Draagvlak staat samenwerking op charimarkt in de weg

01-09-2005
Door: Tekst: Ad Bijma, Directeur COS Nederland


Het marktdenken grijpt steeds verder om zich heen en dringt door tot in alle sectoren van de samenleving. Ook in de internationale samenwerking. Nu het besluit is genomen dat organisaties binnen het MFS-beleidskader door een eigen financiële bijdrage van 25 procent hun draagvlak in de Nederlandse samenleving moeten aantonen, zal de concurrentieslag op de Nederlandse charimarkt in volle hevigheid losbarsten. Dit is géén goede conditie voor het stimuleren van echte samenwerking.

Onlangs is het ministerie van Buitenlandse Zaken gestart met de voorbereiding van een beleidskader 'Draagvlak voor IS'. Dit moet al op korte termijn kunnen dienen als (voorlopige) toets voor de beoordeling van draagvlakactiviteiten van organisaties die binnen het MFS-kader vallen. Inmiddels zijn er gegevens aangeleverd door het draagvlakonderzoek van Context, de evaluatie van de Front-offices en (later) de evaluatie van het VMDO-programma.

Het is belangrijk dat er zo'n beleidskader komt. COS Nederland heeft daar ook sterk op aangedrongen. Het ontbreken ervan heeft immers geleid tot een volstrekt gebrek aan afstemming op het gebied van draagvlak. En dat terwijl alle partijen, inclusief de overheid, draagvlak voor internationale samenwerking als wezenlijk onderdeel zien van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid.

Maar wat wordt de inhoud van dit nieuwe beleidskader? Hoe groot is de kans dat het ministerie samenwerking predikt en tegelijkertijd concurrentie introduceert als ordenend principe voor de draagvlakmarkt? Als dat gebeurt, werkt het niet. De belangrijkste voorwaarden voor echte marktwerking ontbreken immers. Het leidt tot een situatie waarin organisaties bóven tafel in een aantal gevallen wel zullen - of moeten - samenwerken, maar elkaar tegelijkertijd ónder tafel blauwe schenen bezorgen.

Er is één belangrijk alternatief beleidsinstrument en dat is: regie! Een duidelijke regisseursrol van het ministerie van Buitenlandse Zaken in combinatie met een kwaliteitstoets kan al wonderen doen. Dit zijn de mogelijke uitgangspunten voor zo'n regiefunctie, met gebruikmaking van de vier elementen van draagvlak (kennis, opinie, houding en gedrag):

  • Er moeten duidelijke afspraken komen over de aard van het draagvlakwerk zoals dat wordt uitgevoerd door de NCDO en door particuliere ontwikkelingsorganisaties die binnen het MFS-beleidskader opereren.
  • De NCDO is de onafhankelijke en publieke nationale draagvlakorganisatie die het voortouw neemt en andere organisaties faciliteert rond een aantal thema's, met name op het niveau van kennis en houding.
  • MFO's en TMF-organisaties blijven in hun draagvlakwerk (te onderscheiden van de promotionele activiteiten voor de eigen organisatie in verband met de 25%-regeling) dicht bij hun kernactiviteit: ontwikkelingssamenwerking in de praktijk en (inter)nationale lobby gericht op beleidsbeïnvloeding van (inter)nationale organisaties. Dat betekent onder meer: informatie verstrekken over de praktijk van ontwikkelingssamenwerking, uitwisselingsmogelijkheden creëren en campagnes organiseren gericht op (inter)nationale organisaties zoals de WTO.
  • De NCDO en de particuliere ontwikkelingsorganisaties maken per beleidstermijn concrete afspraken over de aard en de inhoud van de samenwerking. Dat zou een taak kunnen zijn voor de brancheorganisatie Partos, als die daar klaar voor is, maar kan desnoods ook plaatsvinden onder het toeziend oog van het ministerie.
  • Draagvlakorganisaties, zoals Oikos en COS Nederland, zorgen niet alleen voor een goede onderlinge afstemming, maar ook voor aansluiting van programma's bij de NCDO, MFO's en TMF-organisaties.
  • Op regionale schaal opereren organisaties, waaronder vooral COS Nederland, met een breed vertakt netwerk in alle regio's. Op dit niveau wordt het gezamenlijke Linkis-programma ingezet als belangrijk instrument voor draagvlakontwikkeling, en de kennis en deskundigheid van de NCDO, MFO's en TMF gebruikt om het draagvlak voor internationale samenwerking te versterken en te verbreden. Deels op het niveau van kennis en houding, maar voor een belangrijk deel ook op het niveau van opinie en gedrag, zeker als het verbreding van het draagvlak betreft. Dat vraagt om een andere, vaak meer procesgerichte benadering voor specifieke doelgroepen. Bijvoorbeeld als het gaat om introductie van maatschappelijk verantwoord ondernemen bij het MKB in de regio, of de ontwikkeling van het klimaatbeleid in een gemeente.
  • Op lokaal niveau speelt het brede netwerk van wereldwinkels een rol, evenals de steeds groter wordende groep particuliere initiatieven die kleinschalige projecten in ontwikkelingslanden ondersteunt.

Naast deze zo belangrijke regiefunctie van de overheid moet er uiteraard een kwaliteitstoets plaatsvinden. Dit kan een globale toets zijn. Het ontwikkelen van draagvlak voor internationale samenwerking is immers slechts in beperkte mate te vatten in termen van concrete producten en meetbare effecten. Niet voor niets schreef de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid vorig jaar in een rapport over diverse beleidsterreinen, waaronder het welzijnswerk, dat met name voor politiek-normatieve projecten ruimte moet worden geboden. Draagvlakontwikkeling komt vaak in directe interactie met doelgroepen tot stand en is procesmatig van aard. Wel moeten uiteraard ook IS-organisaties zich verantwoorden. Maar dan vooral in termen van publieksbereik, positie in netwerken en kwaliteit van de dienstverlening, naast concrete projectresultaten.



Reacties