Donateurs het bos in

02-05-2011
Door: Marusja Aangeenbrug
Bron: OneWorld
collecte
Nieuws – 

In tijden van bezuinigingen moeten hulporganisaties extra leunen op hun donateurs. Geld geven willen we best, de vraag is aan wie. Wil je een kind naar school helpen of een boer van een geit voorzien? En dan, hoe weet je bij welke club je maandelijkse tientje het meeste rendement oplevert? De Goede Doelen Monitor lijkt een gouden greep voor de verdwaalde donateur, maar vergelijken is zo makkelijk nog niet.

Economische recessie, ongezouten kritiek op ontwikkelingssamenwerking en een gênante discussie over hoge directeurssalarissen – je zou verwachten dat de Nederlander zijn hand voortaan op de knip houdt. Maar dat is niet het geval. Hij geeft nog steeds gul. Uit cijfers van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) blijkt dat bij ontwikkelingsorganisaties de ‘baten uit eigen fondswerving’ (zoals collectes, mailingacties, erfenissen, donaties en acties) blijven stijgen. Ging het in het jaar 2000 nog om 886 miljoen euro, in 2008 was dat 1,32 miljard euro. In het boekje Donateursvertrouwen constateert marketingbureau WWAV dat het vertrouwen van donateurs in liefdadigheidsorganisaties de laatste jaren weliswaar daalde, maar dat dat ‘niet meteen een daling van de giften aan goede doelen’ betekent. Bovendien blijkt geven aan goede doelen ‘tamelijk recessiebestendig’’.

Lastig
Feit is echter dat de Nederlandse consument steeds kritischer wordt. Het CBF laat in zijn jaarverslag 2009 zien dat het ‘nieuwe geven’ steeds vaker in de plaats komt van het traditionele ‘geven vanuit het hart’. We lezen in het jaarverslag: ‘Niet alleen moeten de instellingen een aansprekend doel hebben, zorgen voor een goed imago, integriteit, transparantie en kostenbeheersing, maar ze moeten zich ook verantwoorden over de bereikte prestaties.’
Om een goede keuze te kunnen maken, moet de donateur zich verdiepen in wat organisaties beogen en wat ze daadwerkelijk bereiken. Dat is lastig, want er zijn duizenden hulpclubs, van grote jongens als Oxfam Novib en Cordaid tot aan particuliere initiatieven van studenten die een school bouwen in Ghana. En waar vinden we betrouwbare informatie? Elke organisatie heeft wel een website, maar concrete, helder uitlegde resultaten zijn lastig te vinden. Afgelopen najaar publiceerde dagblad Trouw een top-50 van goede doelen op het gebied van gezondheidszorg, waaronder ook een groot aantal ontwikkelingsorganisaties. Hierbij was gekeken naar zaken als openheid, interne organisatie, strategie en activiteiten. De ranking was gebaseerd op een onderzoek van het Erasmus Centre for Strategic Philantropy (ECSP) van de Erasmus Universiteit Rotterdam en op data van het Centrum Informatie Goede Doelen (CIGD). De uitkomst was verrassend: de stichtingen Dark and Light en Leprazending scoorden als hoogste, terwijl een grote organisatie als de Nederlandse Hartstichting op de twintigste plaats eindigde. Na de publicatie in Trouw kreeg de Goede Doelen Monitor, de database van het CIGD, in één week tijd vijfentwintigduizend bezoekers (goededoelen.trouw.nl). Op de site kun je op land en onderwerp zoeken (bijvoorbeeld ‘ kinderen’ en ‘ Zambia’) en kijken hoe de organisaties die zich daarmee bezighouden, scoren op criteria als transparantie en activiteiten. Volgens het CIGD trekt de site wekelijks ongeveer vierduizend mensen.

Appels en peren
Zo’n top-50 lijkt een gouden greep voor de verdwaalde donateur. Maar volgens Willem Elbers en Thomas de Hoop, promovendi bij het centrum voor ontwikkelingsvraagstukken CIDIN aan de Radboud Universiteit, helpen dit soort gegevens ons niet echt verder. Elbers: “Bedrijven kun je altijd vergelijken op basis van winstmarges, maar non-profitorganisaties hebben geen universele eigenschappen. Een organisatie die onderzoek doet naar malaria is niet zomaar te vergelijken met een organisatie die waterputten slaat. Je schept verkeerde verwachtingen als je appels en peren met elkaar vergelijkt.” Het succes van een organisatie is vaak afhankelijk van veel meer factoren dan alleen de eigen inzet. “In Ghana gaan arme mensen bijvoorbeeld in eerste instantie naar een lokale genezer in plaats van het ziekenhuis”, zegt De Hoop. “De effectiviteit van een gezondheidsprogramma is dus niet alleen afhankelijk van de kwaliteit van de organisatie, maar ook van de context. En als de context zo belangrijk is, hoe wil je dan organisaties met elkaar vergelijken?”
Elbers vindt de ranglijst bovendien een symptoom van een pervers effectiviteitsdenken. “We denken vandaag de dag dat effectiviteit en efficiency het allerbelangrijkste zijn en we vragen ons voortdurend af hoe het nog sneller en effectiever kan. Het gevaar is dat het middel doel wordt. De aandacht verschuift van het doel van de organisatie naar het voldoen aan de criteria waarop die organisatie wordt afgerekend.” Ook de subsidieregeling van het ministerie van Buitenlandse Zaken, het zogenaamde medefinancieringsstelsel waarvoor ontwikkelingsorganisaties honderden pagina’s aan plannen en evaluaties moeten ophoesten, is hiervan doortrokken. Die beheersingsdrang ondermijnt het vertrouwen tussen Nederlandse ontwikkelingsorganisaties en hun partnerorganisaties in ontwikkelingslanden. “Partnerorganisaties moeten zich steeds nauwkeuriger verantwoorden. Gevolg is natuurlijk dat zij altijd een positief beeld scheppen omdat ze bang zijn anders onze financiële steun kwijt te raken.”

Charisma
We kunnen organisaties helemaal niet met elkaar vergelijken op basis van hun effectiviteit, realiseert ook Kellie Liket zich. Zij onderzoekt voor het ECSP van de Erasmus Universiteit de organisatieprocessen van non-profitorganisaties. Doel hiervan is vast te stellen welke processen een grotere kans geven op maatschappelijke impact. Als wetenschapper zou Liket organisaties zo gerankt hebben als Trouw heeft gedaan in de top-50. Ook zij benadrukt dat je gegevens over transparantie, organisatie, strategie en de aanpak van activiteiten niet klakkeloos met elkaar kunt vergelijken. “Als je al die punten op een rijtje zet, weet je nog niet hoe de resultaten daadwerkelijk zullen uitvallen. Een organisatie kan hoog scoren op allerlei terreinen, maar toch weinig bereiken omdat de directeur bijvoorbeeld geen charisma heeft. Echt vergelijken kan alleen als je twee exact dezelfde organisaties in dezelfde context hebt.”
Waarom dan toch de Goede Doelen Monitor? Liket: “De punten die wij op een rijtje zetten, geven wel aan wanneer de kans op een goede maatschappelijke prestatie groter is. Een organisatie die haar management op orde heeft, maakt bijvoorbeeld meer kans om maatschappelijke impact te hebben. Maar het blijven randvoorwaarden. Hoevéél meer impact een organisatie heeft als ze hoog scoort, daar kunnen we niets over zeggen.”

Vertrouwen
De vraag is of dit soort gegevens leidend zijn voor donateurs. Want wat doe je als potentiële geldgever wanneer je voor de keuze staat om wel of geen geld te geven? Ga je af op de vrolijke filmpjes en de aanbeveling van BN’ers? Of vraag je eerst het jaarverslag op? Check je op de website hoeveel de directeur eigenlijk verdient? Of pluis je de staat van dienst van deze organisatie op internet uit? In de praktijk speelt feitelijke kennis een heel kleine rol bij beslissingen die donateurs nemen. Vrienden die een eigen ontwikkelingsproject gestart hebben, de vlotte fondsenwerver op straat, ontroerende beelden op televisie – dát zijn vaak de doorslaggevende factoren.
In het artikel Waarom geven mensen aan goede doelen? op de website Kennislink.nl noemen de wetenschappers René Bekkers (Vrije Universiteit) en Pamala Wiepking (Erasmus Universiteit Rotterdam) zeven factoren die beïnvloeden of mensen een organisatie financieel steunen. Ten eerste moet iemand voldoende inkomen hebben. Ten tweede moet er reclame worden gemaakt voor het goede doel en er moet media-aandacht zijn op radio, tv of in de pers. Iemand geeft eerder wanneer dit wordt gevraagd door een familielid of een bekende, via een vereniging of de kerk. Het kan zijn dat mensen het signaal willen afgeven aan anderen of aan zichzelf dat ze altruïstisch zijn. Ten slotte zijn er ook personen die gewoon vertrouwen hebben in het succes van het goede doel of ouderwets de wereld willen verbeteren. De meeste factoren houden verband met de gevoelens van de gever, niet met feiten.

Grotere kans
Vertrouwen is een cruciale factor, maar het gevoel van vertrouwen is voor een groot deel gebaseerd op perceptie. Het Nederlandse publiek is in de praktijk namelijk ‘niet goed op de hoogte van de bestedingen van goede doelen’, schrijven Bekkers en Wiepking. Tegelijkertijd laten mensen zich wel eenvoudig beïnvloeden door negatieve berichten. ‘Vertrouwen komt te voet, maar gaat te paard’, constateren de onderzoekers.
Liket is overtuigd dat organisaties vertrouwen kunnen winnen door transparant te zijn over hun functioneren. Donateurs baseren hun beslissing misschien niet altijd op feitelijke informatie, maar ze verwachten volgens Liket wel verantwoording van ontwikkelingsorganisaties. De zuurverdiende gedoneerde euro moet goed terechtkomen. Het dragen van een keurmerk zoals dat van CBF schept vertrouwen. Ook een begrijpelijk jaarverslag of eerlijk toegeven dat projecten ook wel eens mislukken, kan helpen. Evaluaties zouden bovendien vaker moeten gaan over wat een organisatie kan leren. “Je ziet nu dat de nadruk teveel ligt op controleren”, zegt Elbers. “De evaluatie wordt dan een doel op zich.”
De Hoop denkt dat impactstudies, waar hij promotieonderzoek naar doet, een manier zijn om meer te weten te komen over de successen van een organisatie. “Het blijft ingewikkeld om na te gaan of een organisatie succesvol is, zelfs als alle doelen gehaald zijn. Je kunt namelijk nooit weten of die doelen ook gehaald zouden zijn als de organisatie niet bestaan zou hebben. Je kunt meer leren van impactstudies naar programma’s.” Als voorbeeld noemt hij een programma dat zoveel mogelijk kinderen op school wil krijgen. “Een organisatie kan schooluniformen uitdelen, een school bouwen of zorgen dat kinderen ontwormd worden. Uit onderzoek in Kenia blijkt dat het ontwormen 35 keer meer resultaat oplevert dan het uitdelen van schooluniformen. Als dat in meerdere landen het geval blijkt te zijn, kun je hier een les uit trekken. Dit soort gegevens zijn pas echt relevant voor organisaties en donateurs in Nederland, want zo kunnen zij beter bepalen aan wie ze hun geld moeten geven.”

Reacties