In het geweer tegen de zaadgigant

12-08-2014
Door: Emma Meelker
Bron: OneWorld
De Afrikaanse boer moet terug in de tijd, betoogt Edie Mukiibi, vice-president van Slow Food International. In zijn tienduizend openbare dorpstuinen die in Afrika ontspruiten, laat hij boeren zien hoe productief oude en lokale zaadsoorten en landbouwtradities eigenlijk zijn. Hij wil zo de strijd aanbinden met de grote bedrijven die hun industriële zaden aan de Afrikaanse boeren proberen te slijten “Zaad moet niet van een paar bedrijven zijn, maar vrijelijk beschikbaar zijn. Zaad is ieders recht.”
interview – 

Waarom trek jij zo ten strijde tegen de zaden uit het Westen? Betere zaden, betere oogst, toch?
Het belangrijkste probleem met die gemanipuleerde zaden is dat ze alleen effectief zijn als je ze in hun eentje op grote stukken land verbouwt. Maar met deze zogenoemde monoculturen werk je je in Afrika in de nesten: in de tropen is het land en klimaat zo onvoorspelbaar dat je door in te zetten op een enkele soort, binnen de kortste keren alles kwijtraakt. Monoculturen promoten in Afrika is een misdaad tegen de mensheid. De reden dat ik deze strijd ben begonnen is omdat ik de pijn heb gezien van boeren die hun volledige oogst, inkomen en bedrijf verloren door een mislukte maisoogst. Zij waren door een commercieel zaadbedrijf overgehaald om hun nieuwe en zogenaamd verbeterde soort MM2 te planten, hadden er grote stukken land aan opgegeven en waren bij de eerste de beste droogte in 2007 alles kwijt, nog voordat de zaden ontkiemd waren.  Ik realiseerde: er is iets mis met dit voedselsysteem waar alleen aan winst gedacht wordt en niet aan de implicaties voor het leven van de boer.

Edie Mukiibi in een schooltuin

Oogsten mislukken toch soms gewoon?
Zoals wij al eeuwen verbouwen houden we daar rekening mee. Een Afrikaans landbouwbedrijf is een systeem van allerlei verschillende gewassen met vaak ook nog wat vee. Dat is een veerkrachtig systeem waarbij er altijd iets overblijft om te eten, te ruilen en iets om je bedrijf volgend jaar mee op te starten. Dit systeem is bovendien veerkrachtig omdat de verschillende soorten elkaar ondersteunen en samen een lokaal ecosysteem vormen. Systemen die inspelen op de specifieke lokale grondsoort, het lokale klimaat en de omringende natuur. Systemen die rekening houden met hun omgeving. Het land in Afrika is zo versnipperd, dat het alleen op die manier werkt.

Je betoogt dat Afrikanen oude tradities hoog moeten houden. Zijn nieuwe ontwikkelingen dan altijd slecht?
Natuurlijk niet. Betere verpakkingen die spullen lang goed houden en boeren de kans geven hun oogst op de lokale markt te verkopen zijn bijvoorbeeld fantastisch. Maar deze bedrijven maken boeren afhankelijk van geïmporteerde spullen en dure gepatenteerde zaden. Dat is simpelweg niet een houdbaar systeem, waarin een kleine boer elk jaar opnieuw geld moet uitgeven aan iets wat hij beter zelf kan doen. Zaad was eeuwenlang gemeengoed en eigendom van de boeren die elk jaar zelf hun zaad vermeerderden. Maar toen bedachten commerciële bedrijven dat ze er ook geld aan konden verdienen, en moest het hele boerensysteem commercieel worden. Deze bedrijven hebben enorme marketingbudgetten om boeren in hun systeem te zuigen, en denken nu uit te kunnen maken of een boer iets mag verbouwen.

Afrikaanse kleine boeren zijn wel berucht om hun improductiviteit.
Dat is een misconceptie uit de Westerse wereld. We hebben heel lang in harmonie met ons land gewoond, hebben onszelf gevoed en de surplus uitgeruild. Het aantal hongerige mensen neemt pas toe sinds monoculturen en grootschalige landbouw hun intrede hebben gedaan: boeren produceren voor de grote internationale markt en niet voor de lokale bevolking en zichzelf. Het klinkt misschien voor de hand liggend, maar ik moet het toch steeds zeggen: er is niets mis met voedsel voor jezelf verbouwen.  Ik denk: als we boeren de kans weer geven hun eigen lokale manieren en zaden te gebruiken, kunnen ze nog veel effectiever worden.

Waarom?
Als ze niet altijd zaad hoeven te kopen, kunnen ze nog meer groeien. Bovendien geeft het rust, ze zijn niet afhankelijk van de grillen van de markt.  

Vertel eens wat meer over die gemeenschappelijke tuinen.
Mensen kloppen bij ons aan als ze een dorpstuin willen beginnen, en wij helpen ze dan met cursussen en een handboek over soorten op weg. In deze tuinen komen mensen samen en leggen ze de zaden in die zij gebruiken. Ze leren van elkaar hoe je werkt met lokale gewassen, wisselen bijzonder goede soorten uit. De tuinen fungeren als een ontmoetingsplek voor lokale kennis. Niet alleen over zaden, maar ook over welke soorten goed samenwerken, wat voor mest goed werkt, hoe je een simpel irrigatiesysteem aanlegt. Oude tradities die pesticiden, herbiciden, kunstmest overbodig maken.

Is dat een uitgangspunt, geen pesticiden enzo?
Voordat er monoculturen waren hadden we nauwelijks last van pesten. Als je uiensoorten en bijvoorbeeld Afrikaanse goudsbloem plant, kunnen die insecten en pesten tegenhouden. Dat is kennis die de jonge boeren van nu van de oude mensen in de tuinen krijgen. Jonge boeren leren weer vertrouwen op de oude manieren waarop boeren al tijden bijvoorbeeld water vasthouden: zelfs in het kurkdroge Somalië hebben we bloeiende tuinen.

Hoe bereik je kleine boer die ver weg in Afrika zit?
Een groot deel van wat we doen is het opzetten van een fijnmazig netwerk aan sterke leiders. Er is overal wel iemand van Slow Food redelijk dichtbij, die dan langs gaat en lokaal een goede manager identificeert. Zo regionaliseren we steeds meer. Verder doen we verrassend veel via sms en internet: weerupdates, reminders over wanneer iets te oogsten. In veel delen van Uganda kun je gratis via je telefoon op Facebook via Facebook Zero. Ik zei al, iets nieuws is niet altijd slecht..

Levert het mensen ook nog wat extra oogst op?
Als ik de boeren moet geloven wel. In hun verhalen hoor ik dat de productie van lokale groenten verbeterd is, dat de oogst zelfs op de lokale markt verhandeld kan worden. Nog een grappig bij-effect van de schooltuinen: leerlingen zetten thuis kleine tuinen op om het inkomen van hun ouders aan te vullen. Het belangrijkste is volgens mij dat mensen weer trots zijn op Afrikaanse landbouw. Ze zien dat hun systemen nog steeds relevant en productief zijn. 

Honing uit een lokale slowfood tuin

Voor mijzelf is het ook een ontdekkingsreis: ik zie in de tuinen allemaal soorten waarvan ik alleen over het bestaan had gehoord. Heel vaak weet een oude man of vrouw uit een dorp opeens een superoude soort yam of knol te voorschijn te toveren. Ons handboek kan de tienduizenden varieteiten ondertussen al niet meer bijhouden. Wat dat betreft hebben we wel haast om alles te verzamelen: we zeggen in Uganda ook wel dat als een oud persoon doodgaat, er een bibliotheek verbrand wordt. 

Wat kost zo'n tuin?
Zo'n 900 euro. Maar een heel klein bedrag daarvan gaat in de daadwerkelijke tuin zitten. Dat maakt het een duurzaam project: we investeren in de boerengemeenschappen met workshops, uitwisselingsprogramma's, communicatiesystemen en de rest gaat vanzelf. Het blijkt dat je bijna helemaal geen geld nodig hebt als je gebruik maakt van de dingen die een gemeenschap lokaal beschikbaar heeft. Als een tuin eenmaal loopt, kost het geen geld meer om hem te onderhouden! Voor ons is dat belangrijk: veel andere projecten die in kleine boeren investeren zijn toch afhankelijk van een constante geldstroom. 

Helpen jullie boeren vervolgens ook met het verkopen van hun waar?
Het meest overtuigende voorbeeld van de effectiviteit van Afrikaanse boeren is de koffieproductie. Uganda is de grootste Robusta producent van Afrika. Al die koffie komt van 2.3 miljoen kleine boertjes, die hun groene bonen naar het Westen exporteren. Dat is tegelijkertijd pijnlijk: we exporteren mooie ongebrande bonen, en krijgen er oploskoffie voor terug. Daarom proberen wij koffieconsumptie in Uganda zelf aan te moedigen en een koffiecultuur te ontwikkelen. Branders uit Italie hebben boeren hier laten zien hoe je de groene bonen lekker brandt zodat we hier waarde aan het product kunnen toevoegen en niet al dat geld in Uganda mislopen. Ook helpen we met het ontwikkelen van mooie verpakkingen en met de marketing. Zo kunnen de boeren concurreren op de markt met een clean, goed, helemaal af pak koffie.

Willen jonge mensen eigenlijk niet liever iets anders doen, dan boer worden?
Jonge mensen raken geinteresseerd omdat ze opeens kunnen verbouwen wat ze ook willen eten. Bovendien, als ze dan toch taxichauffeur of dokter worden, dan weten ze later wel wat goed eten is, hoe ze lokale productie steunen: de juiste keuzes maken die hun gemeenschap vooruit helpt. Iedereen heeft een rol in ons voedselsysteem.  

Reacties