Naar Lesbos, Lampedusa van Griekenland - Deel 2

16-07-2015 Bron: OneWorld
‘Erger dan in de Afrikaanse vluchtelingenkampen,’ noemt men de omstandigheden voor vluchtelingen op het Griekse eiland Lesbos. Directeur Tineke Ceelen (Stichting Vluchteling) geloofde er stiekem niets van. Ze ging zelf poolshoogte nemen - en schrok. Een dagboek.
Blog – 

Dag 3 | Woensdag 1 juli: ‘Kara tepe, het camp from hell
De burgemeester van Lesbos is net zijn moeder verloren. Normaliter verdwijnt een Griek dan uit het publieke leven, tot de begrafenis voorbij is. Maar de burgervader is ten einde raad en onderbreekt zijn rouwperiode om met ons te praten. ‘It is a ticking timebomb’, vertelt hij, ‘het lont is aangestoken, de internationale gemeenschap wacht op de ontploffing’.

De man vertelt hoe hij heeft geprobeerd te voorkomen dat vluchtelingen door de stad gaan dolen.  Maar elke dag komen er méér vluchtelingen. Noch de centrale overheid, noch de internationale hulp- en VN-organisaties helpen. Eigenlijk helpt niemand. De burgemeester staat er alleen voor, zonder geld, zonder steun van de bevolking, met een handjevol vrijwilligers als Melinda.

Zijn frustratie is enorm. ‘We gaven wat we niet hadden, jullie helpen ons niet, jullie doen net alsof dit een Grieks probleem is’. De vluchtelingen zijn op weg naar west Europa. Zij hebben heel goed begrepen dat het in Griekenland niet goed toeven is, deze dagen. Ze dromen van een toekomst in Zweden, Duitsland, Engeland, en soms ook Nederland.

De burgemeester geeft ons zijn rechterhand om voor ons te vertalen, en ook zijn auto. We gaan naar Kara Tepe, een van de vluchtelingenkampen, de grootste, bekend staand als een ‘camp from hell’. De spanning in dit helse kamp is om te snijden. Direct als we uitstappen voel ik de boosheid, de frustratie van de bewoners. Tientallen, misschien wel honderden mannen drommen om ons heen, we komen steeds meer klem te staan. De een schreeuwt, de ander huilt, een volgende probeert het op de vriendelijke toer: help ons!

Een Afghaanse jongen met een Chinees uiterlijk leidt ons rond. ‘Kijk uit waar je loopt’, waarschuwt hij. Er ligt overal afval, maar ook diarree en poep. De wc’s in het kamp zijn kapot, en ruiken zo erg dat je niet eens in de buurt kunt komen. De bewoners van Kara Tepe doen dan ook hun behoeften naast de toiletten. Er zijn twee douches, voor misschien wel 2000 mensen. Hulp is er niet. Ook niet voor die doodzieke baby, net zo min als voor die hoogzwangere vrouwen die op het punt van bevallen staan. ‘There must be somebody who cares about us?’, vraagt de jongen vertwijfeld.

 

Dag 4 | Donderdag 2 juli:  Twee uurtjes blauwbekken
Klokslag 6 uur in de ochtend staan we op de afgesproken plek, in de bergen, uitkijkend op de zee. Hier komen de boten met vluchtelingen meestal aan. Of er wel eens dagen waren dat er géén boten aankwamen? Eén keer, vertelt de vrijwilliger die het op zich genomen heeft de nieuw aankomende vluchtelingen water en een banaan te geven, en de weg naar de hoofdstad te wijzen. Eén keer, de afgelopen vijf maanden.

Of er wel eens dagen waren dat er géén boten aankwamen? Eén keer, vertelt de vrijwilliger

Maar het waait hard, de golven zijn hoog. We zien de kustwacht in een hoog tempo richting Turkije varen. Een indicatie dat er boten in gevaar zijn. Later horen we dat er twee rubberboten met vluchtelingen vele kilometers verder naar het oosten aan wal gekomen zijn. Wij vertrekken na twee uurtjes blauwbekken.

In het dorp vinden we een groep Afghaanse vluchtelingen die vannacht is aangekomen. Een prachtig klein meisje heeft haar mooiste kleren aangekregen voor deze heuglijke dag. Ze draagt een maillot en zwarte schoentjes met kleine hakjes. Het is nog niet tot haar of haar ouders door gedrongen dat het gezin 70 kilometer moet gaan lopen naar de hoofdstad. De vluchtelingen zijn illegaal, ze mogen niks, en niemand mag hen helpen.

Ik besluit toch een invalide man, oude vrouw en klein kind mee te nemen. Strafbaar of niet. ‘Rij maar door als wij aangehouden worden’, roep ik mijn collega’s toe. Al na een paar kilometer slapen de drie op de achterbank. Ze moeten uitgeput zijn.

Eenmaal in de hoofdstad zoeken we een groepje Afghaanse vluchtelingen en zetten ons drietal uit de auto. Ik kijk hen na, wildvreemde landgenoten pakken het kind bij de hand, anderen dragen de koffertjes. Laat het hen goed gaan.

Tineke Ceelen

Tineke Ceelen is sinds 2003 directeur van Stichting Vluchteling. Ze is...

Lees meer van deze auteur >

Reacties