De kunst van geld uitgeven voor het milieu

01-09-2006
Door: Tekst: Bram Büscher


Heel simpel gezegd is de Global Environment Facility (GEF) een wereldwijde pot met geld voor de financiering van projecten die bijdragen aan het beschermen van het milieu. De GEF werd in 1991 opgericht om met name ontwikkelingslanden de mogelijkheid te bieden milieuprojecten te financieren en om deze landen te helpen voldoen aan bestaande verplichtingen in het kader van internationale milieuconventies, zoals die van de VN tegen verwoestijning en voor behoud van biodiversiteit. Ondertussen zijn 176 staten lid van de GEF. Van 28 tot 30 augustus kwamen hoge vertegenwoordigers van deze landen en een aantal andere belanghebbenden in Kaapstad bij elkaar om de effectiviteit en de voortgang van het GEF-initiatief te bespreken. Het belangrijkste agendapunt was: hoe besteden we de aangevulde GEF-pot zodanig dat een zo groot mogelijke impact is gegarandeerd? Een allerminst simpel discussiepunt, zo bleek.

De GEF-middelen worden elke vier jaar aangevuld. Sinds 1991 heeft de GEF in drie fasen 6,2 miljard US dollar uitgegeven aan milieuprojecten overal ter wereld. Over de precieze resultaten hiervan zijn velen het echter oneens. Dit gegeven vormde ook het grootste struikelblok tijdens de onderhandelingen over de vierde aanvulling van de GEF, die in juni 2005 begonnen. Deze onderhandelingsronde moest eigenlijk vóór 1 juli 2006 zijn afgerond, omdat GEF 4 op die datum van kracht werd. Uiteindelijk zijn de onderhandelingen pas in augustus 2006 afgerond. Toen werd duidelijk dat 32 - voornamelijk ontwikkelde - lidstaten tezamen 3,13 miljard dollar aan de GEF zouden doneren. Omdat de resultaten van de vorige rondes niet echt hard zijn te maken, moet een groot deel van de aangevulde pot nu op een andere manier worden besteed. En wel aan de hand van het nieuwe Resource Allocation Framework (RAF). Volgens een deelnemer aan de GEF-bijeenkomst brengt dit nieuwe raamwerk twee verbeteringen: een aangepaste methode om geld toe te wijzen aan landen, en een verbeterd systeem om projecten te monitoren en te evalueren. Maar met zo veel geld in kas zien natuurlijk niet alle deelnemers het RAF als een vooruitgang.

Ondoorgrondelijk

Dit zijn de twistappels in een notendop. De nieuwe RAF-allocatiemethode verloopt volgens ingewikkelde berekeningen, maar komt neer op twee punten: biodiversiteit en bestuur. De kwaliteit en de kwantiteit van de biodiversiteit, en de mate van goed bestuur bepalen de kansen van ontwikkelingslanden om GEF-geld binnen te halen. Omdat dit systeem doorgaans zal uitpakken in het voordeel van grotere ontwikkelingslanden zoals Brazilië en China (meer grondoppervlak betekent vaak ook meer biodiversiteit), hebben de kleinere landen veel kritiek op het RAF. Zo klaagden Barbados en de Malediven tijdens de bijeenkomst dat de nieuwe allocatiemethode een heel lage prioriteit zal toekennen aan zogenaamde 'Small Island Developing States' (SIDS). Een van deze kleine eilandstaten, Samoa, meende zelfs dat dit nieuwe beleid de hele milieuagenda van de SIDS kan bedreigen. Soortgelijke geluiden kwamen ook van de minst ontwikkelde landen. Zimbabwe en Guinee-Bissau zijn bijvoorbeeld beide bang dat de ingewikkelde RAF-rekenmethodes de bureaucratie zal verergeren, waardoor het voor de armste landen moeilijker wordt om geld te krijgen van de GEF.

Met betrekking tot het monitoren en evalueren van de gelden meldde Rob van den Berg, directeur van het evaluatiebureau van de GEF, dat op de aandachtsgebieden biodiversiteit en klimaatverandering wel degelijk positieve resultaten zijn geboekt, maar dat deze moeilijk hard zijn te maken. Daarom wordt er in het RAF een uitgebreidere en meer genuanceerde monitor- en evaluatiemethode geïntroduceerd. Volgens Van den Berg is het echter nog onzeker of het nieuwe systeem echt tot verbeteringen zal leiden. Veel te hoog gespannen verwachtingen helpen hier ook niet bij, meent Mark Wagner, auteur van een studie naar de effectiviteit van de GEF. Wagner concludeert in zijn verslag dat de GEF vaak te ondoorgrondelijk is en dat het voor partners lastig is om duidelijke input te leveren voor GEF-projecten. De RAF-benadering zou dit moeten verbeteren, maar aangezien het RAF slechts voor twee van de zes GEF-'focal areas' geldt, stelden enkele deelnemers aan de conferentie zichzelf de vraag of het deze rol ook daadwerkelijk kan vervullen. Ook vragen insiders zich af of de ondoorgrondelijkheid van de GEF wel valt op te lossen met nog uitgebreidere evaluatiemethodes.

Al deze discussies rondom het nieuwe financieringsallocatiemechanisme geven duidelijk aan dat de GEF voor veel landen een belangrijke pot met geld is. Maar Achim Steiner, de Executive Director van het UN Environment Programme, probeerde de GEF-miljarden te relativeren door erop te wijzen dat voor veel oliebedrijven een dergelijke som de winst is van slechts enkele weken. Daarom zijn er volgens Steiner grenzen aan wat er van de GEF verwacht kan worden. Hij vindt het dan ook heel belangrijk dat gewone mensen, zoals u en ik, blijven bouwen aan een beter milieu. Dat is natuurlijk een waarheid als een koe. Maar in de hele kakofonie rondom de GEF-allocatiemechanismen, en de monitoring- en evaluatiemethoden lijkt deze boodschap eerder een ondergesneeuwde utopie dan de basis van de door de GEF zo gewilde 'partnerschappen voor een beter milieu'.

Meer informatie via deze link.



Reacties