Eindeloze halframpen

10-04-2007 Bron: oneworld
noodhulp – 
34_Timor2_pt2
Foto: Yasmin Kapitan            

Oelbubuk, West-Timor, maandag 8 januari, 11.30 uur.
Maria Titi, haar man Abraham Sanam en hun anderhalfjarige zoon Nikunor schuilen onder een kinderparapluutje tegen de regen. Glimlachend kijken ze toe hoe de dikke druppels neerkomen op de droge grond. Overal waar een druppel neerkomt, ploeft een piepklein stofwolkje op. De druppels blijven eventjes glanzend op de grond liggen en zijn dan ineens weg: ze worden opgenomen door de dorstige grond en laten een vochtige, donkere plek achter. De regen is welkom hier in het dorp Oelbubuk in West-Timor, een van de meest oostelijke eilanden van Indonesië.

Oelbubuk is een van de dorpen waar de organisatie Church World Service (CWS) actief is. Gefinancierd door ECHO, de noodhulpafdeling van de Europese Commissie, en door ICCO, bestrijdt CWS de ondervoeding. Dit deel van Indonesië lijdt onder ernstige droogte. Terwijl de regen gestaag neervalt is het moeilijk voor te stellen dat in de droge tijd de grond hier openbarst en de vegetatie bruin en droog is. Dat zijn de maanden dat honger aanklopt bij de bewoners op het platteland. Water is dan alleen te vinden in bronnen op soms grote afstand, en vaak zijn ook die te beperkt om de lange, droge periode te overbruggen.

Mae La, aan de Thais-Birmese grens, 18 januari, 14.45 uur

 De vicieuze cirkel
'Zoals vroeger wordt het niet meer', zegt Abraham Sanam voor zijn hut in het dorp Oelbubuk in West-Timor. 'Vroeger verbouwden we groente en jaagden we in het bos. Maar er is steeds minder bos. Overal wonen mensen. We moeten nu andere manieren vinden om in ons onderhoud te voorzien. Mais is niet genoeg. Maar voor alle gewassen hebben we water nodig. Zonder water geen goede oogst.' Sanam schetst een perfecte vicieuze cirkel: 'Het slaan van een bron kost minimaal 500 duizend roepia. Niemand hier kan dat betalen. Krediet krijgen we niet, omdat de banken weten dat de oogsten hier onbetrouwbaar zijn. Ze zijn dus niet zeker dat we het geld wel terug kunnen betalen. Maar we hebben de lening juist nodig om betrouwbare oogsten te krijgen. Dat kunnen we niet oplossen.'

Abdur Rahman, een imposante Birmese moslim, staat op een centraal plein in het Thaise vluchtelingenkamp Mae La. Op de achtergrond de groene Birmese bergen: zo dichtbij, maar voor de Abdur Rahman en de andere vluchtelingen onbereikbaar. Rahman is gevlucht uit Birma toen zijn dorp werd platgebrand en twee van zijn broers werden gedood. Vandaag worden de bouwmaterialen uitgedeeld. Ze worden geleverd door de Thailand Burma Border Consortium (TBBC), zodat de vluchtelingen hun zelfgebouwde huizen kunnen opknappen. Rahman slaat het tafereel gade. Hij is gefrustreerd, want hij heeft geen recht op bamboe of bladeren. Als nieuwkomer is hij illegaal in Mae La, want de Thaise overheid registreert geen nieuwe vluchtelingen meer. TBBC wil graag hulp bieden, maar mag alleen de geregistreerde vluchtelingen helpen. Abdur Rahman slaakt een vermoeide zucht: 'Ik slaap al een jaar bij verschillende families in dit kamp, die zo aardig zijn mij te helpen.'

Al meer dan twintig jaar lang worden etnische minderheden opgejaagd door het militaire regime van Birma. Niemand verwachtte in de jaren tachtig dat de vluchtelingen zo lang in Thailand zouden blijven, maar inmiddels weten de hulpverleners dat deze noodsituatie niet binnen afzienbare tijd is opgelost. En ook al is de Thaise regering op de rem gaan staan, de vluchtelingen blijven komen. In Mae La wonen nu al 50.000 Birmese vluchtelingen.

Scheidslijn
Iedere hulpverlener weet dat noodhulp tijdelijk is. Of zou moeten zijn. Noodhulp moet zo snel mogelijk overgaan in structurele hulp die mensen helpt op eigen benen te staan. Noodhulp en structurele ontwikkelingshulp zijn feitelijk volstrekt verschillende disciplines met eigen dynamiek, eigen gedragscodes en eigen manieren van opereren. Het zijn de 'snelle jongens' van noodhulp tegenover de meer bedachtzame mensen uit de structurele ontwikkelingshoek. Het is 'niet lullen maar poetsen' versus ownership; pragmatiek versus politiek; korte termijn versus lange termijn. De werksoorten zijn zo verschillend dat er zelfs belangrijke 'cultuurverschillen' zijn tussen noodhulporganisaties en ontwikkelingsorganisaties. Organisaties die beide disciplines onder hun dak hebben, kampen niet zelden met spanningen tussen beide afdelingen.

Maar 'in het veld' is de scheidslijn tussen beide takken van sport vaak lastiger te trekken. Wanneer noodhulp op z'n plaats is en wanneer een meer structurele aanpak de voorkeur verdient is lang niet altijd vanzelfsprekend.
 

34_1070Th19_pt2
Foto: Roel Burgler    

De Birmese vluchtelingenkampen in Thailand, Mae La en Umpiem Mai, doen meer denken aan pittoreske dorpen dan aan tijdelijke noodopvang. Ook de organisatie in de kampen lijkt allesbehalve provisorisch. Een kampcomité fungeert als bestuur en behartigt de belangen van de bewoners, kinderen gaan dagelijks naar school, waar les gegeven wordt door andere vluchtelingen, en bewoners geven hun huizen - die niet berekend waren op een lange woonduur - een opknapbeurt. De Engelse Sally Thompson coördineert de hulp van TBBC vanuit Bangkok. Ze werkt al vijftien jaar voor TBBC. 'In het begin wilde de Thaise overheid zo min mogelijk ruchtbaarheid geven aan de kampen', zegt Thompson. 'De hulp moest zo onopvallend mogelijk worden verstrekt, uit angst dat er meer vluchtelingen zouden komen. Dat veranderde toen de kampen werden aangevallen door het Birmese leger. Nu zijn de vluchtelingen officieel geregistreerd en worden ze beschermd door UNHCR.'

De vrees van de Thaise overheid bleek gegrond, want van 10.000 vluchtelingen in 1984 groeiden de kampen naar het huidige aantal van ongeveer 163.000 vluchtelingen. De situatie in Birma geeft weinig hoop dat de groei van de kampen zal stoppen, laat staan dat de vluchtelingen weer naar huis kunnen. De Birmese vluchtelingenkampen zijn een tijdelijke noodoplossing zonder uitzicht op een eind.

Trots
Zowel in Thailand als in West-Timor verstrekt ECHO noodhulp in een situatie waar eigenlijk ook structurele hulp op z'n plaats zou zijn: in Thailand is alleen noodhulp mogelijk omdat de politieke situatie het niet toestaat om de Birmese vluchtelingen te beschouwen als een permanente factor, in West-Timor omdat de problemen daar in feite een permanente sluimerende crisis zijn.
 

Birmese vluchtelingen in Thailand Vluchtelingenaantal Birmezen in kampen in grensgebied Thailand/Birma (aantallen TBBC):
1984 9.500
1988 19.500
1992 66.000
1996 101.000
2000 128.000
2006 163.000

Carlos Afonso, vertegenwoordiger van ECHO in Indonesië: 'In 2005 hebben we een onderzoek gefinancierd naar de voedselsituatie in West-Timor. Bleek dat er weliswaar geen sprake was van een humanitaire crisis, maar wel van acute voedselonzekerheid en hoge percentages van ondervoeding. Het was eigenlijk een ramp die op doorbreken stond. Daarom hebben we indertijd besloten dat het toch goed zou zijn om het project te steunen.'

ECHO heeft het afgelopen jaar het project van CWS gesteund met een bedrag van een half miljoen euro. Noodhulpgeld, en daar wringt de schoen. Want ja, West-Timor is in nood, maar het is eerder net zozeer een structureel probleem als een acute situatie. En ECHO heeft dan ook al aangekondigd dat de financiering halverwege dit jaar zal worden gestopt. Niet dat het geen succes is geweest. Iedereen die er is geweest beaamt dat het geld goed is besteed. De gezondheidswerkers, de betrokken moeders, de vertegenwoordigers van CWS én de dorpshoofden van de gemeenschappen waar CWS actief is, glimmen van trots over de voortgang van het project. Maar bij noodhulp stel je je iets anders voor dan de tanige maar tevreden gezichten van de mensen in West-Timor.
 

Hulp TBBC
Per maand krijgt een vluchteling: 15 kilo rijst, 1 kilo gele bonen, 1 kilo Asiamix (meel met essentiële vitamines), 750 gram vispasta, 1 liter olie, 125 gram gedroogde chili's, 330 gram zout en 250 gram suiker.

Indonesië heeft de nodige rampen te verwerken gehad, de laatste jaren. De tsunami en anderhalf jaar later de aardbeving bij Yogyakarta op Java. Het eilandenrijk ligt nu eenmaal in een seismologische 'natte droom'. Voor ECHO betekent dit dat het lastig is om Indonesië te verlaten. Carlos Afonso vertelt: 'Een jaar na de tsunami waren we van plan weg te gaan, maar toen kwam Java en moesten we besluiten toch maar weer te blijven.' Nu is het genoeg. ECHO is bezig de koffers te pakken, want al blijven de problemen van watertekort en voedselonzekerheid bestaan, de missie van ECHO ligt op een ander terrein. 'ECHO is er alleen voor noodhulp, voor structurele hulp moeten mensen elders zijn', stelt Carlos Afonso. De stempel van noodhulporganisatie maakt dat ECHO niet kán blijven in West-Timor.

Portefeuilles
Het zijn juist 'halframpen' als het vluchtelingenprobleem in Thailand/Birma en sluimerende crises als in West-Timor die makkelijk tussen wal en schip belanden, waarbij de wal structurele hulp is en het schip de noodhulp. Het wreekt zich bij ECHO dat er eigenlijk geen follow-up zit ingebakken in de noodhulp die zij biedt. Er is geen makkelijke overstapmogelijkheid voor organisaties of projecten die ECHO 'ontgroeien' en behoefte hebben aan een donor die structurele ontwikkeling kan financieren. Ontwikkelingsorganisaties zijn zich bewust van de noodzaak om noodhulp en structurele hulp op elkaar te laten aansluiten. Maar het is allesbehalve een automatisme dat organisaties een activiteit die niet goed meer binnen de portefeuille past, overdragen naar een andere organisatie.

Volgens Vincent Surma, medewerker van CWS in West-Timor, zouden donoren de scheidslijn tussen noodhulp en structurele hulp minder scherp moeten trekken. 'Ik vind dat de uitdaging in West-Timor juist is dat we de noodhulp zo vormgeven dat het eigenlijk vanzelf overgaat in structurele ontwikkelingshulp. In plaats daarvan hebben we, om fondsen bij ECHO te krijgen, veel nadruk gelegd op noodvoeding, vooral voor kleine kinderen en moeders met jonge kinderen. De programma's om de lokale landbouw te versterken staan ten dienste van de voedselzekerheid van deze doelgroep. Ik vind dat we ambitieuzer moeten zijn. De ontwikkeling moet voorop staan, de voedselzekerheid volgt daaruit.'

In feite pleit Surma voor een flexibele aanpak waarbij donoren zo nodig makkelijk heen en weer bewegen tussen een aanpak die meer op noodhulp is gericht en een die meer op structurele hulp is gericht. CWS bijvoorbeeld legt zich zowel toe op het verstrekken van voedselhulp als het verbeteren van de landbouw. Maar vooral internationale donoren eisen een systematische scheiding tussen beide werksoorten.

Winkeltjes
De noodsituatie van de Birmese vluchtelingen duurt al 23 jaar. Met de noodhulp worden zij gedwongen tot afhankelijkheid en passiviteit. Hierdoor staat het leven van vele vluchtelingen in de wacht. Omdat de Thaise overheid de tijdelijkheid van de kampen wil benadrukken, zijn de hulporganisaties gedwongen zich te beperken tot noodhulp.
 

Van het vluchtelingenkamp naar Nederland?
Saw Kaw Moo (21 jaar) werkt in vluchtelingenkamp Umpiem Mai als vrijwilliger bij de jongerenorganisatie van de Karen. Hij is als vluchteling geboren en kent geen ander leven dan in het kamp. 'Ik voel me opgesloten als een crimineel met totaal geen uitzicht op vrijlating.' Dat weerhoudt Saw Kaw Moo er niet van te dromen over zijn toekomst: 'Ik wil president worden van mijn volk, van de Karen. Daarvoor moet ik eerst naar Amerika om bijvoorbeeld management te studeren. Maar daarna kom ik terug om het leven van mijn volk te verbeteren.'

De droom van Saw Kaw Moo is niet geheel onbereikbaar. Een aantal landen, waaronder Nederland, heeft toegezegd vluchtelingen uit de kampen op te nemen. Veel vluchtelingen willen graag het kamp verlaten. Veldcoördinator Chris Clifford van TBBC vertelt dat het onrust heeft veroorzaakt. 'Niet alleen raken families in ingewikkelde discussies verwikkeld over wel of niet gaan, maar ook vertrekken vooral de beter opgeleide vluchtelingen die belangrijke taken vervullen in het kamp: het bekende braindrain-effect.' Clifford van TBBC ziet dat er voor alle vluchtelingen die naar 'een derde land' verhuizen nog meer vluchtelingen naar het kamp toekomen, door de aantrekkingskracht van een betere toekomst in een rijk land. 'Het is dweilen met de kraan open.'

Chris Clifford van TBBC vertelt waarom het logisch is dat de Thaise overheid de Birmezen niet met open armen ontvangt: 'De afgelopen decennia heeft Thailand vele vluchtelingenstromen moeten opvangen. Uit Laos, Cambodja en Vietnam kwamen ze naar Thailand. De Thaise overheid is bang dat het vluchtelingenaantal uit Birma alleen nog maar zal groeien als ze niet op de rem gaan staan.' De kampen zitten overvol. Het is een van de redenen dat de Thaise overheid het vluchtelingenverdrag van de VN niet heeft ondertekend.

Chris Clifford loopt bij een werkbezoek door Mae La, het grootste vluchtelingenkamp aan deze grens. Clifford: 'De vluchtelingen mogen niets verbouwen of op een andere wijze in hun eigen levensonderhoud voorzien. Ze proberen af en toe te werken buiten het kamp, maar daarvoor is toestemming nodig van de Thaise kampautoriteit.' Hij wijst naar een Thaise kampcommandant die in een kantoortje bij de ingang zit. Clifford: 'De vluchtelingen zijn totaal afhankelijk van de hulp, al proberen velen iets bij te verdienen.'

Wandelend door het kamp wordt de inventiviteit van de inwoners duidelijk. Met kleine groentetuintjes, wat kippen of een klein winkeltje proberen de Birmesen hun hoofd boven water te houden. In een van de winkeltjes in een klein winkelstraatje verkoopt de 21-jarige Daw Khen Ma Wim allerlei praktische spulletjes als batterijen, speldjes, slotjes en scharen. Samen met haar moeder zit ze te kijken naar de voorbijgangers, die haar winkel helaas zelden binnengaan. Daw Khen Ma Wim: 'Deze goederen zijn van Thaise handelaars. Die brengen ze hier, zodat wij ze kunnen verkopen. We mogen een klein beetje winst maken op de producten, zodat we wat extra's kunnen verdienen. Per dag verdienen we ongeveer 15 baht (33 eurocent). Als ik spaar kan ik van dat geld kleding kopen en wat groente om ons voedselpakket wat aan te vullen.'

Als de Thaise autoriteit langskomt, sluiten de winkels. Het is de vluchtelingen immers verboden te werken binnen de Thaise grenzen. De vluchtelingen verdienen misschien hier en daar wel wat bij, maar échte banen zijn er in de kampen niet. Tot 2001 werden beroepsopleidingen door de Thaise overheid verboden, omdat ze die bedreigend vonden voor de lokale bevolking in de omgeving van de kampen. Inmiddels volgen bijna alle kinderen onderwijs, maar op een beperkt niveau en zonder perspectief. Een toekomst opbouwen is in de kampen nagenoeg onmogelijk (zie kader 'Van het vluchtelingenkamp naar Nederland?').

Vier punten
De bewoners van Oelbubuk in West-Timor zouden graag op eigen benen willen staan. Het zijn boeren die eigenlijk niets willen weten van voedselhulp. Kepala Desa (dorpshoofd) Jonas Na'u heeft nagedacht over de soort hulp die zijn gemeenschap nodig heeft. Niks voedselhulp. Hij heeft zijn ideeën in schoonschrift op een velletje ruitjespapier geschreven. Genummerd maar liefst. In de toekomst wil hij voor zijn dorp graag: '1. vijvers waarin de dorpelingen vis kunnen kweken, 2. een kippenfarm, 3. watervoorziening, 4. een middelbare school.' Zo, dat is gezegd. Of de journalist het maar op wil schrijven.

Probleem voor Jonas Na'u en zijn mededorpelingen is echter dat donoren slechts korte tijd bereid zijn in West-Timor te blijven. Het vertrek van ECHO is zeer tot ongenoegen van Jonas Na'u. 'We wisten dat de hulp maar voor één jaar was, maar het werk is nog niet klaar. Er zijn hier meer hulporganisaties geweest, maar ze vertrekken allemaal na korte tijd.'

Volgens ECHO is het wel verantwoord om de financiering te stoppen. Carlos Afonso: 'Dankzij het project hebben mensen meer capaciteit gekregen om voor zichzelf te zorgen. Verder is het aan de overheid om bij te springen. Indonesië kent een grote economische groei, dat maakt het mogelijk dat het land zelf dingen gaat oppakken.' Afonso heeft natuurlijk een punt. Waarom zou de internationale gemeenschap booming landen als Indonesië en Thailand moeten helpen?

Jojo-effect
Het hoofd van het lokale planning office van de districtsoverheid in West-Timor, Yaan Tanaem, bevestigt dat de Indonesische overheid in eerste instantie verantwoordelijk is voor haar eigen bevolking. 'De voedselsituatie in West-Timor is ernstig en de overheid trekt zich dat zeker aan. Maar op korte termijn zijn onze mogelijkheden beperkt. We kampen met een gebrek aan capaciteit en middelen. Ja, onze economie groeit snel, maar dat komt door enkele lokale sectoren in de grote steden. Het budget van de overheid groeit veel minder snel.'
 

Honger in West-Timor
De organisatie CWS voert activiteiten uit in 46 dorpen in het district Nusa Tenggara Timur in West-Timor. Een onderzoek bracht in 2005 aan het licht dat in dit district ruim tweeduizend kinderen te kampen hadden met min of meer ernstige vormen van ondervoeding. Acht kinderen waren recentelijk overleden als gevolg van ondervoeding.

De hulp van CWS bestaat onder andere uit therapeutische voeding voor zuigelingen, extra voeding voor de moeders en het opzetten van plaatselijke gezondheidsposten die mede functioneren als consultatiebureaus. Daarnaast krijgen boeren mogelijkheden aangereikt om naast het traditionele mais ook andere producten te telen en zijn er gemeenschappelijke tuinen ingericht waar mensen groente kunnen verbouwen.

Het gevolg van het snelle wegtrekken van donoren is een jojo-beweging. Na een korte periode van noodhulp is de situatie zodanig verbeterd dat noodhulporganisaties zich niet geroepen voelen om te blijven. Maar intussen is de structurele situatie niet verbeterd en is het een kwestie van tijd tot het gebied weer (gedeeltelijk) wegzakt in een crisis, waarna al snel een nieuwe noodhulporganisatie zich aandient en het proces weer van voren af aan begint.

Yaan Tanaem bevestigt dit proces: 'We willen graag samenwerken met donoren om gezamenlijk de problemen op te lossen', zegt Tanaem. Een groot probleem, vervolgt hij, is dat donoren te kort blijven om werkelijk verschil te kunnen maken. Voor Tanaem is het erg lastig een echte langetermijnplanning te maken als belangrijke stakeholders in het proces - namelijk de buitenlandse donoren - hun aanwezigheid tot een paar jaar beperken. 'Vóór CWS was CARE actief in het gebied. Die zijn weg. De Duitse organisatie GTZ is betrokken bij watervoorziening. Die vertrekken dit jaar. Nu zijn we in gesprek met het World Food Program, maar voor hoe lang, dat weten we niet. En of CWS hier in volle omvang actief zal blijven, hangt ervan af of zich een nieuwe donor aanbiedt, maar het ziet er niet gunstig uit.'

Het probleem bij noodhulp is volgens Tanaem dat donoren slechts geïnteresseerd zijn tót het volgende noodgebied zich aandient: 'Een gebied als West-Timor wordt dan makkelijk vergeten, want de nood hier doet het niet zo goed op tv.'

Oogst
Om de kloof tussen noodhulp en structurele hulp te dichten wordt de noodhulp soms met een structureel sausje opgediend. Zo vindt TBBC het heel belangrijk om, waar mogelijk, de noodhulp te verbreden naar duurzame hulp. Daarnaast hoopt TBBC dat de leden van dit consortium, waaronder de Nederlandse clubs ICCO en ZOA, zich inzetten voor de lobby voor politieke veranderingen in Birma. Want dat zal uiteindelijk de enige duurzame manier zijn om op de lange termijn de problemen van de vluchtelingen op te lossen.

Ook het CWS-programma heeft in West-Timor een duurzamer effect gehad, dan alleen noodvoeding voor zuigelingen. Vanuit het doel de voeding van kleine kinderen te verbeteren, hebben de boeren hulp gekregen om hun landbouwmethodes te verbeteren. In veel van de dorpen zijn gemeenschappelijke tuinen opgezet waar nu gewassen als worteltjes, spinazie en bonen beginnen te groeien. Het zijn hoognodige voedingsstoffen voor de kinderen, maar er is hoop dat te zijner tijd ook een deel van de oogst verkocht kan worden op de lokale markt, zodat ooit een echte ontwikkeling van de grond kan komen.

Op zijn kantoor in Mae Sot zit Chris Clifford, veldcoördinator van TBBC, puffend van de hitte achter de logistieke cijfers. 'Hoeveel bamboe is er als bouwmateriaal uitgedeeld deze maand?' vraagt hij aan de veldassistenten die dagelijks in de kampen aanwezig zijn. Clifford vertelt dat je vanwege de beperkingen van de Thaise regering creatief moet zijn om binnen de marge van noodhulp de hulp toch een duurzaam tintje te geven. TBBC richt zich daarom op zelfredzaamheid. 'We willen zoveel mogelijk de zelfstandigheid en eigenwaarde van de vluchtelingen stimuleren,' vertelt hij, 'om te voorkomen dat vluchtelingen totaal afhankelijk en passief worden gemaakt.'

Clifford is erg trots op het model van TBBC: 'Wij hebben een heel uniek participatief model, waarbij alles door de gemeenschappen zelf wordt georganiseerd. Dat in tegenstelling tot de top down-benadering van bijvoorbeeld de Verenigde Naties. De vluchtelingen hebben hun eigen bestuurstructuren meegenomen uit Birma. Wij brengen alleen het voedsel en de bouwmaterialen, kijken naar de verzoeken van de comités en kijken wat er mogelijk is. De rest doen zij zelf.' De vluchtelingen bespreken in de comités wat zij zelf van belang vinden en kaarten dit aan bij de aanwezige ontwikkelingsorganisaties. Door een eigen bestuur te stimuleren, richt de hulp zich niet alleen op het lenigen van de nood, maar ook op meer structurele zaken als capaciteitsversterking. En op deze wijze ligt de ownership van de noodhulp voor een deel in handen van de vluchtelingen zelf, wat normaliter een kenmerk is van structurele hulp.

Voor ECHO is noodhulp zonder duidelijk einde geen reden om van strategie te veranderen. Sinds 1992 is ECHO - via ICCO & Kerk in Actie - de grootste donor van TBBC. En deze steun zal zeker nog niet worden stopgezet. Dat zou ook geen eenvoudige stap zijn, want de Birmesen in Thailand zijn geheel afhankelijk van internationale noodhulp. Thailand neemt immers geen verantwoordelijkheid voor de humanitaire zorg. De financiering stoppen lijkt voor ECHO dan ook geen optie. Alastair Punch van ECHO laat vanuit het regionale kantoor in Bangkok weten: 'Dit is een langdurige humanitaire crisis. Dat komt vaker voor in de wereld. Wij zijn een noodhulporganisatie, maar dit blijft ook noodhulp. Ook al is hier interventie nodig over een langere periode. Wij gaan niet weg, omdat deze crisis lang duurt.'

 

Roeland Muskens

Roeland Muskens is schrijver en onderzoeker.

Lees meer van deze auteur >

Reacties