Heldere discussie of jargon?

01-09-2006 Bron: oneworld
erfenis – 

Neem bijvoorbeeld de historicus Arend Jan Boekestijn. Goede spreker, bevlogen intellectueel, heldere pen en een duidelijke mening over ontwikkelingssamenwerking. Boekestijn begon een opiniestuk in NRC Handelsblad als volgt: 'Lord Bauer zat er dertig jaar geleden niet ver naast toen hij stelde dat ontwikkelingshulp een uitstekende methode is om geld van arme mensen in de rijke wereld over te hevelen naar rijke mensen in arme landen.' En hij eindigt met: 'Wat Afrika nodig heeft, is een herwaardering van de koloniale erfenis. Niet alles wat het Westen heeft gedaan was slecht. Onafhankelijke rechtspraak, bescherming van eigendomsrechten, een onafhankelijke centrale bank en niet-corrupte ambtenaren doen wonderen. Ontwikkelingshulp zit die herwaardering helaas in de weg.'

Dan de anonieme auteur van 'Resultaten in Ontwikkeling'. Dat is een vorig jaar verschenen uitgave van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, bedoeld voor leden van de Tweede Kamer én 'de Nederlandse belastingbetaler'. In dit rapport wordt met een karrenvracht aan cijfers betoogd dat ontwikkelingshulp wel degelijk helpt en bovendien ten goede komt aan hen die deze bijstand het hardst nodig hebben.

Het is een stuk dat volgens de minister 'een nieuwe impuls wil geven aan het ontwikkelingsdebat in Nederland'. De schrijver van het rapport begint zo: 'De Resultatenrapportage gaat over de bilaterale samenwerking met 36 partnerlanden. Daarbij wordt per partnerland ingegaan op één of meer van de prioritaire sectoren zoals deze op basis van de beleidsnotitie "Aan Elkaar Verplicht" (AEV) zijn bepaald.' Tja... Goede spreker? Geen idee. Bevlogen intellectueel? Wie zal het zeggen. Heldere geest? Wellicht. Duidelijke mening? Misschien. Goede pen? Nee.

Publiek debat

Verplaatsen we ons nu in de rol van Andries Knevel, Fons de Poel of de opinieredacteuren van Volkskrant, Trouw of NRC. Laten we aannemen dat zij mét het Ministerie van Buitenlandse Zaken 'een nieuwe impuls willen geven aan het ontwikkelingsdebat'. Wie nodigen zij dan uit voor een goed gesprek in de studio over de rol van hulpverleners in Darfur? Wie vragen zij om een fris commentaar over de effectiviteit van de Millenniumdoelen? Is dat Boekestijn of een deskundige van het ministerie?

Nu zijn Arend Jan Boekestijn en de anonieme auteur van het ministeriële rapport min of meer toevallig gekozen. Hun namen kunnen worden aangevuld met andere. Althans aan de kant van Boekestijn. Denk aan Hans Labohm, Syp Wynia, Theo Ruyter, Hans Achterhuis, Piet Emmer of Frits Bolkestein. Bij hun tegenspelers ligt dat lastiger. Dat zijn de naamlozen: ambtenaren op het ministerie en diplomaten op verre ambassades. Maar ook ontwikkelingswerkers te velde en academici bij het ISS in Den Haag, het Afrika-Studiecentrum in Leiden en het Cidin in Nijmegen. Alle vermijden zij het publieke debat als de duivel het wijwater.

Feitelijk kent Nederland maar twéé intellectuelen die de ontwikkelingssamenwerking publiekelijk in bescherming nemen. Twee mannen die over dezelfde kwaliteiten beschikken als hun tegenstanders en zich daarbij ook nog eens gesteund weten door een imposante hoeveelheid kennis. Het zijn de Nijmeegse wetenschapper Paul Hoebink en oud-minister Jan Pronk. Verder koesteren de voorstanders de stilte en gunnen ze de krantenpagina's, radiocolumns en televisiecommentaren aan hun tegenstanders. Zelfs in tijdschriften als Internationale Samenwerking en Onze Wereld worden vooral deze critici gehoord. Ook hier bepalen zij het debat. Ondertussen verdedigt Minister Van Ardenne maar zélf het belang van Ontwikkelingssamenwerking en pompt het door haar Ministerie gefinancierde 'Nationaal Comité Duurzame Ontwikkeling' 25 miljoen euro per jaar rond om er draagvlak voor te verwerven. Geld dat beter aan onderwijs in Afghanistan of irrigatie in Zambia kan worden besteed. Maar dan moeten de vele honderden betrokkenen, die het met Boekestijn, Hirsi Ali of Labohm oneens zijn, wel overeind komen, in de pen klimmen en publiekelijk de uitdaging aangaan.

Professionele verhulling

De wereld van de ontwikkelingssamenwerking is de afgelopen vijftig jaar geprofessionaliseerd. Dat betekent enerzijds dat er veel systematischer, transparanter en doelgerichter wordt gewerkt. Maar het betekent ook dat de professionals nog maar amper bereid zijn om hun vooronderstellingen ter discussie te stellen. En dat ze een vakjargon hebben ontwikkeld dat volstrekt voorbijgaat aan het voorstellingsvermogen van de geïnteresseerde buitenstaander.

Hetzelfde ministeriele stuk 'Resultaten in ontwikkeling', dat in de eerste alinea al aftrapt met 'resultatenrapportage', 'bilaterale samenwerking', 'partnerlanden' en 'prioritaire sectoren', staat verder vol met termen als 'niet-gouvernementele beleidsdialoog', 'capaciteitsopbouw', 'sectorale begrotingssteun', aangevuld met mysterieuze afkortingen als PRSP, WSSD, MDG-Targets, de Dots-methode, SRGR of MTEF. En dan is dít document expliciet níet geschreven voor ontwikkelingsdeskundigen, maar voor volksvertegenwoorders en modale belastingbetalers. Wie van hen weet echter wat sectorsteun is? Of absorptiecapaciteit? Wie heeft ooit van PRSP's gehoord? En wie kan uitleggen waar multilaterale hulp heen gaat? En toch is het dát waar het bij ontwikkelingssamenwerking blijkbaar om draait. Terwijl het gros van de Nederlanders ontwikkelingssamenwerking nog associeert met het slaan van waterputten en bouwen van ziekenhuizen, is de wereld van de hulp druk doende met debatten over coherentie en partnerschappen, programmahulp en 'pro-poor growth'.

Ten onrechte beperkt de discussie over ontwikkelingssamenwerking zich zo tot de vergadertafels van een select groepje ingewijden. De discussie is er wel, in vakbladen, op universiteiten, tijdens congressen en op symposia. Maar het grote publiek, de belastingbetaler, doet er niet meer aan mee.
Bovendien verhult de termenbrij nogal eens waar het werkelijk over gaat. Wat dacht u van een 'community-based development project, gericht op capacity building en empowerment, met een participatory approach waarin ownership voorop staat'? Er zijn maar weinig journalisten die de moed hebben om achter zo'n plaatstalen formule de werkelijkheid op te zoeken. En als een televisiemaker dat wél doet en vervolgens niet méér vindt dan een groepje vrouwen dat eens per maand bijeenkomt om over hun spaaractiviteiten te praten, zal hij deze afknapper niet onder stoelen of banken steken.

Daarna is het afwachten op het volgende commentaar van Arend Jan Boekestijn, Hans Labohm, Syp Wynia, Theo Ruyter, Hans Achterhuis, Piet Emmer of Frits Bolkestein. En of ze gelijk hebben of niet, bij hun lezers krijgen ze het in elk geval wel. Hun opponenten laten immers niets van zich horen. En wie zwijgt, die stemt nog altijd toe.



 

 

Mirjam Vossen

Mirjam Vossen is journalist en onderzoeker. Momenteel doet zij onderzoek naar...

Lees meer van deze auteur >
Ralf Bodelier

Ralf Bodelier is freelance journalist, debatleider, schrijver en onderzoeker....

Lees meer van deze auteur >

Reacties