Dumpen gentech voedselhulp in Zuidelijk Afrika onethisch

07-08-2002
Door: OneWorld Redactie

Regien van der Sijp, Hivos directeur programma’s & projecten, reageert mede namens het Hivos regiokantoor in Harare (Zimbabwe) als volgt “Om een door hongersnood getroffen land op deze manier te dwingen genetische modificatie te accepteren is ronduit onethisch. Het recht op keuzevrijheid, voedselveiligheid en het recht om op een verantwoorde manier om te gaan met biodiversiteit wordt hun hiermee ontzegd. De verontwaardiging is groot, maar de ellende van de hongersnood neemt snel toe. Zimbabwe had nooit tot deze keuze gedwongen mogen worden.” Het recht van een land om zijn eigen biodiversiteit te beschermen is overigens ook internationaal vastgelegd in de Convention on Biological Diversity (CBD onder de VN) met het zogenoemde voorzorgprincipe.

Hivos pleit voor duidelijke internationale afspraken. Voedselhulp moet bij voorkeur gegeven worden in de vorm van financiële bijdragen zodat een land zelf kan besluiten wat en waar het inkoopt. Ontwikkelingslanden moeten het recht hebben om genetisch gemodificeerde voedselhulp te kunnen weigeren. Ook moeten zij dit te allen tijde in kunnen ruilen voor niet genetisch gemodificeerde voedselhulp. Daarnaast moeten ontwikkelingslanden goed geïnformeerd worden over de aanwezigheid van genetisch gemodificeerde producten en de mogelijke consequenties hiervan. USAID, WFP en andere hulporganisaties kunnen gemakkelijk gentechvrije voedselhulp aankopen, bijvoorbeeld uit een land als India. Een probleem van genetisch gemodificeerde voedselhulp aan gentech vrije landen, is dat de getroffen boeren, die vaak hun zaaigoed al hebben opgegeten, een deel van de voedselhulp bewaren als zaaigoed voor het volgende jaar. Daarmee is het land niet meer vrij van GMO’s (genetically modified organism). Met het verliezen van de GMO vrije status verliest het betreffende land een belangrijk deel van zijn exportmarkt, waaronder de EU. Amerikaanse boeren hebben moeite om hun genetisch gemodificeerde gewassen op de internationale markt aan de man te brengen. Vanwege de lage maïsprijs betaalt de Amerikaanse overheid hun boeren subsidies, die kunnen oplopen tot 40% bovenop de marktprijs. Deze zwaar gesubsidieerde Amerikaanse genetisch gemodificeerde landbouwoverschotten worden uitgedeeld als voedselhulp of geëxporteerd naar minder ontwikkelde landen, zoals Mexico, waar deze de lokale landbouw ernstig schaden. Dat Amerikaanse commerciële belangen een rol spelen in de voedselhulppolitiek, wordt in veel ontwikkelingslanden sterk gevoeld. Er zijn meerdere manieren waarop (ontwikkelings)landen die genetisch gemodificeerde producten willen weigeren, toch gedwongen worden deze te accepteren. Onaangekondigde verspreiding van GMO’s door middel van voedselhulp en het hiermee bewerkstelligen van een voldongen feit is één manier. Dit is recentelijk ook gebeurd met genetisch vervuilde voedselhulp aan Nicaragua. In voedselhulp aan Bolivia werd in juni dit jaar zelfs een maïssoort gevonden die niet goedgekeurd is voor menselijke consumptie. Kroatië heeft onder druk van de VS en met dreiging van WTO sancties haar kritische beleid moeten omzetten in een soepeler beleid. Illegale verspreiding vormt bijvoorbeeld in Brazilië een groot probleem. In Mexico, het land waar maïs van origine vandaan komt, is de maïs vervuild geraakt met GMO’s. Dit heeft waarschijnlijk kunnen gebeuren doordat de VS via de NAFTA ongelabelde importen hebben afgedwongen die als zaaigoed zijn gebruikt. En dat terwijl het land sinds 1998 een moratorium heeft ingesteld op transgene maïs.

Reacties