Goed bestuur

01-09-2004
Door: Tekst: Bram Büscher

gevangen tussen inhoud en politiek

Het concept 'goed bestuur' gaat al een tijdje mee. Koloniale bestuursambtenaren in Nederlands Indië en Suriname spraken bijvoorbeeld in de jaren twintig van de vorige eeuw al over goed bestuur, en zagen dit als de kern van hun missie. Sindsdien is het begrip telkens teruggekomen in het nationale en internationale OS-circuit, in verschillende gedaanten, met verschillende betekenissen en onder verschillende politiek-economische gesternten. 'Goed bestuur moet vooral de voorwaarden scheppen voor een stabiel macro-economisch groeibeleid', stelt de Wereldbank. 'Nee,' zeggen de Verenigde Naties, 'goed bestuur draait vooral om politieke representativiteit, het afleggen van verantwoording en transparantie.' 'En hoe zit het met de mensenrechten?' vraagt de Nederlandse regering. Ondanks de duizenden rapporten, wetenschappelijke artikelen en nota's die over goed bestuur zijn verschenen, is er nog altijd geen alom geaccepteerde definitie. Elke donor legt binnen het begrip inhoudelijke nadruk op andere thema's, en gebruikt het concept naar gelang dat voor de eigen politiek het beste uitkomt. En dat is ook het enige wat door de jaren heen hetzelfde is gebleven: het begrip goed bestuur schemert nog altijd tussen inhoud en politiek.

Definitie van goed bestuur

Een definitie van goed bestuur is bij voorbaat al omstreden. Pak een breed begrip dat overal ter wereld toegepast zou moeten kunnen worden, en je kunt een leuk politiek steekspel verwachten. Toch zijn de meeste donoren het er inmiddels over eens dat een definitie van goed bestuur het merendeel, zo niet alle van de volgende thema's moet bevatten:

- Meer publieke verantwoording door en transparantie van bestuur
- Respect voor en versterking van de rechtsstaat, inclusief anti-corruptiemaatregelen
- Democratisering
- Decentralisatie en hervorming / versterking van lokaal bestuur
- Verhoogde participatie van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingsprocessen
- Respect voor mensenrechten en het milieu

Bron: Collingwood, 2002

Over inhoud

Goed bestuur is vooral populair geworden in de jaren zeventig en tachtig, toen het OS-veld geconfronteerd werd met de slechte resultaten van het ontwikkelingsbeleid tot dan toe. In haar analyse van de situatie kwam de internationale gemeenschap, met de Wereldbank voorop, tot de conclusie dat ontwikkelingszaadjes het slecht doen als ze uitgezaaid worden in slechte bestuursomstandigheden. Bouwen aan goed bestuur in ontwikkelingslanden moest dus een integraal onderdeel van het ontwikkelingswerk worden. Maar voor de Wereldbank leverde dit wel een probleem op. Artikel 4, sectie 10 van het oprichtingsmandaat (de 'articles of agreement') stelt dat de Bank zich strikt technocratisch en a-politiek moet opstellen. Dit staat in scherp contrast met een wezenlijk politiek concept als goed bestuur, waarbij het om zaken als (re)distributie van macht en middelen gaat.

Nu rekt de Wereldbank de oprichtingsartikelen wel vaker wat op en ook in dit geval werd er een uitweg gevonden die goed in haar straatje paste. In de 'slipstream' van de Washington-consensus en de hausse rondom het uiterst economistische structurele aanpassingsbeleid van de Bank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF), definieerde de Wereldbank het goed bestuursbeleid voornamelijk in economistische en marktgeoriënteerde termen. In de praktijk kwam dit neer op de voor de Bank bekende beleidspaden: minimaal, maar doelmatig overheidsoptreden, gericht op een stabiel investeringsklimaat, en een stringent macro-economisch beleid. Andere donoren waren ondertussen ook druk bezig met goed bestuur en legden de nadruk op heel andere thema's (zie bijgaand kader met definities). Zo probeerden verschillende VN-instanties (zoals UNICEF en UNDP) meer de sociaal-institutionele kant te benaderen, en legde Pronk in 1990 goed bestuur in zijn visiestuk 'Wereld van Verschil' vooral uit in termen van democratisering en respect voor mensenrechten.

Selectiecriterium

Met het aantreden van Herfkens als minister in 1998 bereikte goed bestuur zijn meest recente hoogtepunt binnen het Nederlandse OS-beleid. Het moest samen met 'hoog niveau van armoede' en 'goed sociaal en economisch beleid' het selectiecriterium worden dat zou bepalen welke twintig van de tachtig landen waarmee Nederland ontwikkelingsrelaties onderhield, op de lijst mochten blijven. Ontwikkelingshulp kan niet effectief zijn, zo was ook de redenering van Herfkens, als deze niet in een gezond en goed bestuursraamwerk wordt uitgevoerd. Herfkens keek hierbij met name of het bestuur democratisch was, hoe een land omsprong met mensenrechten en hoe het stond met de 'rule of law', oftewel: het functioneren van de rechtsstaat. Voor informatie hierover ging ze vooral uit van cijfers van de Wereldbank (zie bijgaand kader over het meten van goed bestuur). Voldeden landen hier niet aan, dan konden ze de Nederlandse ontwikkelingshulp wel vergeten. Althans, dat was de retoriek. Dat de soep in de praktijk niet zo heet wordt gegeten als hij wordt opgediend, bleek wel uit het feit dat Nederland de jarenlange ontwikkelingsbanden met bijvoorbeeld Ethiopië, Eritrea, Jemen en Bolivia gewoon aanhield - toch landen die niet bekend staan om de absolute integriteit van hun overheidsdiensten. Dirk-Jan Koch, die onderzoek heeft gedaan naar het selectiebeleid van landen die in aanmerking kwamen voor een structurele bilaterale hulprelatie en inmiddels zelf bij het ministerie van Buitenlandse Zaken werkt, concludeert dat 'de selectie méér werd ingegeven door historische banden dan door de kwaliteit van bestuur en beleid van de landen in kwestie, en andere als selectiecriteria genoemde factoren'.

Indonesië: maatwerk in een 'ongunstige beleidsomgeving'

Bestuurlijke verlamming kenmerkt Indonesië sinds de val van voormalig potentaat Suharto in mei 1998. In vijf jaar tijd heeft het land drie presidenten versleten.  Lees meer...

Nota op komst

Sinds het aantreden van Van Ardenne in 2002 lijkt goed bestuur binnen het Nederlandse ontwikkelingsbeleid snel aan populariteit te verliezen. De minister heeft gezegd minder zwaar aan goed bestuur als selectiecriterium te willen tillen, en zo kwamen onder meer Guatemala, Georgië en Kenia weer helemaal terug in de Nederlandse gratie. Ondanks deze dip in de Nederlandse belangstelling voor goed bestuur wordt er momenteel in het ministerie van Buitenlandse Zaken hard gewerkt aan een nieuwe nota over goed bestuur, die begin volgend jaar moet uitkomen. Op dit moment is er een eerste werkversie van het document gereed. Deze wordt nu becommentarieerd door verschillende actoren uit het maatschappelijk middenveld. Vice Versa wist een kopie te bemachtigen en constateerde dat het een degelijk wetenschappelijk onderbouwd stuk is, dat evenwel nog geen duidelijke keuzes of vertalingen naar praktische beleidsimplicaties biedt.

Professor Leo Huberts van de afdeling Bestuur en Organisatie van de Vrije Universiteit, expert in bestuurlijke integriteit, hoopt dat in de definitieve nota zowel het belang als het relatieve van het benadrukken van goed bestuur wordt ingezien. Volgens hem verwijst goed bestuur naar overeenstemming met de geldende morele normen en waarden in een maatschappij, en die van Nederland hoeven niet per se precies overeen te komen met die van andere landen. 'We zijn tot nu toe te egocentrisch bezig geweest in het goed bestuur-debat', stelt Huberts. Hij pleit dan ook voor meer kennis over andere bestuursopvattingen en filosofieën. Dat zou kunnen leiden tot gedeelde 'minimale maatstaven voor goed bestuur', waaraan je ontvangende landen dan zou kunnen houden. Maar of Nederland zich in de aankomende nota laat leiden door minimale standaarden en vraaggerichtheid valt nog te bezien. In het internationale 'post-9/11'-klimaat zijn veel opvattingen over goed bestuur vanuit het Westen flink aangescherpt, en de eerste tekenen zijn hiervan al terug te vinden in officiële documenten. Zo heeft het Development Assistance Committee (DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) onlangs een document met voorstellen uitgebracht waarin goed bestuur expliciet wordt gekoppeld aan het internationaal overheersende veiligheidsthema. Dat zou in plaats van minimalisering eerder een verdere uitbreiding van het begrip goed bestuur opleveren.

Goed bestuur meten

Is het al erg lastig om tot een definitie van goed bestuur te komen, het is nog veel lastiger, zij het niet onmogelijk, om goed bestuur te meten. Toen minister Herfkens aankondigde goed bestuur te willen gebruiken als selectiecriterium, kreeg ze hier dan ook veel kritiek op. Lees meer...

Goed bestuur is dus allerminst een eenduidig concept. Je kunt je zelfs afvragen of we überhaupt wel tijd moeten besteden aan het zoeken naar eenduidigheid in inhoud. In een artikel uit 1997 over goed bestuur merkt Jan Michiel Otto al met gevoel voor understatement op dat 'beleid soms wat trendgevoelig is', waarna hij zich afvraagt of goed bestuur hetzelfde korte leven is beschoren als zoveel andere 'politieke catchwords'. Zeven jaar later is het pessimisme van Otto niet uitgekomen, maar hij wijst wel op de 'andere' kant van het concept goed bestuur: de politiek-discursieve kant. Willen we echt beter begrijpen hoe goed bestuur in de praktijk uitpakt, dan moeten we ook hier de discussie verbreden richting de politiek van 'buzzwoorden', discoursen, communicatie en informatie. Immers, in ons huidige ICT-tijdperk zijn macht, communicatie en informatie subtiel, maar onlosmakelijk met elkaar verbonden. En dan wordt het plaatje opeens heel anders.

Over politiek

Voor het versterken van de nationale economie is een goede infrastructuur een belangrijke voorwaarde. Meestal is de overheid belast met de aanleg en beheer van wegen en bruggen, en tevens de beveiliging daarvan; Peshawar district, Pakistan.

Beeld: Bram Büscher

Goed bestuur is niet het enige ontwikkelingsconcept van zijn soort, maar maakt deel uit van een breder ontwikkelingsdiscours. Andere populaire modewoorden in het ontwikkelingswereldje zijn op dit moment bijvoorbeeld 'partnerschap', 'participatie', 'ownership' en natuurlijk 'duurzame ontwikkeling'. Net als goed bestuur begonnen de meeste van deze begrippen hun leven als kritische concepten waar de gevestigde ontwikkelingsbureaucratie in de jaren zeventig en tachtig mee om de oren werd geslagen. Het Westen nam ontwikkelingslanden niet serieus genoeg, werkte veel te veel 'top-down', gaf niets om toekomstige generaties, was nodeloos arrogant en steunde regimes die hun eigen bevolking terroriseerden, zo ging de kritiek. In de jaren negentig kon dit niet langer. Althans, in ieder geval niet voor het blote oog van de buitenwereld. Multilaterale instellingen en donoren hebben deze les goed in hun oren geknoopt. In het afgelopen anderhalve decennium hebben ze, heel slim, deze kritische begrippen gecoöpteerd en zich deze eigen gemaakt, waarna ze deel uit gingen maken van het algemeen geaccepteerde ontwikkelingsdiscours. De Wereldbank was opeens ook vóór duurzame ontwikkeling, Westerse donoren natuurlijk vóór participatie, en goed bestuur werd een voorwaarde voor ontwikkelingshulp. Betekende dit opeens een wezenlijk andere politiek? Was de oude geest uit de ontwikkelingsfles? De geschiedenis leert ons dat diepgaande veranderingen nooit snel gaan. Zo ook hier niet.

Slecht bestuur of slechte hulp?

Ontwikkelingssamenwerking heeft Haïti de laatste jaren nauwelijks bereikt. Het goed bestuur-criterium was steeds de spelbreker. Je kunt je echter afvragen of ontwikkelingssamenwerking wel bestaansrecht heeft als er juist als het misgaat niet thuis gegeven wordt. Lees meer...

Het voordeel van ontwikkelingsconcepten is dat het bijna allemaal containerbegrippen zijn waar ontzettend veel onder kan vallen. Hierdoor blijven ze lekker vaag, wat als (politiek) voordeel heeft dat ze gebruikt kunnen worden om mensen en spelers in het veld te verenigen. Aangezien ieder er wat van zijn of haar gading in kan vinden, kan eigenlijk iedereen het eens zijn met goed bestuur als criterium voor ontwikkelingshulp. De ene organisatie kan zich vooral storten op 'accountability', terwijl de andere donor zich meer bezighoudt met het opbouwen van democratie. Maar containerbegrippen kunnen ook nadelige neveneffecten hebben. Hier bespreken we er drie: verhulling, verwarring en verdrukking.

Verhulling

Hoewel het lijkt of buzzwoorden heel breed geïnterpreteerd en lokaal geduid kunnen worden, hebben ze vaak een sterke politiek-ideologische lading. Anders gezegd: behalve elementen van goed bestuur zoals beschreven in het kader 'Definitie van goed bestuur', wordt er met behulp van ontwikkelingsconcepten ook nog allerlei andere politiek-ideologische pap bij een ontwikkelingsland naar binnen gegoten. Een van de meest geaccepteerde en bekende voorbeelden hiervan is het economistische neoliberale gedachtegoed, dat mondiaal nog steeds erg dominant is. Accepteer je goed bestuur-hulp van de Wereldbank en het IMF, dan krijg je er het standaard neoliberale ontwikkelingspakket van stabilisering, privatisering en stringent macro-economisch beleid gratis bij. En dit pakt niet per definitie goed uit. Joseph Stiglitz, voormalig Wereldbank-econoom en Nobelprijswinnaar, doet in zijn boek 'Globalisation and its discontents' bijvoorbeeld uitgebreid verslag van vele voormalige staatsbedrijven die failliet gingen onder de privatiseringsdruk van IMF en Wereldbank. Landen die zich tegen deze druk verzetten en hun opkomende industrieën wilden beschermen in plaats van ze direct te laten concurreren met de wereldmarkt, werd slecht bestuur verweten.

Inspraak vraagt om veel overleg en inzet. Tansila, Burkina Faso.

Beeld: Bram Büscher

In de steek gelaten

Guinee-Bissau, het enige Portugeessprekende land op het vasteland van West-Afrika, werd in 1975 na een lange strijd onafhankelijk. Bestuurlijk schoot het land de weg op naar het sovjetsocialisme, wat vooral eenpartijdictatuur en corruptie bracht. Ondanks dit alles was Nederland een trouwe en daarmee geliefde donor. Tientallen jaren lang gingen geld, goederen, deskundigen en vrijwilligers in groten getale naar deze uithoek van West-Afrika. Tot voor kort. Want sinds vorig jaar moet ineens alles anders: Nederland hield ermee op. Lees meer...

Maar ontvangende landen zijn natuurlijk niet gek. Zij weten ook van de andere prioriteiten van donoren, en spelen hier zelfs op in. Rwanda is een veelzeggend voorbeeld. Jeroen de Lange werkte als themadeskundige goed bestuur van 2001 tot 2003 op de Nederlandse ambassade in Rwanda. Volgens De Lange zijn de Rwandezen uiterst goed in hun pr rondom de criteria voor goed bestuur, en weten ze precies wat de donoren willen horen. Ze doen hun uiterste best om in ieder geval voor het oog van de wereld goed te scoren op de technocratische indicatoren van de CPIA (zie het kader 'Goed bestuur meten'), waardoor donoren denken dat het heel goed gaat met het Rwandese bestuur. Ondertussen 'lezen de diplomaten en donoren de echte politieke situatie niet,' aldus De Lange, 'en deze wordt alleen maar slechter'. De voormalige themadeskundige is ervan overtuigd dat de regering zelfs een doodseskader heeft, dat het afgelopen jaar nog vooraanstaande Rwandezen heeft vermoord. 'Je kunt dus echt niet volhouden dat er goed bestuur is in Rwanda.' Volgens De Lange koos Herfkens er tijdens haar selectieproces ook voor de Rwandese bestuursrealiteit te onderschatten: 'Ze wilde Rwanda zo graag op haar lijst van partnerlanden krijgen dat ze het Nederlandse parlement een veel te rooskleurig plaatje heeft voorgeschoteld.' In dit geval is het gat tussen politiek en inhoud van goed bestuur compleet. Door de term zo in te vullen dat deze politiek zo bruikbaar mogelijk is, wordt niet alleen de inhoud ervan onrecht aangedaan. In het geval van Rwanda wordt het 'waanzinnig conflictpotentieel' ook nog eens ontkend. In lijn met veel andere analyses zou het volgens De Lange dan ook zeker weer tot een uitbarsting kunnen komen in het land.

Beter milieu, beter bestuur

'Kennis, onafhankelijkheid en openheid, volgens mij is dat een onverslaanbare combinatie.' Dat denkt Reinoud Post, technisch medewerker bij de Commissie MER, wat staat voor Milieu Effecten Rapportage. De Commissie MER is een onafhankelijke instantie die adviezen geeft over de gevolgen die allerlei plannen kunnen hebben voor de natuurlijke omgeving en de mensen die daar wonen. Lees meer...

Verwarring

Omdat buzzwoorden als goed bestuur containerbegrippen zijn, kan er ook té veel onder één concept vallen. Zelfs zoveel, dat verschillende elementen tegenstrijdig aan elkaar of aan andere buzzwoorden kunnen zijn, wat natuurlijk niet bevorderlijk is voor de implementatie van een ontwikkelingsconcept in de praktijk. Weis legt bijvoorbeeld in een artikel in de Third World Quarterly uit dat als goed bestuur ingevuld wordt als stringent economisch beleid, het vaak leidt tot erg 'top-down'-bestuur. En top-down-bestuur is juist iets waar donoren proberen tegen te ageren middels andere populaire buzzwoorden als participatie, 'empowerment' en 'local ownership'.

Burgers verwachten van de overheid een adequate gezondheidszorg. Het opleiden van bekwaam personeel vormt hiervoor een eerste vereiste; Kasese district, Oeganda.

Beeld: Bram Büscher

Ook onze eigen ex-minister voor Ontwikkelingssamenwerking en huidig speciaal VN-gezant voor Sudan, Jan Pronk, maakt zich druk over dit punt. In een lezing over goed bestuur tijdens de afgelopen Afrikadag van de Evert Vermeer Stichting trok hij fel van leer tegen de 'culturele arrogantie' van veel westerse ontwikkelingsconcepten, omdat deze vaak tegenstrijdige elementen bevatten die de ontwikkeling van veel landen weinig goed doen, of zelfs negatief kunnen beïnvloeden. Volgens Pronk gaat de redenering als volgt: 'Ontwikkeling gaat in de kern om verandering. Verandering van de status quo in een land en daarbij ook een verandering van de allocatie van macht, goederen en middelen.' Dat dit niet makkelijk is en vaak gepaard gaat met veel gewelddadige conflicten, wordt op dit moment weer bewezen in Sudan. Hoe moet goed bestuur hiermee omgaan? Volgens Pronk vraagt dit om beleid dat gericht is op conflictoplossing. Echter, in de donorwereld, en ook in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, wordt structureel gesproken over conflictbeheersing. Het lijkt een subtiel verschil, beheersing of oplossing, maar in de praktijk leiden deze twee termen tot tegenstrijdige uitkomsten, aldus Pronk. Hij wijst erop dat goed bestuur vaak latent gebruikt wordt in een context van (economische) stabiliteit. Conflicten moeten beheerst of 'onder controle gehouden' worden om het economische proces niet te verstoren. En daar moet goed bestuur voor zorgen. Maar 'onder controle houden' is niet hetzelfde als een echt langdurige oplossing, want onder de oppervlakte bestaat het conflict nog steeds. Dit leidt ertoe dat gewelddadige conflicten toch telkens weer de kop opsteken. Deze tegenstrijdigheid in het concept goed bestuur doet dan niet alleen veel ontwikkelingslanden weinig goed, maar kan hun ontwikkeling zelfs negatief beïnvloeden, omdat conflicten wellicht onnodig lang in stand worden gehouden.

Feitjes, weetjes en cijfers over goed bestuur

- Tussen 1996 en 2002 startte alleen de Wereldbank al meer dan 600 projecten op het gebied van goed bestuur.

- De Nederlandse regering heeft voor 2004 voor programma's op het gebied van goed bestuur 29 miljoen euro gebudgetteerd.

- Uit het 'Global corruption report 2004' van Transparency International blijkt dat ex-president Suharto van Indonesië, ex-president Marcos van de Filippijnen en ex-president Mobuto van Zaïre de meest corrupte leiders ooit waren met respectievelijk minimaal 15, 7,5 en 5 miljard dollar aan verduisterde overheidsmiddelen.

- Het Global Development Research Centre (GDRC) biedt op het web uitgebreide documentatie over de links tussen goed bestuur en onderwerpen als gender, milieu en technologie. Zie: http://www.gdrc.org.

Verdrukking

Het stadsbestuur heeft het beheer van de markt, inclusief het innen van de marktgelden, uitbesteed aan een particuliere organisatie; Moyo district, Oeganda.

Beeld: Bram Büscher

De twee vorige neveneffecten van buzzwoorden voeden het derde en laatste: modewoorden worden door allerlei OS-organisaties voornamelijk gebruikt voor politieke legitimatie. Zeg maar: donorfetisjisme. Alleen door zo veel mogelijk te leunen op allerlei populaire concepten heeft een voorstel voor fondsen kans van slagen bij donoren, en dus is het belangrijk om je te bekwamen in 'talk the talk'. Dit kán voordelig zijn voor ontvangende landen. Deze kunnen buzzwoorden gebruiken om geld binnen te slepen, om daarna te proberen ze lokaal in te vullen. Maar dan moeten ze daar wel de kans voor krijgen. Behalve de reeds besproken politieke druk, speelt ook de kwestie van taal. Vaak worden buzzwoorden niet eens meer vertaald in de taal van een ontvangend land, maar worden ze in het Engels opgenomen in projectdocumenten of -voorstellen. Aangezien het ontwikkelingsproces erg complex is, is een goed begrip van de lokale situatie een absolute voorwaarde om te komen tot lokaal relevante oplossingen. Maar door een buitenlands woord te gebruiken om een probleem ('bad governance') of oplossing ('good governance') te beschrijven, wordt de mogelijkheid verloren om een concept in de eigen taal te ontwikkelen. En juist met zo'n concept zou een bredere laag van de bevolking beter kunnen begrijpen wat er nu aan de hand is. Het gevaar bestaat dat buzzwoorden en de zaken waar ze voor staan, gerelativeerd worden tot dingen die donoren willen horen, waardoor ze feitelijk hun betekenis verliezen. En waardoor lokale oplossingen voor lokale problemen in de verdrukking raken. Onderzoek in Turkije en Azerbeidjaan heeft aangetoond dat dit ook geldt voor twee wezenlijke onderdelen van goed bestuur: democratie en mensenrechten. Het was vooral de toch al beter ontwikkelde elite die zich de 'donortalk' eigen had gemaakt en steeds actiever op werd genomen in het internationale donorcircuit. Dit had tot gevolg dat mensenrechtenissues steeds meer van de lokale situatie in Turkije en Azerbeidjaan af kwamen te staan. Discursief donorfetisjisme kan dus het neveneffect hebben dat de lokale inhoudelijke kant in de verdrukking raakt.

Zin en onzin

Ondanks deze kritische noten is goed bestuur volgens prof. Huberts toch een noodzakelijk ingrediënt van ontwikkelingshulp. Er zijn volgens hem altijd vele soorten critici, onder wie ook 'laakbare en gemakzuchtige mensen die de positieve implicaties van goed bestuur willen ontlopen'. Zaken als transparantie, corruptiebestrijding en participatie zijn in de praktijk noodzakelijke voorwaarden voor ontwikkeling. En daar mag je volgens de professor ook best hard op inzetten. Als landen als Rwanda in hun eigen beleidsdocumenten hoog opgeven van hun goede bestuur, maar in de praktijk heel andere dingen doen, geeft dit een donor legitimatie om in te grijpen. Maar dat vraagt dan wel om donoren, wetenschappers en burgers die verder durven te kijken dan wat er aan de bestuursoppervlakte zichtbaar is, en dit ook openlijk aan de kaak durven te stellen. Goed bestuur vraagt om politici, beleidsmedewerkers en diplomaten die de politiek in een land durven te lezen, en een situatie niet mooier voordoen dan de eigen politieke kortetermijnagenda misschien verlangt. Dán pas heeft goed bestuur echt nut als criterium voor ontwikkelingshulp.

De crux is dus om een balans te vinden tussen het ontwikkelen van gedeelde minimale standaarden, en daar ook strikt in te zijn, maar tegelijkertijd landen de ruimte te laten om hun eigen ontwikkeling te duiden. Het is namelijk ook goed om te beseffen dat begrippen als goed bestuur niet eenduidig zijn en dus steeds een kritische blik behoeven. Want buzzwoorden hebben nu eenmaal te veel bedoelde en onbedoelde neveneffecten. Afschaffen dan maar? Alle buzzwoorden in de vuilnisbak? Zover zal het natuurlijk niet komen. Maar misschien zitten de zin en onzin van goed bestuur eigenlijk juist in dat duistere schemergebied tussen inhoud en politiek.

 

Bronnen

- Büscher, B.E. and T. Mutimukuru (2004). Buzzing too far? The ideological echo of the global governance agenda on Community Based Natural Resource Management initiatives in Southern Africa. Paper presented at the biannual conference of the International Association for the Study of Common Property (IASCP), 9-13 August 2004, Oaxaca, Mexico.

- Collingwood, V. (eds) with E. Drake, A. Malik, Y. Xu, I. Kotsioni, R. El Habashy and V. Misra (2002). Good Governance and the World Bank. Nuffield college, University of Oxford, Oxford.

- Ergun, A. and C. Cali (2002). Global Governance and Domestic Politics: Fragmented Visions. Paper presented at the CPOGG workshop at Amerang, 1-3 November 2002.

- Koch, D-J. (2003). Herfkens' selectiviteitsbeleid onder de loep. Een beoordeling en voorstellen tot verbetering. Internationale Spectator, 57, nummer 2: blz. 71-75.

- OECD (2004). Security System Reform and Governance. Policy and Good Practice. DAC guidelines and reference series. OESO, Parijs.

- Otto, J. M. (1997). Ontwikkelingssamenwerking en goed bestuur. Internationale Spectator, 51, nummer 4: blz. 223-229.

- United Nations Development Programme (UNDP) (1997). Good Governance - and sustainable human development. UNDP, Washington.

- Weiss, T.G. (2000). Governance, Good Governance and Global Governance: conceptual and actual Challenges. In: Third World Quarterly, 21, 5: 795-814.

- Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2001). Ontwikkelingsbeleid en goed bestuur. Rapporten aan de regering, no. 58. SDU uitgevers, Den Haag.



Reacties