Het failliet van de conditionaliteit

01-01-2005
Door: Tekst: Johan van de Gronden


In 2001 opende Jan Pronk het debat met het artikel 'Aid as a Catalyst', dat verscheen in Development and Change, het wetenschappelijke tijdschrift van het Institute of Social Studies (ISS) in Den Haag. In hetzelfde blad verschenen vervolgens een tiental reacties uit de academische wereld. Het oorspronkelijke artikel, de reacties en een samenvattende conclusie zijn nu apart gebundeld in een boekje: 'Catalysing Development? A Debate on Aid'.

In 'Aid as a Catalyst' stelt Pronk dat hulp vooral katalyserend zou moeten werken. Hulp is niet de motor van economische groei of het geheim achter de vermindering van armoede, maar kan reeds bestaande ontwikkelingen stimuleren of sluimerende vooruitgang aanwakkeren. Hulp verandert de machtsbalans. Zogenaamd 'goed bestuur' als voorwaarde stellen voor internationale hulp, zoals nu in brede kringen in zwang is, is volgens Pronk uit den boze. Goede hulp zou juist moeten bijdragen aan de verbetering van het openbaar bestuur. Het marchanderen over voorwaarden heeft weinig nut. Veranderingen die niet zijn verankerd in de samenleving maar zijn afgedwongen door externe donoren, houden zelden stand.

De architect van het Nederlandse OS-bestel is milder geworden. Bescheidener ook. Deed Pronk als minister nog velen geloven in de maakbaarheid van de samenleving, als hoogleraar is hij daar minder stellig over. Pronk, zo blijkt glashelder, moet niets hebben van een voorwaardenstellend beleid naar het model van de Wereldbank, zoals zijn opvolgster Eveline Herfkens dat introduceerde.

Jan Pronk

  • 1973 tot 1977 en 1989 tot 1998: minister voor Ontwikkelingssamenwerking
  • 1998 tot 2002: minister van VROM.
  • Sinds januari 2003: hoogleraar theorie en praktijk van internationale samenwerking aan het Institute of Social Studies
  • Sinds juli 2004: speciaal VN-gezant voor de Darfur-regio in Sudan

Pronks ISS-collega Wil Hout deed systematisch onderzoek naar de toepassing van Nederlandse landenselectiecriteria. Aangemoedigd door de Tweede Kamer zijn opeenvolgende OS-bewindslieden met een rood potlood door het landenlijstje van hun voorganger gegaan, met een telkens wisselende set aan criteria. Hout toont overtuigend aan dat het daarbij ten enen male aan transparantie heeft ontbroken.

Houts bevindingen werpen vragen op ten aanzien van de kwaliteit van bestuur en beleid aan donorzijde. Als conditionaliteit halfhartig wordt toegepast en criteria onder ieder nieuw kabinet lijken te wijzigen, dan trekt dat de geloofwaardigheid van de donor ernstig in twijfel.

Donorperspectief

Dat is precies de kritiek die Ajit Singh (Cambridge University) en Rehman Sobhan, directeur van het South Asia Center for Policy Studies, op Pronk uitoefenen. Zij roemen hem om zijn lange staat van dienst en zijn voorkeur voor 'Realpolitik', maar verwijten de ex-minister vooral te redeneren vanuit donorperspectief, zelfs wanneer hij zich verzet tegen harde vormen van conditionaliteit.

Singh hanteert een verrassend argument. Ontwikkelingslanden zouden tussen 1950 en 1980 over de hele breedte een behoorlijke economische groei hebben laten zien. Een periode die in schril contrast staat met de eerste vijftig jaar van de twintigste eeuw, waarin onder koloniaal regime een slechts zeer beperkte welvaartsgroei werd gerealiseerd. Ook de twee laatste decennia van de vorige eeuw laat vooral Sub-Sahara Afrika weer lage groeicijfers en groeiende armoede zien. Geen wonder, aldus Singh. De periode van de Koude Oorlog liet veel ontwikkelingslanden een keuze tussen verschillende vormen van economisch verkeer en bestuur. Er heerste heterodoxie. Het einde van de Koude Oorlog en het ontstaan van de Washington Consensus (gericht op macro-economische stabiliteit, marktliberalisering, fiscale prudentie en exportgeleide groei) maakten daar een einde aan. Vele hulp- en handelsafhankelijke ontwikkelingslanden hadden nog minder vrije beleidsruimte dan onder het koloniaal bestuur. Met alle negatieve gevolgen van dien.

Rehman Sobhan doet daar nog een schepje bovenop. Niet alleen heeft het eenzijdig afdwingen van een bepaalde vorm van economisch beleid averechts gewerkt, het ondermijnt ook de autonomie van de ontwikkelingslanden en verleidt regeringen ertoe meer aandacht te besteden aan de verantwoording aan donoren dan aan de eigen burgers. Sobhan verklaart het bevorderen van 'policy ownership' (ook een veel beleden Nederlands credo) tot een contradictio in terminis.

Klinkende resultaten

Pronk verwijst het historische argument van Singh naar de prullenbak en noemt Sobhan in zijn samenvattende slotartikel een purist. Wellicht. Feit blijft dat de internationale hulparchitectuur in een crisis verkeert. Nationale belastingbetalers in rijke landen eisen betere en directere resultaten van de hulpinspanningen, inclusief duidelijke criteria wie waarom voor welke hulp in aanmerking komt. Maar de ervaring leert dat ontwikkeling nauwelijks van buitenaf valt te stimuleren, terwijl zogenaamd 'goed beleid' zich niet laat kopen met hulpdollars. Ook Pronk lijkt zijn ideeën over maakbaarheid en afdwingbaarheid na een lange en indrukwekkende carrière neerwaarts te hebben bijgesteld. Maar of zijn bescheidener benadering de storm van kritiek op de 'theorie en praktijk van ontwikkelingssamenwerking' weet te keren, is de vraag. In een jaar waarin de ene oproep na de andere zal volgen om de extreme armoede met een verdubbeling van de internationale hulpbudgetten in tien jaar tijd te halveren, zijn klinkende resultaten nodig. Zonder een sluitend verhaal met een plausibel rendement van onze gerichte inspanningen behoort straks niet de wereldarmoede tot het verleden, maar wel de hulpindustrie. Gesloten wegens klinkend gebrek aan resultaat.



Reacties