Groene stroom: is de schakelaar overgehaald?

11-06-2004
Door: OneWorld Redactie
Bron: IPS/OneWorld

De olieprijsstijgingen van de laatste weken kwamen als geroepen voor de organisatoren van 'Renewables 2004'. Groene stroom is sympathiek, maar voorlopig kunnen windturbines en zonnepanelen in de meeste gevallen niet concurreren met de traditionele centrales waar het leeuwendeel van onze elektriciteit wordt opgewekt - niet zolang de kosten van de vervuiling die de conventionele brandstoffen veroorzaken niet in rekening worden gebracht. Traditionele elektriciteitscentrales dragen massaal bij tot het broeikaseffect, maar zelfs dat bezwaar valt in het niet bij de meerprijs van stroom uit schone energiebronnen - de grote hinderpaal om massaal over te schakelen op die alternatieven.

Moderne technieken om hernieuwbare energiebronnen aan te spreken - windturbines, zonnepanelen, installaties om biomassa om te zetten in stroom of gas - doen het eigenlijk alleen goed in landen waar de overheid of andere financiers een stimulerend beleid voeren. De conferentie in Bonn wilde de deelnemende landen daarin aanmoedigen.

bonnVolgens de gastheer van Renewables 2004, de Duitse Milieuminister Jürgen Trittin was de bijeenkomst 'een compleet succes'. Trittin vindt dat de deelnemers de weg hebben vrijgemaakt naar 'een wereldwijde transformatie van de energiestructuren en een massale toename van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen.' Volgens hem zullen die ontwikkelingen de armoede in de wereld verlichten en het klimaat beschermen. Op die laatste voorspelling kon hij zelfs een cijfer plakken: als alle deelnemers aan de conferentie hun beloften waarmaken, wordt tegen 2015 de uitstoot van 1,2 miljard ton koolstofdioxide vermeden - op een totale uitstoot die dan ongeveer 30 miljoen ton zal bedragen. 'Het tijdperk van de hernieuwbare energie is begonnen,' aldus Trittin.

Naast een algemeen slotdocument - de Verklaring van Bonn - stelden de deelnemers aan de conferentie ook een actieprogramma op. Daarin kon een hele reeks goed klinkende toezeggingen worden opgenomen. Een greep daaruit:

- Duitsland zal vanaf 2005 vijf jaar na elkaar een half miljard euro investeren in projecten rond hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie in arme landen. Dat is 1,5 miljard euro meer dan wat het land in 2002 op de VN-Conferentie over Duurzame Ontwikkeling in Johannesburg had toegezegd. 

- China zal tegen 2010 tien procent van zijn elektriciteit uit schone energiebronnen halen. Daarvoor wordt vooral gerekend op waterkrachtcentrales, maar China wil ook meer biomassa, windkracht en zonne-energie gebruiken om de doelstelling waar te maken. De regering hoopt samen met andere partners 50 miljard dollar bijeen te brengen om de plannen te realiseren.

- De Filipijnen willen tegen 2013 wereldleider worden in het gebruik van geothermische energie, de energie en warmte die aanwezig is in de aardkorst. Het land wil ook de grootste producent van windenergie in Zuidoost-Azië worden en een belangrijke speler in de handel in zonnecellen in diezelfde regio.

-  Via het Global Environment Facility (GEF), een financieringsmechanisme dat projecten rond duurzame ontwikkeling helpt financieren, zal per jaar 100 miljoen dollar beschikbaar komen voor initiatieven rond hernieuwbare energie in arme landen.

- De Wereldbank wil de komende vijf jaar per jaar 20 procent meer geld pompen in hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie; tegen 2010 zou de Bank dan 400 miljoen dollar beschikbaar stellen, het dubbele van wat nu uitgetrokken wordt.

Geen trendbreuk

De milieuorganisaties zijn niet erg tevreden met de resultaten van de conferentie. Volgens Greenpeace en Friends of the Earth International betekent de bijeenkomst maar een kleine stap vooruit, en zeker geen trendbreuk. 'De politiek reageert nog altijd te langzaam op de dreigende klimaatverandering,' oordeelt Sven Teske, een Duitse energie-expert van Greenpeace.  'Vergelijk het met mensen die hun huis dat in brand staat met een theelepeltje proberen te blussen.' Volgens Teske is de slotverklaring zwak uitgevallen omdat conferentieleider Duitsland absoluut tot een consensus wilde komen met de VS en de oliestaten.

Greenpeace is wel tevreden over de concrete plannen en projecten die een aantal landen op de conferentie bekend maakte. Maar de Europese Unie heeft de milieuorganisaties zwaar teleurgesteld. De lidstaten van de Unie hadden zich eerder tot doel gesteld tegen 2010 10 procent van hun energie uit hernieuwbare bronnen te halen. De Europese Commissie stelde vorige maand vast dat die doelstelling niet zal worden gehaald, en weigerde daarom een nog ambitieuzere doelstelling voor 2020 vast te leggen. De milieubeweging had gehoopt dat de EU zich ertoe zou verplichten tegen die tijd 20 procent van alle energie duurzaam op te wekken. Dat zou investeerders op lange termijn zekerheid hebben geboden.

Friends of the Earth international stelt dat de Verklaring van Bonn belangrijke vragen onbeantwoord laat. Op welke manier kan er voor worden gezorgd dat alle kosten van energiebronnen doorberekend worden - dat in de prijs van kernenergie bijvoorbeeld meteen ook de kosten voor de behandeling van kernafval worden opgenomen?

zonnepanelenDe belangrijkste vraag heeft betrekking op de Noord-Zuidkloof: hoe kan verzekerd worden dat de arme bevolking in de ontwikkelingslanden tijdig toegang krijgt tot energie uit schone bronnen en al die landen de nodige capaciteit kunnen opbouwen om op termijn zelf duurzame oplossingen voor hun energieproblemen uit te werken? Ongeveer twee miljard mensen in de arme landen hebben nog helemaal geen stroom in huis, maar de huidige ontwikkelingen op het vlak van alternatieve energiebronnen zijn maar voor een klein deel op hun noden gericht.

Friends of the Earth hekelt ook dat grote ontwikkelingsfinanciers als de Wereldbank veel meer blijven investeren in projecten rond fossiele brandstoffen dan in de milieuvriendelijke alternatieven.

Vuile energie blijft populair  

De toezeggingen die in Bonn werden gedaan, klinken heel wat minder indrukwekkend als ze worden vergeleken met de bedragen die naar traditionele energieprojecten gaan. Friends of The Earth rekent voor dat de VS sinds 2001 voor 9,1 miljard dollar exportkredieten ter beschikking stelden voor buitenlandse projecten van Amerikaanse bedrijven in de olie-, aardgas- en steenkoolsector, terwijl er voor projecten rond groene energiebronnen maar vijf miljoen dollar werd uitgetrokken.

Volgens Aidan Cronin, marktanalist van het Deense bedrijf Vestas Wind Systems, gaat in de Europese Unie 90 procent van de subsidies voor onderzoek, ontwikkeling en promotie naar conventionele energie en slechts 10 procent naar duurzame energie.

Positievere cijfers komen van het WorldWatch Institute. Dat berekende dat in 2003 20,3 miljard dollar in moderne vormen van schone energie werd geïnvesteerd - ongeveer eenzesde van het totale bedrag dat vorig jaar naar projecten ging om meer stroom op te wekken.

Maar de Wereldbank heeft volgens Friends of The Earth dan weer van 1994 tot 2003 bijna 25 miljard dollar geïnvesteerd in fossiele projecten, en maar iets meer dan 1 miljard dollar in duurzame energie. De belofte van de Wereldbank om dat laatste bedrag vanaf nu elk jaar met 20 procent op te trekken, blijft ver achter bij een aanbeveling van een studie waartoe de bank zelf opdracht had gegeven. Volgens de Extractive Industries Review zou de Wereldbank er verstandig aan doen elk jaar een bijkomende 20 procent van haar totale budget voor energieprojecten in schone energie te steken.

Zelfs bij de magere inspanningen die de Wereldbank opbrengt voor hernieuwbare energie, kunnen nog vragen worden gesteld. Het International Rivers Network wijst er op dat de Wereldbank ook de steun voor de bouw van grote dammen en de bijhorende waterkrachtcentrales onderbrengt in haar budget voor hernieuwbare energiebronnen. Critici vinden dat de bouw van dergelijke dammen niet mag worden aangemoedigd omwille van de grote ecologische en sociale kosten die ermee samengaan.

Bedrijven ruiken winst

Schone energie is geen vuil woord meer voor bedrijven. Het opwekken van energie uit wind, biomassa en zonne-energie is relatief duur, maar dat weerhoudt ondernemingen er niet van te investeren in alternatieven. Ze maakten de voorbije decennia dankbaar gebruik van de overheidssteun waarmee een aantal Europese landen de sector snel hielp groeien. Die steun neemt nu af - volgens het Internationaal Energie Agentschap (IEA) zijn de overheidsuitgaven voor duurzame energie in westerse landen tussen 1980 en 2001 met bijna tweederde gedaald. Die daling wordt wel gedeeltelijk gecompenseerd door de Wereldbank en andere multilaterale instellingen, die meer beginnen te investeren. Ook de groeiende markt voor alternatieve energie levert steeds meer inkomsten op die kunnen worden geïnvesteerd in verdere expansie.

Vooral in Europa zijn veel nieuwe, kleine bedrijven ontstaan die windturbines of zonnepanelen produceren. Marktleider Duitsland telt 43 bedrijven die zonnepanelen maken. Maar de multinationals zijn niet van plan zich de kaas van het brood te laten eten. Shell investeert onder meer in de ontwikkeling van biobrandstoffen - onder meer om snel te kunnen inspelen op een verdere stijging van de olieprijzen of op nieuwe verplichtingen om de uitstoot van koolstofdioxide terug te dringen. Het Japanse Sharp produceert meer dan een kwart van alle zonnecellen die wereldwijd worden gemaakt. En General Electric in de VS is in twee jaar tijd een van de belangrijkste spelers in de internationale windenergiesector geworden.

Overheidssteun en een voorwaardenscheppend beleid lijken voorlopig onontbeerlijk om de kleine bedrijven uit de sector draaiend te houden. Volgens het Internationaal Energieagentschap (IEA) is dat geld goed besteed - bedrijven die dankzij de subsidies een deel van de markt konden veroveren en snel uitbreidden, slagen er in steeds goedkoper stroom te produceren. Stroom uit zonne-energie is in 10 jaar 60 procent goedkoper geworden.

Toch stoot de alternatieve energie in sommige landen op grenzen. Duitsland, wereldleider op het vlak van zonne- en windenergie, zet tegenwoordig vooral in op het buitenland. In eigen land klagen verbruikers van groen stroom over de hoge rekeningen. De overheid richtte in 2002 een Duits Energieagentschap (Dena) op, dat Duitse bedrijven uit de sector moet ondersteunen bij het bewerken van buitenlandse markten. Ook de ontwikkelingshulp die Duitsland uittrekt voor projecten rond alternatieve energiebronnen, helpt voor een groot deel Duitse bedrijven aan opdrachten.

Groene onderstroom

Duurzame energiebronnen moeten nog veel terrein veroveren voordat ze fossiele brandstoffen en kernenergie echt kunnen verdringen. Volgens het IEA werd in haar lidstaten - de 15 oude EU-leden, Noorwegen, Hongarije, Tsjechië, Zwitserland, Japan, de VS, Australië, Nieuw-Zeeland, Australië, Turkije en Zuid-Korea in 2001 5,5 procent van de totale primaire energie uit hernieuwbare energiebronnen gehaald, bijna een procentpunt meer dan in 1970. De groei was echter het sterkst in de jaren 70 en 80. Waterkracht, traditionele energie uit biomassa (zoals het verbranden van hout) en geothermische energie boetten in de jaren 90 aan groeikracht in. Twee van de nieuwste technieken - windkracht en zonne-energie - bleven wel boomen - de afgelopen jaren met meer dan 30 procent per jaar. Maar die nieuwe energiebronnen worden nog maar in een viertal landen volop aangesproken - Duitsland, Denemarken, Japan en de VS. Daardoor blijft het effect op wereldschaal beperkt.

Het aandeel van duurzame energiebronnen in de productie van stroom liep tussen 1970 en 2001 zelfs terug van 24 naar 15 procent. Te verwaarlozen is dat niet - volgens het WorldWatch Institute leveren alle moderne duurzame energiebronnen - wind, waterkracht, zon, aardwarmte en biomassa -  samen inmiddels genoeg stroom voor meer dan 300 miljoen gezinnen.

Groeiende vraag

Om de wereld te veroveren is er veel meer nodig. Een probleem is dat het wereldwijde energieverbruik fors blijft stijgen. Het IEA voorspelt dat de wereldwijde vraag naar primaire energie tot 2030 met gemiddeld 1,7 procent per jaar zal blijven stijgen. Een groot deel van de expansie van duurzame energiebronnen gaat op aan het volgen van dat waanzinnige ritme. Volgens het IAE zal bijna 90 procent van de bijkomende vraag van de komende jaren dan ook gedekt worden door fossiele brandstoffen. Investeren in efficiënt energiegebruik is dus ook onontbeerlijk om echt te kunnen overschakelen op duurzame energie.

Moderne hernieuwbare energiebronnen komen moeilijker van de grond buiten de westerse landen - in veel ontwikkelingslanden is het moeilijker middelen bijeen te brengen voor onderzoek en ontwikkeling en voor de begeleidende maatregelen die de aanvankelijke kostenverschillen overbruggen. Door het gebruik van alternatieve energiebronnen kunnen veel arme landen enorm besparen op hun import, terwijl de ontwikkeling van kleinschalige systemen die ter plaatste gebouwd worden, veel arbeidsplaatsen kan scheppen. In Duitsland hebben in de sector van de zonne-energie inmiddels 27.000 mensen werk gevonden.

Schone energie heeft ook nadelen. Windkracht en zonnestraling zijn variabel en onvoorspelbaar - als het weer tegenzit, is de productie lager. Vooral waar op grote schaal stroom uit dergelijke installaties naar het net gevoerd wordt, zorgt dat voor problemen. Waterkrachtcentrales en installaties die biomassa verwerken, kunnen niet op volle kracht draaien als het lang droog is of als de oogst tegenvalt.

Waarschijnlijk zullen de argumenten voor hernieuwbare energiebronnen steeds zwaarder gaan wegen. Hernieuwbare energiebronnen helpen de dreigende klimaatverandering tegen te gaan, vermijden veel plaatselijke vervuiling en bieden een ecologisch en economisch verantwoord perspectief om de 2 miljard mensen die nu geen stroom in huis hebben, daar in de toekomst wel van te voorzien. De internationale gemeenschap heeft in Bonn bewezen dat ze niet blind is voor die enorme voordelen. Nu is het afwachten wanneer dat bewustzijn vertaald wordt in een echte trendbreuk.

Reacties