Graanhandel exporteert waterschaarste

01-10-2006
Door: Lester R. Brown
Bron: IPS

Vroeger waren watertekorten lokale problemen. Nationale overheden probeerden vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Maar tegenwoordig laat waterschaarste zich via de graanhandel ook over de grenzen heen voelen.

 

Er is een miljoen liter water nodig om één ton graan te produceren. Rijst, tarwe of maïs importeren is daardoor de meest efficiënte manier om water in te voeren. Veel landen gebruiken de graanhandel om een tekort aan water weg te werken.

 

De dalende grondwaterspiegel doet al in een hele reeks landen de oogsten teruglopen. In dat rijtje hoort ook China thuis, de grootste graanproducent ter wereld. De Chinese boeren haalden in 1998 392 miljoen ton graan binnen; vorig jaar was die hoeveelheid geslonken tot 358 miljoen ton. Tot 2004 kon China het verbruik dekken door zijn voorraden af te bouwen, maar sindsdien voert het land steeds meer graan in.

 

Het buitenland begint China daardoor indirect water te leveren dat in China niet meer kan worden gevonden. In het noorden van China halen tarweboeren al water op van een diepte van 300 meter. Ze boren fossiele watervoorraden aan die nauwelijks bijgevuld worden door de regen.

 

In India is de waterschaarste nog veel erger. De oogst van tarwe en rijst stijgt er nog, maar binnen enkele jaren lijkt de technologische vooruitgang niet meer op te kunnen tegen een teruglopende hoeveelheid irrigatiewater. Dan zal ook de Indiase oogst verminderen, waardoor ook India steeds meer graan zal moeten importeren.

 

Er zijn nog meer grote landen die niet genoeg water hebben om de vraag van hun boeren te dekken: Algerije, Egypte, Iran, Mexico en Pakistan. Drie daarvan - Algerije, Egypte en Mexico - importeren al veel graan. Egypte, een land met 74 miljoen inwoners, steekt Japan naar de kroon als 's wereld grootste invoerder van tarwe. En Pakistan kocht in 2004 opeens 1,5 miljoen tarwe in op de wereldmarkt. Pakistan zal waarschijnlijk steeds meer graan moeten invoeren.

 

Maar nergens neemt de invoer van graan sneller toe dan in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. De bevolking groeit er nog snel, en door de olieweelde is er ook steeds meer koopkracht. Bijna alle landen in de regio zitten aan het plafond van hun waterverbruik. Door het stijgende verbruik in de steden, schiet er steeds minder water over voor de landbouw. Via graan en andere landbouwproducten die  uit andere delen van de wereld worden ingevoerd, importeren het Midden-Oosten en Noord-Afrika meer water dan er ter hoogte van Assuan jaarlijks door de Nijl stroomt.

 

Algerije importeert al meer dan de helft van het graan dat zijn 33 miljoen inwoners nodig hebben. Dergelijke landen zijn extreem gevoelig voor eventuele tekorten op de wereldmarkt.

 

De graanproductie in de wereld kan de komende jaren fors en onverhoeds krimpen. Veel landen halen nu meer water boven dan via regenval weer in de ondergrond terechtkomt. Een groot deel van dat water gaat naar irrigatielandbouw. De drie Amerikaanse deelstaten die het meeste graan produceren - Texas, Kansas en Nebraska - halen 70 tot 90 procent van hun water uit de Ogallala-waterlaag, een fossiele watervoorraad diep in de ondergrond die nauwelijks wordt bijgevuld. De landbouwsector in dergelijke gebieden is te vergelijken met een zeepbeleconomie: als het water op is, komt er een dramatische terugval.

 

(*) Lester R. Brown is een vooraanstaande Amerikaanse milieudeskundige en de voorzitter van het Earth Policy Institute

Reacties