Europese Unie ontwikkelt vooral eigen buurlanden

01-01-2004
Door: Tekst: Anne Graumans


In 1990 ging 70 procent van de Europese ontwikkelingshulp (5 miljard dollar) naar de armste landen. In 2000 was dat nog maar 38 procent, terwijl in 2002 het percentage was gestegen naar 52. Bijna de helft van de totale Europese hulp gaat dus naar midden- en zelfs hoge-inkomenslanden. Ontvangt iemand uit Zuid-Azië met een gemiddeld inkomen van 514 dollar 27 dollarcent per persoon per jaar, iemand uit Oost-Europa met een inkomen van 1.739 dollar ontvangt 7 dollar per jaar. Vergelijkingen zijn lastig, maar de DFID-notitie toont wel aan dat de prioriteiten van de Europese Unie verschoven zijn naar de directe buurlanden. Dit terwijl juist deze relatief rijke landen in aanmerking komen voor goedkope leningen.

Vooral de verplichte bijdrage van de EU-lidstaten aan het 'External Action budget' wordt slechts mondjesmaat aangewend voor armoedebestrijding. Juist bij dit budget wegen politieke en economische belangen veel zwaarder. Dure woorden maken goedkope ontwikkelingshulp lijkt het. DFID stelt in de notitie dat er een aantal cruciale momenten zijn om invloed uit te kunnen oefenen. Zo bieden de onderhandelingen over het EU-budget (financiële perspectieven) van 2007-2013 een mogelijkheid om armoedebestrijding als hoofddoelstelling stevig te verankeren in alle hulpgelden. Ook pleit DFID voor het gebruiken van objectieve criteria voor de toewijzing van hulp. Voor meer informatie en de 'Briefing Note', check www.dfid.gov.uk/news.



Reacties