Oude broek wordt designertas

27-08-2014 Bron: OneWorld
Foto's: i-did slow fashion
Het Utrechtse naai-atelier van i-did fashion brengt slow-fashion in de praktijk. Van restpartijen stof wordt nieuwe kleding en accessoires gemaakt. En passant leren 25 werkloze vrouwen een vak. In hun eigen tempo.
reportage – 

Ternauwernood kon Mireille Geijsen (48) haar bedrijf redden. Eén voor één haakten de geldschieters, vooral fondsen, af. Ze besloot niet langer een eigen merk te voeren, maar gerecyclede waar te produceren voor andere merken. Het bleek de meesterzet. Nu houdt i-did Fashion 25 vrouwen aan het werk, die daarvoor geen baan hadden, en verkleint ze de afvalberg.

Een empowerment traject

'We hoeven hier niet zo haast-haast te werken'

Eigen tempo
Sjaals van zijde en leer staan er vandaag op het programma. Vier vrouwen zitten geconcentreerd te werken achter hun naaimachine in het grote, lichte atelier van i-did Fashion in Utrecht. Het beginnende Nederlandse merk WAUS wil laten zien dat mode best geproduceerd kan worden in West-Europa. Sia Bona, al een aantal jaar werkloos, legt zorgvuldig twee lappen stof op elkaar, met de leren strook met franje ertussen. “Wij hoeven hier niet zo haast-haast te werken als in Bangladesh. Ook niet langzaam, maar wel in je eigen tempo.” Dat het netjes en goed gebeurt is het belangrijkste. En dat de naaisters het vak leren.

Al die energie en dat potentieel dat we gewoon maar laten zitten. Dat is toch zonde?

Restpartijen
Vrouwen de arbeidsmarkt op helpen, daarmee begon de missie van Geijsen. “Ik had een Koerdische vriendin die als vluchteling hier was gekomen, ze was hoger opgeleid en wilde heel graag aan de bak. Maar door cultuurverschil en taalachterstand lukte dat niet,” vertelt Geijsen. “Al die energie en dat potentieel dat we gewoon maar laten zitten. Dat is toch zonde? Ik dacht: veel vrouwen uit die landen hebben affiniteit met handwerken.”

Mireille Geijsen

Geijsen, toen grafisch vormgever, wilde meerdere vliegen meppen in één klap. I-did Slow Fashion zou alleen met restpartijen stof werken. Afval als grondstof dus. En de productie zou gedaan worden door vrouwen ‘met afstand tot de arbeidsmarkt’, zoals dat in beleidstaal heet. In één jaar tijd krijgen de vrouwen niet alleen een vakopleiding tot naaister, maar krijgen ze ook ‘een heel empowerment traject’. “Hier kunnen ze de lessen over hoe je samenwerkt en feedback geeft en omgaat met kritiek, meteen in de praktijk brengen.” Tijdens het jaar mogen de vrouwen hun uitkering behouden. De bedoeling is dat de vrouwen na het jaar kunnen doorstromen bij een ander bedrijf. Hun plek wordt dan weer ingenomen door nieuwe vrouwen die vaardigheden, ritme en vertrouwen kunnen opbouwen.

Goede zet

Onverkochte kleding wordt gebruikt als grondstof

Webshop
De vrouwen naaien in de nieuwe opzet van het bedrijf nog steeds, en krijgen nog steeds hun opleiding. Maar aan de verdienkant moest I-did het roer anderhalf jaar geleden flink omgooien. Een eigen merk bleek moeilijker dan gedacht. Om genoeg te verdienen, productiekosten in Nederland zijn nou eenmaal een stuk hoger dan in Bangladesh, moest het merk de verkoop zoveel mogelijk in eigen hand houden. Verkoop via de eigen webshop dus. Maar mensen daar naartoe krijgen, bleek een tergend traag proces. Kostbaar ook. Toen fonds na fonds afhaakte en er niet meer in geloofde, bedacht Geijsen een nieuw busines model. Niet langer zelf een merk zijn, maar de overstock van andere merken gebruiken als grondstof voor nieuwe producten voor datzelfde merk. “Meestal wordt overstock, onverkochte kleding, vernietigd, of naar de andere kant van de wereld verscheept. Terwijl die textiel kostbare grondstof is, die nog steeds wat waard is ook al is het gegoten in een onverkoopbare broek of jas.” Het bleek de goede zet. Met haar nieuwe plan kreeg ze Michiel Dekkers zover om geld te investeren en mee te gaan ondernemen.

De dure locatie in de Pastoe-fabriek in Utrecht kon opgezegd worden. Representatief is niet meer nodig. Het atelier zit nu op een industrieterrein, in een pand waar de gemeente ook verweesde fietsen stalt. Dat scheelt nogal in de kosten. En als er nu een klant wordt binnengehaald, dan is er niet één jurkje verkocht, maar betekent dat meteen een flinke order. Voor Sissy Boy maakte i-did onder meer feestelijke vlaggetjesslingers van onverkochte overhemden, en tassen van onverkochte broeken. G-sus liet voor hun personeel van onverkocht denim iPad- en iPhonehoezen maken.

Als je van één product meerdere producten weet te maken, dan kun je het alsnog terugverdienen

Gebruikte sari's
Merken die graag duurzaam willen produceren kloppen nu ook aan bij het atelier. Het nieuwe label CultureFabric laat van gebruikte Indiase sari’s jurken maken door i-did. WAUS laat dus sjaals produceren op het industrieterrein in Utrecht. Van de prijzen zal een H&M-shopper flink achterover slaan. Een jurk van CultureFabric kost 189 euro, een sjaal van WAUS rond de 150 euro. De tassen die i-did voor Sissy Boy maakte van onverkochte broeken van hetzelfde merk, kwamen voor een paar tientjes terug in de winkel. Hoe kan dat uit?, vraag je je af. “Het bedrijf verlaagt de winstmarge die ze willen hebben,” legt Geijsen uit. “En wij zeggen altijd: als je van één product meerdere producten weet te maken, dan kun je het alsnog terugverdienen. Iphone-hoesjes zijn een goed voorbeeld.” En zo’n tas is in een paar uur gemaakt. “We maken ‘straatjes’, één iemand haalt de broeken uit elkaar, iemand knipt de stof, en zo verder.” De vrouwen die al verder in hun opleiding zitten doen het moeilijkere werk, de vrouwen die net beginnen krijgen een simpel taakje. En juist door een handeling, bijvoorbeeld een rits inzetten, heel vaak te doen, leer je het goed en snel doen. “En vergeet je het nooit meer.”

Langzame mode
I-did strijdt voor slow fashion, mode die jarenlang mee gaat. “Mode is consumeren geworden", verzucht Geijsen, en dat moet volgens haar echt anders. “Zo’n H&M-jurkje, dat gooi je na twee keer dragen weer weg omdat het niet meer zit. Het zijn toch geen broodjes? Als je nagaat hoeveel energie erin zit, hoeveel water. Om de stof te maken, om vervolgens het kledingstuk te produceren, en daarna te vervoeren. “Dat gaat echt veranderen, dat kan niet anders. Er zijn gewoon te weinig grondstoffen om het zo vol te houden.”

Liedewij Loorbach

Freelance tekstschrijver en journalist. Schrijft veel over duurzaamheid,...

Lees meer van deze auteur >

Reacties