'Het Nederlandse landbouwmodel is ten dode opgeschreven'

07-11-2013
Door: OneWorld Redactie
Bron: OneWorld
wageningen – 

De industriële landbouw heeft zijn langste tijd gehad. Dat stelt Saturnino ‘Jun’ Borras. Er moet, vindt de hoogleraar voedselzekerheid en ontwikkeling, ruimte komen voor verschillende landbouwmethoden. ‘We kunnen niet blijven slepen met soja.’

Borras: “Sinds de jaren ’70 is in relatieve termen het aantal hongerigen gedaald: van zo’n 26 procent in de jaren ’70 naar ruim 13 procent in 2008. Goed nieuws dus. Maar die trend is in 2007 deels gekeerd: door de prijsstijging van 2007 en 2008 zijn er ruim honderd miljoen hongerigen bij gekomen. Dat is niet omdat er minder voedsel is. Meer voedsel produceren lost het hongerprobleem niet op. Van oudsher is de beste manier om honger te be strijden mensen land en banen te bieden.

Er zijn al goede resultaten behaald met maatregelen op het gebied van sociale zekerheid. In Brazilië heeft het ontwikkelingsprogramma Bolsa Familia het aantal mensen met honger drastisch omlaag gebracht. In India heeft het Right to Food-principe daarvoor gezorgd en in Zuid-Afrika de Income Guarantee. Dit zijn allemaal kleine geldtransacties die gezinnen in staat stellen eten te kopen.

Het systeem in de rijke landen is gebaseerd op het principe dat er volop voedsel moet zijn voor de werkende bevolking, the working class, en dat het goedkoop, veel en energierijk moet zijn. Dat systeem heeft gezorgd voor een miljard mensen met overvoeding. Tegenover de miljard hongerigen schetst dat de contouren van een pervers systeem. Dat wordt nog schrijnender als we weten dat een flink deel van het voedsel wordt verwerkt tot biobrandstof. De VS besloten in 2007 om 10 procent van de maïsproductie te bestemmen voor ethanol. Samen met de beslissing van de EU, waardoor het verplicht werd biobrandstof te mengen met benzine, droeg dat bij aan een prijsexplosie met de genoemde honderd miljoen extra mensen met honger tot gevolg.”

Honger is dus een verdelingskwestie.
“Niet helemaal. Techniek blijft een vitale factor. Genoeg eten produceren in 2050 wordt een uitdaging. We hebben nu wereldwijd zo’n 1,5 miljard hectare landbouwgrond. Volgens sommigen kunnen we dit verdubbelen. De vraag is ten eerste of dit echt kan. En daarna: wat gaan we op die extra grond doen? Veel landbouwdeskundigen zeggen: grootschalige monoculturen invoeren, zoals de teelt van soja in Brazilië en maïs in de VS. Het probleem is echter dat deze systemen meer machines dan menselijke arbeid inschakelen. Dat leidt dus tot vernietiging van arbeid. In samenlevingen die toch al geplaagd worden door werkoosheid is dat allesbehalve verstandig. Bovendien moeten we ons realiseren dat monoculturen honger niet hebben kun nen voorkomen. We moeten dus op zoek naar andere methoden.”


Grootschalige landbouw heeft honger niet voorkomen, maar kleinschalige landbouw ook niet. misschien zit het probleem niet in de schaalgrootte.
“Het gaat ook niet om de schaal. Ik ben geen blinde navolger van small is beautiful. Maar ik denk wel dat de industrialisatie van de landbouw op termijn onontkoombaar is. Moderne landbouw is afhankelijk van fossiele brandstof, en dat is een doodlopende weg.”


Hoezo, je kunt een tractor toch ook op zonne-energie laten rijden?
“Misschien, maar kunstmest, pesticiden en andere agrochemicals zijn gebaseerd op fossiele brandstof. En neem koeling of transport van voedsel: het gesleep met bijvoorbeeld soja om onze veestapels te voeden. Dat is allemaal niet houdbaar.” 
Wat is het alternatief? “Niet één systeem, maar ruimte voor verschillende methoden. Het kernwoord daarbij is investeringen. Momenteel hebben investeringen door bedrijven de overhand. Publieke investeringen in de landbouw zijn opgedroogd. Investeringen in kleine boeren zullen leiden tot andere vormen van landbouw en tot het opschalen van agroecologie. En neem een ontwikkeling als urbane landbouw: steeds meer stadsbewoners kiezen ervoor om dichtbij huis voedsel te verbouwen, in stadstuinen, op daken, in parken. Dat zijn lokale, gerichte oplossingen waarbij in ieder geval de problemen rond transport en koeling opgelost zijn.”

Voedsel van dichtbij, dat is een hype. Levert dit geen gevaar op voor de positie van boeren in ontwikkelingslanden? Die zien onze markten zich steeds meer sluiten.
“De lokaliseringsbeweging draagt dit gevaar in zich. Het is dus belangrijk om niet rigide te zijn. Maar als een product prima dichtbij gemaakt kan worden, dan is het onzinnig om het van tienduizend kilometer ver weg te halen.”

Lost u het probleem eens op van de consument die moet kiezen tussen boontjes uit nederland of uit Kenia.

“Dat kan ik niet. Want ik sta in de supermarkt voor hetzelfde dilemma. Komen die boontjes van kleine boeren of van grote bedrijven?"

Wat heeft u gisteravond gegeten?
“Kabeljauw. Die vis is in gevaar, dat weet ik, maar op de verpakking stond het logo van de Marine Stewardship Council, dus ik heb het erop gewaagd. Ik woon nu een aantal jaar in Nederland en ik vind het fantastisch dat mijn supermarkt steeds meer verantwoorde producten in de schappen heeft. Zonder de high class prijzen! In Canada, waar ik gewoond heb, is biologische melk drie, vier of vijf keer zo duur als gewone melk. Dat koopt natuurlijk niemand.”

Nederland ziet zichzelf als een voorloper op het gebied van landbouw, te- recht?
“Het is enorm knap hoe Nederland, met een beperkte oppervlakte en een kleine bevolking, erin is geslaagd om één van de grootste producenten te worden van landbouwproducten. Maar te gelijkertijd: als ik kijk naar de veestapel in Nederland, dat is een angstbeeld! De Nederlandse veeteelt is grotendeels afhankelijk van soja uit LatijnsAmerika en daarmee afhankelijk van fossiele brandstoffen. Het Nederlandse model is ten dode opgeschreven.”

Dat is wel het model dat we exporteren. Zelfs naar ontwikkelingslanden, als deel van de ontwikkelingshulp.
“Nogmaals: dat model is niet houdbaar. Het is niet duurzaam en, net als moderne landbouw, gebaseerd op fossiele brandstof.”

De hamvraag: zullen we genoeg eten kunnen produceren in 2050?
“Ja, dat kan, mits we een manier vinden om de landbouw te deindustrialiseren zonderde schaalgrootte te verliezen, en mits we grote verbeteringen kunnen aanbrengen in de distributie van voedsel. Maar deze maatregelen lossen de huidige problemen niet op. Er is nu paniek over de droogte in de VS, die tot ongeveer 20 procent minder oogst leidt. Ter vergelij king: toen de VS in 2007 besloten 10 procent van de maïs te reserveren voor ethanol en de EU haar biobrandstofbeleid invoerde, verdubbelden de wereldgraanprijzen. Wat gaat er gebeuren? We zien nu al dat Rusland de export van graan tegenhoudt. China is aan het buf feren. Krijgen we weer een prijsexplosie? Dat is zeker niet uit te sluiten.”

Landbouw is geopolitiek geworden.
“Dat was het allang. Volgens de Food Regime-theorie is voedselproductie ondergeschikt aan de ontwikkeling van het mondiale kapitalisme. De regels rond productie, distributie en consumptie van voedsel sluiten aan bij de geopolitieke machtsverhoudingen. Het eerste Food Regime, dat begon vanaf de Industriële Revolutie, stond sterk onder in vloed van het Britse wereldrijk. De essentie van het systeem was dat de koloniën goedkoop voedsel moesten produceren voor de nieuwe werkende klasse in Europa. Deze aanpak, met extensieve landbouw, duurde ongeveer tot de Eerste Wereldoorlog.

Het tweede Food Regime werd gedomineerd door de VS en kwam erop neer dat de VS en Europa de voedselproductie gingen beheersen en overschotten exporteerden naar de arme landen. Dat systeem, gekenmerkt door een industriele aanpak met gebruik van chemicali en, liep op z’n eind in de jaren ’70 met de oliecrisis en de liberalisatie van de wereldhandel. Nu komen er meer machtscentra op. Naast Europa en de VS zijn dat landen als Brazilië, Rusland, India, China en ZuidAfrika. Dat zijn al grote producenten en consumenten van voedsel en zij willen meer zeggenschap in het huidige Food Regime, dat daar door veel complexer is geworden.”

Landjepik in afrika speelt ook een rol.
“Absoluut. Met een paar kanttekenin gen. Het gaat bij land grabbing niet alleen om voedsel. De trend is juist de productie van snelgroeiende houtsoorten als eucalyptus en acacia, en van rubber bomen. Nog een kanttekening: land grabbing is zeker zo ingrijpend in Latijns-Amerika en Zuid-Oost Azië. In Latijns-Amerika zijn het vooral Latijns Amerikaanse bedrijven die tienduizen den hectaren transformeren tot plantages en ranches. Landjepik wordt vooral aan de Chinezen toegeschreven, ook om hen in een kwaad daglicht te zetten. Maar er zijn veel meer partijen actief.”

Toch zien we relatief weinig namen van Amerikaanse of Europese bedrijven opdoemen als land grabbers.
“Maar die zijn er wel. Alleen houden ze zich op de achtergrond. Er wordt veel land in bezit genomen om te transformeren tot olie palmplantages om in te spelen op het EU-beleid voor biobrandstof. Daarnaast is er de rol van financiers. Het geld van pensioenfondsen als het Nederlandse Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds ABP wordt deels belegd in de agrobusiness. Zo zien we de complexiteit van het systeem: het overschakelen op biobrandstof gebeurt in naam van Europese consumenten en vervolgens wordt het geld van gewone burgers belegd in palmolieplantages. Met andere woorden: land grabbers, dat zijn mensen zoals jij en ik.”

Reacties