Chinese groei zegen en bedreiging voor Afrika

20-08-2006
Door: Peter Dhondt
Bron: IPS

In Swaziland verdwenen in de loop van 2005 18.000 banen in de kledingsector, in Lesotho 18.000, in Zuid-Afrika 12.000 en in Kenia 3.000. Dat is het gevolg van het aflopen van het Multivezelakkoord, een regeling die de maximale exporthoeveelheden van textielproducerende ontwikkelingslanden naar industrielanden vastlegde. Door het wegvallen van die rem kon China veel meer textiel en kleding gaan uitvoeren naar de Verenigde Staten en de Europese Unie. Het marktaandeel van veel Afrikaanse landen kromp daardoor.
 
Het is maar een voorproefje van de omwentelingen die Afrika te wachten staan als gevolg van het groeiende gewicht van China in de wereldeconomie. Dat schrijven Raphael Kaplinsky, Dorothy McCormick en Mike Morris in een studie die ze voor het Britse ministerie van Ontwikkelingssamenwerking (DFID) maakten.
 
Voorlopig blijft de handel tussen China en Afrika bezuiden de Sahara nog gering in vergelijking met de handelsstromen tussen Afrika en de rijke landen. De landen van zwart Afrika voerden in 2004 nog elf keer meer uit naar de industrielanden dan naar China. De Chinese export naar Afrika bedroeg in 2004 ongeveer een achtste van de export van de rijke landen naar Afrika. Maar de handel tussen China en Afrika groeit onwaarschijnlijk snel, vooral sinds 2001. In 2004 exporteerden de Afrikaanse landen al ruim twintig keer meer naar China dan in 1990. Niets wijst erop dat die groei snel zal ophouden.
 
Strategische keuzes
 
China importeert vooral olie, ijzererts, katoen, diamanten en hout uit zwart Afrika. Voor sommige grondstoffen is Afrika al strategisch belangrijk voor China: het importeerde in 2004 bijvoorbeeld 30 procent van zijn olie en 20 procent van zijn katoen uit Afrika bezuiden de Sahara.
 
China haalt zijn grondstoffen uit een beperkt aantal landen. Maar andere Afrikaanse landen profiteren indirect mee. Door de stijgende vraag in China zijn wereldmarktprijzen voor veel grondstoffen aanzienlijk gestegen. Ook landen die niet naar China exporteren, doen daardoor goede zaken.
 
Vanuit China gaan overwegend goedkope verbruiksgoederen naar Afrika. Voordelig voor de consumenten daar, maar in sommige Afrikaanse landen worden lokale producenten van bijvoorbeeld kleding en meubels verdrongen door hun Chinese concurrenten. Omgekeerd gaan weinig afgewerkte producten van Afrika naar China. De Afrikaanse nijverheidsgoederen die doordringen op de Chinese markt, komen hoofdzakelijk uit Zuid-Afrika.
 
Valkuilen
 
Voor de Afrikaanse landen die intensief zaken doen met China, liggen er verschillende gevaren op de loer. Een eerste probleem is de extreme afhankelijkheid van de export van bepaalde grondstoffen. Angola en Sudan voeren bijvoorbeeld nagenoeg alleen olie uit naar China; de Democratische Republiek Congo alleen ertsen.
 
Een ander gevaar is dat Chinese importeurs Afrikaanse bedrijven opzij zetten. In Ghana en Zuid-Afrika kunnen producenten van kledij en meubels niet meer op tegen de goedkopere Chinese import. In andere Afrikaanse landen komen lokale fabrikanten van schoeisel niet meer aan de bak. De vakbonden in Nigeria zeggen dat door de Chinese import in hun land al 350.000 banen zijn verdwenen. In Ethiopië zijn veel kleine en middelgrote schoenmakers als gevolg van de toegenomen Chinese concurrentie over kop gegaan of gedwongen in te krimpen.
 
De indirecte effecten van de opkomst van China kunnen nog nadeliger uitpakken. Economen voorspellen dat, naarmate China meer naar de EU en de VS begint uit te voeren, de wereldmarktprijzen van belangrijke nijverheidsgoederen steeds meer onder druk zullen komen te staan. Dat geldt vooral voor een aantal producten die ook in Afrika worden gemaakt, zoals kledij en textiel. Voor sommige landen kan die ontwikkeling catastrofaal worden. Kenia voerde in 2004 bijvoorbeeld voor bijna 233 miljoen euro kledij en textiel uit, en 96 procent daarvan ging naar de VS. Een vijfde van de formele banen in de Keniaanse nijverheid hangt van die export af.
 
Investeringen
 
Misschien kunnen de Chinese investeringen in Afrika iets goed maken. China had halverwege 2005 al voor ongeveer 770 miljoen euro bedrijven of participaties gekocht in Afrika. Dat bedrag, op zich nog onbeduidend in de internationale investeringsstromen, stijgt snel. China investeert vooral in de productie van grondstoffen: in oliewinning in Sudan bijvoorbeeld, of in koper- en kobaltmijnen in de Democratische Republiek Congo. Chinese bedrijven halen in Afrika ook veel infrastructuurprojecten binnen - ze zijn een kwart tot de helft goedkoper dan hun Europese of Zuid-Afrikaanse concurrenten. In landen als Mozambique en Namibië investeren Chinese bedrijven ook al in de landbouwsector en in de distributiesector.
 
Omdat de Chinese bedrijven op veel staatssteun kunnen rekenen, kunnen ze makkelijker dan westerse bedrijven geld investeren in landen waar het zakenrisico hoog is of in sectoren waar niet onmiddellijk veel geld kan worden verdiend. Afrikaanse landen waar het er woelig aan toe gaat, kiezen vaak voor Chinese investeerders waar dat mogelijk is. Westerse donoren of regeringen hebben de gewoonte meer eisen te stellen op het vlak van transparantie en goed bestuur.

Reacties