Dít leerden we van Haïti

20-01-2015 Bron: OneWorld
Getroffen ministerie Haïti 2010
Één van Haïti's getroffen ministeries in 2010. Foto: Flickr/UN Photo Logan Abassi.
Column – 

Het is deze maand vijf jaar geleden dat Haïti werd opgeschrikt door de hevige aardbeving in 2010. Een goed moment om te kijken naar de Nederlandse hulpinspanningen en wat die hebben opgeleverd.

Internationaal is een bedrag van zo’n zes miljard euro beschikbaar gesteld voor noodhulp en wederopbouw. Hiervan kwam ongeveer twee procent, 111 miljoen euro, uit Nederland. De bevolking gaf 70 miljoen euro en de overheid vermeerderde dit met 41 miljoen euro. Begin januari van dit jaar meldde Samenwerkende Hulporganisaties (SHO) dat de aangesloten organisaties al het geld hadden besteed.

Vicieuze cirkel
Van meet af aan werd de hulpverlening in Haïti geplaagd door het probleem van een niet functionerende of tegenwerkende overheid. De aardbeving had ministeries in puin gelegd en een kwart van de ambtenaren was omgekomen. Dat was in de eerste hulpfase een legitiem excuus voor het slecht functioneren van de Haïtiaanse overheid. Maar ook tijdens de wederopbouw bleef de slecht werkende overheid een probleem voor het werk van hulporganisaties in Haïti. 

Volgens sommige deskundigen, denk aan Maite Vermeulen voor de Correspondent en Linda Polman voorheen in NRC Handelsblad, zitten hulporganisaties en overheid in een vicieuze cirkel gevangen. Omdat hulporganisaties geen vertrouwen hebben in het functioneren van de overheid, doen ze hun werk parallel. Ze investeren niet in de kwaliteit van de overheid en houden zo hun eigen verhaal in stand. En dat terwijl hulporganisaties juist over het geld beschikken om overheden te versterken en de vicieuze cirkel te doorbreken.

Een vergelijkbare redenering hoorde ik ook regelmatig over Afghanistan. Omdat de hulporganisaties zorgen voor onderwijs, gezondheidszorg en water, krijgt de Afghaanse regering niet de kans om een capabele en legitieme overheid te worden in de ogen van haar burgers.

Zero-sum-game?
Op deze wijze zet je de relatie tussen overheid en hulporganisaties neer als een zero-sum game: de legitimiteit en profilering van de één gaat ten koste van de ander. Ik geloof dat je uit deze betrekkelijk heilloze tegenstelling kunt komen door twee benaderingen te omarmen.

Donoroverheden en multilaterale organisaties gebruiken nu vaak hulpresultaten om zich te profileren en hun legitimiteit als donor te onderbouwen. Daarom spoedden ook zij zich richting de concrete en zichtbare projecten. Maar daarmee laten ze hun kerntaak los om als overheid andere overheden te helpen. Hierdoor blijven die slecht functionerende overheden slecht functioneren, met hun gebrekkige legitimiteit en profilering als gevolg. Allereerst moeten we ophouden in generalistische zin over hulp te spreken en doen we er goed aan te kijken naar de taakverdeling. Zo lijkt het me niet de taak van organisaties als Cordaid of Oxfam om te investeren in de kwaliteit van de hulpontvangende overheid. Dat is de taak van donoroverheden. Zij kunnen en moeten die rol op zich nemen via hun bilaterale hulp en multilaterale organisaties zoals Unicef of de Wereldbank. Dat is geen afschuiven, maar een poging om rollen en verantwoordelijkheden te onderscheiden in het complexe veld van internationale hulp.

Niet uitvoeren, maar regelen
Daarnaast moeten we kijken naar de vraag hoe de hulpontvangende overheid en maatschappelijke organisaties zich tot elkaar verhouden. 

Overheden zijn wat mij betreft niet de uitvoerders van zorg, onderwijs en woningvoorziening, maar zij regelen het. Zij maken de regels en wetten over de beschikbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van deze sociale basisvoorzieningen. Het is een ernstige misvatting dat overheden alleen legitimiteit kunnen verwerven door de uitvoering van basisvoorzieningen op zich te nemen. Maatschappelijke organisaties (van burgers) zijn bij uitstek geschikt om zorg, onderwijs en woningvoorziening (ten behoeve van burgers) op zich te nemen.

Maatschappelijke organisaties die in een noodhulpgebied zorg, onderwijs of huizen leveren, zijn dus verantwoording schuldig aan de overheid en houden omgekeerd de overheid verantwoordelijk voor het regelen van die basisvoorzieningen: de beschikbaarheid, kwaliteit en toegankelijkheid ervan.Sterker nog, als overheden zowel de regelfunctie als de uitvoeringsfunctie op zich nemen, liggen problemen als dubbele petten en belangenverstrengeling voor het oprapen. Er is dus veel reden om die taken, de regelfunctie en de uitvoeringsfunctie, juist te scheiden en te zorgen voor goede checks and balances.

Kortom, slecht functionerende overheden zijn een grote belemmering bij de hulpverlening na rampen in fragiele staten. Maar de relatie tussen overheden en hulporganisaties voorstellen als een zero-sum game brengt de oplossing niet dichterbij.

René Grotenhuis

René Grotenhuis was tien jaar directeur van ontwikkelingsorganisatie Cordaid....

Lees meer van deze auteur >

Reacties