Concurrentie of complementariteit?

02-08-2007
Door: Maerten C.G. Verstegen, arts

Dat de grote goede-doelen-organisaties niet altijd enthousiast reageren was te verwachten. Sommige spreken van wildgroei en vinden die ontwikkeling zorgelijk. OS is een vak en daar moeten 'leken' zich niet mee bemoeien, vinden ze. Op zich een, vanuit hun optiek, nog wel te begrijpen reactie, maar of die terecht is, is de vraag. Er is door allerlei incidenten bij het publiek een wantrouwen ontstaan jegens de gevestigde orde. Denk maar eens aan de discussies over de besteding van het enorme bedrag dat bijeen werd gebracht na de tsunami-ramp van enkele jaren geleden? Denk maar eens aan de perikelen rond Foster Parents Plan. Denk maar eens aan de ophef over de salarissen van directeuren van sommige Goede Doelen. Voeg dat bij het feit dat particulieren steeds meer reizen en in direct contact komen met noodsituaties die weinig of geen aandacht krijgen via de bestaande kanalen, en de verklaring voor de groei van het aantal 'doe-het-zelvers' is gegeven.

De overheid is daar bepaald niet ongelukkig mee en stimuleert deze ontwikkeling zelfs met subsidieregelingen. Om een beeld te geven: de vorige minister van ontwikkelingssamenwerking, Agnes van Ardenne, verstrekte via de NCDO jaarlijks 6,5 miljoen euro aan circa 400 particuliere initiatieven. En er zijn daarnaast allerlei mogelijkheden voor de private initiatieven om hulp en advies te krijgen. Sinds 2003 bestaat het Front Office programma waarbij de regionale centra voor ontwikkelingssamenwerking, de COS'sen, inhoudelijke ondersteuning bieden bij het opzetten van projecten. Dit alles past in een tendens waarbij de overheid de verantwoordelijkheid meer en meer legt bij de burgers zelf. Op weg naar de 'civil society'.

Natuurlijk is het niet allemaal koek en ei. Er is een enorme diversiteit binnen de groep 'doe-het-zelvers'. Er zijn initiatiefnemers die van start gaan met slechts enthousiasme en een fikse dosis naïviteit als bagage. Geen wonder dat veel van die initiatieven niet van de grond komen en na kortere of langere tijd eindigen in een desillusie en teleurstelling. Het continuïteitsprobleem is dan ook een reëel probleem, een probleem dat veel potentiële donateurs afhoudt van het doen van een bijdrage. 'Dan dus maar gegeven aan de grote landelijke goede doelen. Dan heb je tenminste zekerheid over de continuïteit'.

Een begrijpelijke reactie, maar ook een reactie die onrecht doet aan dié initiatieven waar wél professioneel gewerkt wordt, waar een meerjarenplan wordt opgesteld, waar een transparante administratie wordt opgezet evenals een goede verslaglegging, waar een bekwaam bestuur aan het roer staat, deskundige adviseurs en vrijwilligers beschikbaar zijn. Betrouwbare instellingen die hun fondsenwerving baseren op de landelijke Gedragscode Fondsenwerving van het Instituut voor Sponsoring en Fondsenwerving (ISF) en/of de richtlijnen van het Centraal Buro Fondsenwerving (CBF). Het is ook een reactie die voorbij gaat aan de grote vóórdelen van de kleinere initiatieven zoals een grotere betrokkenheid van de donateurs bij de projecten, meer transparantie, meer zicht op de bestedingen, etc. De mogelijkheden en onmogelijkheden daartoe zijn nu juist weer de nadelen van de grotere organisaties. Die ook al tobben met het imago van de hoge organisatiekosten, de bureaucratie, de stroperige besluitvorming en, wat wel genoemd wordt, "de strijkstok", allemaal zaken waardoor het publieksvertrouwen in de grote goede doelen langzaam dreigt af te brokkelen.

Uit deze redenering zou de conclusie getrokken kunnen worden dat er per definitie sprake is van concurrentie tussen de grote landelijke ontwikkelingsorganisaties en de kleine private initiatieven. En dat dat ook zou blijken uit het geefgedrag van het publiek. Je geeft ofwel aan een landelijk doel, omdat je dan tenminste zeker weet dat de continuïteit gegarandeerd is, ofwel je geeft aan een privaat doel omdat dan de betrokkenheid en de controleerbaarheid groter is. Maar is dat beeld ook juist ? Is het inderdaad een kwestie van of/of? Of toch meer van en/en?

Steeds meer wordt ingezien dat de kleine private initiatieven een belangrijke plaats innemen in de ontwikkelingssamenwerking. Niet als concurrenten maar als collega's van de grote landelijke organisaties. Zij zijn bondgenoten in de strijd tegen de armoede, met ieder een eigen plaats en taak.

De grote organisaties kunnen hun voordeel doen met de grote variëteit aan ideeën en innovatieve benaderingen die van particuliere initiatieven uitgaan. Zij richten zich vaak op lokale en kleinschalige doelen, doelen die door de professionele hulpverleners niet bereikt worden en ook niet kúnnen worden. Die richten zich veeleer op de macroprojecten die voor de "kleintjes" onhaalbaar zijn. Rampen zoals de tsunami van enkele jaren geleden, grootschalige hongersnood, de aidsepidemie, humanitaire rampen als Darfur, etc. Daarbij moet ingezien worden dat wat de particuliere initiatieven doen, bepaald niet gezien mag worden als druppels op een gloeiende plaat, zoals wel eens geringschattend gezegd wordt. Nog los van het feit dat vele kleintjes één grote maken, is het bieden van hulp aan een lokale gemeenschap van enorme waarde, niet alleen voor die gemeenschap zelf maar, vanwege het uitstralingseffect, ook op de omgeving daarvan.

Geen concurrentie dus maar complementariteit. De "grote jongens" en "de kleintjes" zijn collega's. Bondgenoten die zeer wel náást elkaar kunnen bestaan. Dat wordt nog eens ondersteund door de bevindingen van het onderzoek 'Particuliere initiatieven op het gebied van ontwikkelingssamenwerking' van het Nijmeegs Centrum voor Ontwikkelingsstudies CIDIN uit 2005. Veel grotere organisaties, zoals bv Oxfam en Cordaid, zien dat in en bieden hulp aan de kleinschalige initiatieven. Helaas nog niet alle. Sommige geven weliswaar ondersteuning maar doen dat, blijkens een onderzoek van het NCDO, vaak op een zodanig irriterend belerende wijze, dat bij burgers en bedrijven het idee ontstaan dat zij weliswaar actief mogen zijn, als dat maar gebeurt op de voorwaarden van de gevestigde orde. En dus kiest men voor een eigen project, los van de grotere organisaties. Een gemiste kans, vaak gestoeld op een volkomen onterecht gevoel van concurrentie.

Dat er plaats is voor kleinschalige particuliere initiatieven en dat zij steunwaardig zijn, is inmiddels duidelijk geworden. Zij zijn het vertrouwen van het publiek meer dan waard. Maar die steun en dat vertrouwen legt aan die kleinschalige initiatieven wél verplichtingen op. Er kan en mag geen plaats meer zijn voor het amateurisme dat helaas nog veel initiatieven kenmerkt. Niet wéér een plan dus voor een mooi schooltje zonder dat is nagedacht over de bekostiging van de onderwijzers en het lesmateriaal. Niet wéér een zending van, vaak al afgeschreven, medische apparatuur aan het lokale ziekenhuisje zonder dat er gezorgd is voor technische ondersteuning om de apparatuur te installeren en bij de onvermijdelijke defecten, te repareren. Enthousiasme alléén is onvoldoende en naïviteit, alhoewel aandoenlijk, uit den boze. Professionaliteit, transparantie, betrokkenheid en betrouwbaarheid, dat zijn de zaken waaraan voldaan moet worden. Het zou daarom goed zijn als er, zoals de voormalige Minister Van Ardenne bepleitte, een code of conduct zou komen, als richtsnoer voor de private initiatieven, een code waaraan die initiatieven getoetst kunnen worden. Maar zover zijn we nog niet. En dus is het de verantwoordelijkheid van elk initiatief zélf om aan haar donateurs uit te leggen hoe zij aan genoemde aspecten aandacht geeft. De Stichting East Africa Support doet dat met volle inzet en overtuiging. Dat heeft zij inmiddels bewezen.

Maerten Verstegen, arts en adviseur van stichting East Africa Support en oprichter van het Instituut voor Sponsoring en Fondsenwerving (http://www.isf.nl/)

Reacties