Het ontwikkelingsbeleid van minister Ploumen in de praktijk: strategische partnerschappen.

11-06-2014 Bron: OneWorld
BELEID – 

Minister Ploumen van Buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking presenteerde onlangs het nieuwe beleidskader voor strategische partnerschappen. Ontwikkelingsorganisaties en bedrijven kunnen afzonderlijk of samen een aanvraag doen om met de overheid een partnerschap te vormen. Wat betekent dit alles concreet?

Zuidelijke partners doen mee

Behalve de gebruikelijke Nederlandse organisaties, kunnen ook kleine niche-organisaties meedingen in het vormen van een partnerschap met de overheid. Ook Zuidelijke partners komen in aanmerking. Ze mogen en moeten aan dezelfde voorwaarden voldoen als hun westerse evenknieën. Zo kunnen ook zij penvoerder zijn van een alliantie.

In de plannen van de minister zijn dus niet alleen individuele aanvragen, maar ook aanvragen van allianties mogelijk. Anders dan in het vorige subsidiekader (MFS II) is dat nu echter geen harde eis meer. Maar wat is dan wel belangrijk?

Bepleiten en beïnvloeden

 De minister wil vooral inzetten op bepleiten en beïnvloeden. Om in aanmerking te komen voor financiering van een partnerschap moet door organisaties of door allianties van organisaties een track record en een theory of change aangeleverd worden op dit gebied. Het track record houdt in dat een organisatie minstens drie jaar ervaring hebben met bepleiten en beïnvloeden én drie tot vijf succesvolle casussen kunnen voorleggen.  In die 'theory of change' moet bovendien een goede analyse zitten. Als de aanvraag is goedgekeurd en het strategisch partnerschap heeft vorm gekregen, volgt een uitgewerkt plan. Dat plan moet aansluiten bij de nota: “Wat de wereld verdient.” Maar ook aanvragen die gaan over  internationale public goods en maatschappelijk ondernemen worden door de minister grondig bekeken, aangezien deze thema's steeds belangrijker worden binnen het mondiale discours over ontwikkelingssamenwerking. Het huidige subsidiekader kent een eis van 25 % eigen inkomsten van organisaties. Die eis blijft staan, dus organisaties moeten nog steeds voor 25 % eigen middelen inbrengen. Elke organisatie kan bovendien aan maximaal twee allianties deelnemen.

Samenwerken én bekritiseren

Maatschappelijke organisaties vormen van oudsher de klassieke tegenkracht vormen van de overheid. Is samenwerken dan wel mogelijk? De minister denkt van wel. Ze wil tegenspraak, dus partners mogen het ook met elkaar oneens zijn, beleid bekritiseren of allebei een andere rol spelen met een gemeenschappelijk doel. Maar vindt ze, hoewel er ruimte is voor een andere visie, de lange termijn visie moet overeenkomen. Dus uiteindelijk moeten alle partijen hetzelfde doel nastreven. De minister wil bovendien af van teveel regelzucht en verantwoording, waar in de vorige financieringsstelsels (MFS I en II), hevig over geklaagd werd. Ze gaat uit van vertrouwen aan de organisaties en andersom, geeft ze aan. Ze heeft daarom het aanvraagsysteem versimpeld en ook de eisen die gesteld worden aan verantwoording zijn minder complex geworden.

Het geld dat beschikbaar is, blijft beschikbaar

Gezien de snelle wisselingen van kabinetten in de laatste jaren, blijft de financiering van het partnerschap juridisch bindend: mocht de Nederlandse politieke realiteit de komende jaren sterk veranderen dan kan het partnerschap gewoon doorgaan.

Minister Ploumen heeft ruimte voor 25 partnerschappen en ze heeft 185 miljoen euro ter beschikking. Het wordt interessant welke 25 partnerschappen zich gaan vormen en met welke visies ze aan het werk zullen gaan.

Reacties