekerheid gegroeid. 'Die verdeeldheid verlamt ons,' zegt Kebzabo. 'Een noorderling die eigenlijk tegen Déby is, geeft hem uiteindelijk toch de voorkeur boven een zuiderling als president.'   

Garantie
Om de impasse van geweld en politieke machteloosheid te doorbreken, doet een paar dozijn maatschappelijke organisaties, verenigd in het Comité Oproep tot Vrede, een groot beroep op het Europees Ontwikkelingsfonds in Tsjaad. 'De enige manier om hier ooit nog uit te komen,' zegt de voorzitter van het Comité, mensenrechtenjuriste Delphine Kemneloun, 'is door een dialoog tussen politieke partijen, de burgermaatschappij en de rebellen, onder auspiciën van het EOF.

'Een volksopstand is niet te verwachten, daarvoor is het land te zeer verdeeld'    

De Europese Commissie moet de rebellen de garantie bieden dat een politiek proces rekening met ze zal houden. Dan zullen ze bereid zijn tot ontwapening. De beveiliging van de grens met Soedan door internationale troepen moet voorkomen dat de rebellen opnieuw bewapend worden. Het welslagen van ons voorstel hangt in hoge mate af van supervisie door de internationale gemeenschap.' Heel realistisch is het helaas niet. De Europese Commissie is binnen de internationale gemeenschap de 'partner' die zich het meeste inzet voor verandering in Tsjaad. Zij faciliteert onder meer besprekingen tussen Déby en de politieke partijen. Maar aan de belangrijkste wens van Kemneloun, een garantie dat de rebellen meedoen in vredesbesprekingen, wordt in elk geval niet voldaan. Delegatiechef Gilles Desesquelles is pertinent tegen. 'Wie zegt dat de rebellen twee maanden na een verdrag niet opnieuw de wapens grijpen? Dat doen ze steeds.'

De EOF bemoeit zich wel intensief met de voorbereidingen van verkiezingen in 2009. 'En ik heb het gevoel dat er vooruitgang is,' zegt Desesquelles, die eerder voor de EU besprekingen leidde in de Comoren en in Togo, die daar een vastgelopen politieke situatie lostrokken. 'Maar of het nu Déby is of een ander, Tsjaad lijdt aan chronische instabiliteit: geen vrijheid, geen mensenrechten, geen rechtsstaat, en een groot geloof in wapens.'   

Kiezen
Wat kan de Europese Commissie in zo'n moeilijke situatie dan doen? 'Druk uitoefenen', zegt Desesquelles. 'Een nieuwe methode is bijvoorbeeld co-financiering. We laten de regering meebetalen in alle programma's van het EOF, om haar te dwingen om zelf geld uit te geven aan grote projecten.' Maar belangrijker is de betrokkenheid bij het politieke proces achter de schermen. 'Voor stabiliteit in Tsjaad zijn drie dingen nodig: ten eerste goed bestuur en een functionerende democratie, zodat er geen aanleiding is voor rebellen om staatsgrepen te plegen. Hoewel, warlords zullen er altijd zijn. Ten tweede veiligheid aan de grens met Darfur, en daartoe dienen de missies van de VN en Eufor. Ten derde: vrede in Darfur.' Desesquelles praat persoonlijk met grote regelmaat in op president Déby. 'Hij moet nu kiezen voor direct overleg met alleen Soedan of met Soedan, China de VS en de EU samen.'

Maar niet iedereen binnen de Europese Commissie vindt dat zij die rol moet spelen en samenspraak tussen overheid en andere partijen moet regisseren. Koos Richelle, directeur-generaal Ontwikkelingssamenwerking van de Europese Commissie, suggereerde in maart dat de EU zou moeten stoppen met hulpverlening aan landen als Tsjaad: 'Hoe leg je de Europese burger uit dat wij de armoede bestrijden in [...] landen die zelf weigeren een goed belastingsysteem in te stellen?' (Vice Versa 2008, 3). Geen zinvolle vraag, vindt Desesquelles. 'Om politieke redenen zal Europese hulp nergens snel gestopt worden. Ook Louis Michel, die hier dit voorjaar was, vindt blijvende betrokkenheid van de EU belangrijk.'   

Sarkozy
Hoe gaat het nu verder met Tsjaad? 'Het was beter geweest,' geeft Desesquelles toe, 'als Frankrijk meer druk op Tsjaad uitoefende en zijn nog altijd grote invloed gebruikte om goed bestuur af te dwingen.' Tot nu toe deed de oude koloniale overheerser het omgekeerde. Déby heeft sinds zijn eigen staatsgreep in 1990 altijd Franse steun ontvangen. Frankrijk heeft nog steeds een militaire basis in Tsjaad, die Déby officieel van informatie voorziet en off-the-record tot nu toe ook meevocht tegen rebellen. Daar moet een einde aan komen, vindt vrijwel elke Tsjadiër die je spreekt. Jean Alingué, tot voor kort oppositieleider en nu minister van Justitie, ziet het er niet van komen: 'Frankrijk heeft Tsjaad nodig als buffer tegen de invloed van Libië en andere Arabische landen en ex-koloniën als Congo, Gabon en de Centraal-Afrikaanse Republiek. Déby is altijd bereid geweest Frankrijk daarbij te helpen. Andere presidentskandidaten, zoals ikzelf, niet.'

Misschien heeft hij gelijk. Maar sinds het aantreden van president Sarkozy verandert het Franse beleid. Sarkozy werkt aan de vermindering van Franse militaire aanwezigheid in heel Afrika en hecht helemaal niet aan de Tsjadische bufferfunctie. Zijn relatie met het Libische staatshoofd Kadafi is uitstekend. In februari steunde hij Déby pas nádat hij van de rebellen had begrepen dat die niet één leider hadden, maar meerdere. Misschien was het voor het laatst. En dan? Desesquelles: 'Déby is een strijder. Hij heeft vaak gezegd dat men hem zal moeten doden om de macht uit handen te nemen, en daar zou het weleens op uit kunnen lopen.'  

Reacties