Goedkope handen

01-02-2011 Bron: OneWorld
Naaisters (c) Taslima Akhter

Na Turkije en China is de ‘kledingkaravaan’ nu in Bangladesh neergestreken, op dit moment de goedkoopste plek om T-shirts, truien en broeken te produceren. De kledingindustrie, goed voor 80 procent van de Bengaalse export, verklaart voor een belangrijk deel het economische succes van het land. Overdag vallen ze nauwelijks op. Pas als de avond valt in Dhaka worden de kledingfabrieken in het centrum van de stad goed zichtbaar. Achter TL-verlichte ramen doemen silhouetten op van strijkende mannen en vrouwen die kleding vouwen en op grote stapels leggen. De kledingproductie in Bangladesh is de afgelopen vijf jaar verdubbeld. Dat geldt nog niet voor de lonen van de drie miljoen arbeiders die ervoor zorgen dat de Zeemans en Zara’s wereldwijd worden bevoorraad. Maar de industrie staat op een kantelpunt. Na felle arbeidersprotesten is het minimumloon voor een deel van de arbeiders onlangs verhoogd. En fabriekseigenaren voeren actie om de regering ertoe te bewegen de elekriticiteitsvoorziening en het wegennet te verbeteren. Hoe verschillend de naaisters, fabriekseigenaren, activisten ook mogen zijn, ze hebben allemaal belang bij een florerende kledingindustrie.

De inkoper
‘De katoenprijs is weer gestegen’, ‘Hoeveel T-shirts produceren jullie per dag?’ In de restaurants en hotels van Dhaka kom je deze dagen overal kledinginkopers tegen op zoek naar een goede deal. De Nederlander Ruud Schulp, die kleding inkoopt voor grote modeketens, is een van hen.
“Ik kom hier overal collega’s tegen!” Ruud Schulp, voor de eerste keer in Bangladesh, kan er wel om lachen. “Iedereen is op zoek naar goedkope handen.” De ondernemer uit Weesp doet al decennia zaken in Turkije en China. Maar het wordt steeds lastiger om Chinezen te vinden die in de kledingindustrie willen werken. “Vroeger trokken de Chinezen soms honderden kilometers van hun woonplaats vandaan, naar de fabrieken aan de kust. Nu het economisch beter gaat, kiezen velen ervoor werk te zoeken in de buurt van hun familie.” Dus is Schulp op zoek naar nieuwe markten. De verstopte wegen en de voortdurende uitval van de elektriciteit in Bangladesh schrikken hem niet af. “Vergis je niet, twintig jaar geleden waren de omstandigheden in Turkije ook heel slecht. De wegen zaten vol met gaten. Kinderopvang voor de vrouwen die in de fabriek werkten was er niet. Ik heb toen zelf een paar crèches bij de fabriek opgezet.”
Met een paar monsters van jassen onder zijn arm bezoekt hij verschillende fabrieken, zoals een middelgrote fabriek in de havenstad Chittagong. Aan lange tafels tekenen vrouwen patronen van korte broeken op geruite stof. Aan een volgende tafel worden de zakken erin genaaid en knopen opgezet. Mannen strijken de shorts en leggen ze op een grote stapel. Schulp pakt er een vanaf en voelt er geroutineerd aan: “Lekker stofje, goede kwaliteit en veel goedkoper dan in China. Hier betaal je voor een jas bijvoorbeeld 5 euro, in China is dat het dubbele.” Maar Schulp let niet alleen op de prijs. Voordat hij tot zaken overgaat kijkt hij ook altijd naar de arbeidsomstandigheden. In het verveloze trappenhuis van deze fabriek hangen wat kinderen rond. Er zijn maar een paar toiletten voor honderden vrouwen en de opzichters lopen snauwend tussen de tafels door. Volgens Schulp zullen de omstandigheden verbeteren zodra de economie verder aantrekt. “Ook in Turkije en China is dat gebeurd. De consument heeft daar grote invloed op. Wie betaalt, bepaalt. In China is alles zo langzamerhand keurig geregeld. De binnenlandse markt trekt nu enorm aan, de lonen schieten omhoog.”
Consumenten zouden volgens Schulp bereid moeten zijn meer geld voor hun kleding te betalen. “Kleding is echt een wegwerpartikel geworden. In plaats van bijvoorbeeld tien T-shirts per jaar zouden consumenten de helft moeten kopen.” Bang om dan niets meer te verdienen is hij niet. “Een goede boterham valt er altijd wel te verdienen.” Waar zal de kledingkaravaan na Bangladesh halt houden? “Veel landen blijven er niet over, maar wie weet gaan Birma of Noord-Korea nog wel een keer open. Maar de komende tien jaar is Bangladesh the place to be.”

De activist
Na China en India brengen maatschappelijke organisaties nu ook de omstandigheden van de Bengaalse kledingarbeiders in kaart. Khorsed Alam van de maatschappelijke organisatie AMRF (Alternative Movement for Resources and Freedom Society) bezocht undercover al honderden fabrieken die ook aan Nederlandse bedrijven kleding leveren.
“Morgen zal ik wel weer een anoniem telefoontje krijgen met de vraag wat ik in gezelschap van een Europese deed.” Schichtig kijkt Khorsed om zich heen. De luis in de pels van menig fabrieksdirecteur ziet het als zijn missie de werkomstandigheden in de kledingindustrie te verbeteren. Honderden fabrieken bezocht hij. “Ik schat dat maximaal 10 procent van de fabrieken goede voorzieningen heeft en basisnormen voor arbeidsomstandigheden hanteert. 40 procent is middelmatig, niet goed en niet slecht. In zeker de helft van de fabrieken zijn de werkomstandigheden echt abominabel slecht! De grootste fabrieken hebben vaak hun zaakjes wel op orde, anders zou het hen niet lukken om zaken te doen.”
De laatste tien jaar zijn de voorzieningen van vooral de fabrieken buiten Dhaka volgens Khorsed sterk verbeterd. Er zijn steeds meer fabrieken die zorgen voor goede brandinstallaties, beschermende kleding en schone toiletten. Maar de buitenkant zegt niet alles. “Aan de gezichten van de werknemers kun je pas echt de mate van armoede, psychologische druk en gezondheid aflezen. Veel arbeiders werken twaalf tot veertien uur per dag en mogen bijvoorbeeld niet naar het toilet wanneer ze willen. Het ergste wat ik heb gezien was een vrouw die van acht uur ’s morgens tot drie uur ’s nachts aan het werk was, en onder haar werktafel sliep.”
De Bengaalse werknemers komen steeds vaker in opstand. Afgelopen zomer gingen tienduizenden naaisters de straat op om meer loon te eisen. De protesten werden hard neergeslagen. Twintig demonstranten werden gedood. Khorsed vindt het tijd worden dat ondernemers hun verantwoordelijkheid nemen. Uren steekt hij erin om bedrijven hierop te wijzen. “Dan vertellen ze mij dat ze echt wel wat goeds doen in Bangladesh en bijvoorbeeld een schooltje of een ziekenhuis ondersteunen. Maar we vragen hen helemaal niet het armoedeprobleem in dit land op te lossen. We vragen ze alleen goed te zorgen voor de mensen die hen winst leveren. Want zeg nou zelf, die westerse ondernemers komen hier toch alleen om flink geld te verdienen! Bangladesh is een hard land om zaken te doen: weinig elektriciteit, veel verkeersopstoppingen. Als ze een betere plek kunnen vinden, zouden ze nog de volgende ochtend vertrekken.”

De naaister
Ruim drie miljoen mannen en vrouwen knippen dagelijks patronen, naaien knopen aan en vouwen T-shirts in een kaarsrechte vouw. Als hun omstandigheden zouden verbeteren, zou dat een enorme stimulans voor de economie van Bangladesh betekenen. Maar vooralsnog leven de meesten, onder wie Fahmida*, in sloppenwijken.
Achter een van de grootste verkeersaders van Dhaka, aan het gezicht onttrokken, begint een wirwar van modderige steegjes. Hier wonen de kledingarbeiders, vaak dicht op elkaar, in kamers van leem en golfplaten. Fahmida is niet thuis, maar haar moeder, grijze lokken onder een blauwe omslagdoek, neemt de honneurs waar. Zij let op haar kleinkinderen als Fahmida in de fabriek aan het werk is. Als Fahmida’s zoontje van een jaar begint te huilen, legt ze hem aan de borst. Niet dat er melk uitkomt, maar het houdt hem even rustig. In de kamer, waar niet veel meer staat dan een hard tweepersoonsbed met een kleurige sprei erop, wonen tien mensen.
In de lunchpauze komt Fahmida aangehold, gekleed in een traditionele rode kameez. Veel tijd om te praten heeft ze niet. Snel geeft ze haar zoontje de borst. “We betalen 2000 taka (ongeveer 20 euro) voor deze kamer. De regering heeft beloofd het minimumloon van 1600 naar 3000 taka te verhogen, maar dat geld is nog niet overgemaakt. Eigenlijk hebben we minstens 5000 taka nodig om de huur, vaste lasten en eten te kunnen betalen.” Sinds de zomer nemen de protesten toe. Met tienduizenden tegelijk gingen Fahmida en haar collega’s de straat op om een beter loon te eisen. “Mijn generatie weet elkaar makkelijk te vinden. Onze ouders kwamen van het platteland naar de stad om te werken en konden vaak niet lezen en schrijven. Maar wij zijn hier opgegroeid en wonen dicht bij elkaar. Met mobieltjes roepen we elkaar op te demonstreren.”
Ook al is het leven als naaister niet altijd gemakkelijk voor Fahmida, ze wil voor geen goud dat de grote bedrijven uit Bangladesh vertrekken. “In de fabriek kan ik mijn eigen geld verdienen. Ik heb daardoor mijn man, een riksjarijder die te veel dronk en mij sloeg, de deur uit kunnen zetten.”
*Fahmida is niet haar echte naam

De fabrieksdirecteur
Vierduizend kledingfabrieken staan er inmiddels in Bangladesh. Ongeveer eenderde daarvan is klein, met tussen de tweehonderd en vijfhonderd werknemers. Ruim de helft zijn middelgrote fabrieken, waar maximaal duizend mensen hun geld verdienen. De rest van de fabrieken is groot met soms wel vijfduizend werknemers. Mostafizur Rahman is eigenaar van tien fabrieken en is verantwoordelijk voor tienduizend werknemers.
“De zaken gaan heel goed, het komende jaar ben ik al bijna volgeboekt!” Rahman lacht bescheiden. In zijn fabriek in de havenstad Chittagong showt hij trots een van de twee miljoen spijkerbroeken die hier elke maand van de band rollen. Zelf heeft hij zich van productiemedewerker opgewerkt naar fabrieksdirecteur. Hij nam daarbij een groot risico, want vijf jaar geleden kwamen er nog nauwelijks buitenlandse bedrijven naar Bangladesh. “Nu openen bijna al mijn klanten een kantoor hier.”
Buitenlandse merken leggen graag opdrachten bij Rahman neer omdat hij kan leveren volgens verschillende internationale gedragscodes. “Daardoor ben ik bijna altijd verzekerd van opdrachten. Bijna wekelijks heb ik hier wel onaangekondigd controleurs op bezoek die mij honderden vragen stellen. Prima, ik heb niets te verbergen. Soms stellen klanten naast een internationale code ook nog eigen codes op. Dan willen ze bijvoorbeeld niet dat we met bepaalde nietmachines werken.” Volgens Rahman zou de kledingbranche in Bangladesh nog veel meer floreren als de regering de wegen verbetert en de elektriciteitsproblemen oplost. Ook het aankopen van land om een fabriek neer te zetten moet simpeler worden, vindt hij. Rahman ziet een gouden toekomst voor de Bengaalse kledingindustrie. “Vooral het laatste jaar zie je eigen Bengaalse merken opkomen. Dat is een goed teken. Nu is nog veel bestemd voor de Europese en Amerikaanse markt. Als ook de binnenlandse markt aantrekt en we niet meer alleen simpele T-shirts maar ook meer geavanceerde kleding maken, zullen veel meer Bengalen hiervan profiteren.”

De consument
Het overgrote deel van de kleding in Nederlandse winkels wordt nog altijd gemaakt in lagelonenlanden zoals Bangladesh. Maar wat moet je doen als er Made in Bangladesh op het etiket in een trui staat? Kopen of juist laten hangen?
Een leefbaar loon, geen kinderarbeid, veilige en gezonde werkomstandigheden. Het is een greep uit de minimale arbeidsvoorwaarden die de internationale arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties (ILO) heeft opgesteld. Maar hoe kun je nou in het kledingrek zien of aan die voorwaarden is voldaan? Alleen op het merk afgaan heeft geen zin. Een bedrijf als C&A laat zijn kleren bijvoorbeeld produceren in wel honderd verschillende fabrieken in Bangladesh. Dat zou in de praktijk kunnen betekenen dat hun T-shirts uit een fabriek komen waar aan alle voorwaarden is voldaan, terwijl hun broeken uit een fabriek rollen met ronduit slechte arbeidsomstandigheden. Weliswaar onderschrijven veel bedrijven een internationale gedragscode zoals BSCI of WRAP, maar toezicht hierop is lastig. Het blijkt niet realistisch om elke stap in de complexe kledingproductieketen, van onderaannemer tot inkoopbedrijf tot importeur, goed te controleren.
Het trackrecord van de fabriek checken dan? Ook dat biedt weinig houvast. Dezelfde fabriek kan kleding maken voor een merk met een slechte naam en kleding met een Max Havelaar- of EKO-keurmerk.
‘Made in Bangladesh’ dan maar helemaal mijden? Als niemand meer kleren uit Bangladesh zou kopen zouden drie miljoen Bengalen op straat staan en de familie die van hen afhankelijk is, geen inkomsten meer hebben.
Beter is het, zeggen maatschappelijke organisaties als de Schone Kleren Campagne, om in de winkel vragen te stellen. ‘Waar komt dit T-shirt vandaan, wat voor gedragscode is er gehanteerd?’ Grote kans dat de verkoopster het antwoord schuldig blijft. Als de vragen blijven komen, zullen ze doordringen tot het hoofdkantoor. En die zal strengere eisen stellen aan de producent. Want uiteindelijk is zowel in Nederland als in Bangladesh de klant nog altijd koning.

 

Pieternel Gruppen

Pieternel Gruppen werkt op dit moment bij Trouw. Voordat ze bij Trouw ging...

Lees meer van deze auteur >

Reacties