Managen op de steppe

17-06-2009 Bron: IS Online
One World

Steeds meer bedrijven stimuleren werknemers hun kantoorbaan tijdelijk achter zich te laten om zich in te zetten in een ontwikkelingsland. Het is goed voor het imago van het bedrijf en de medewerkers komen extra gemotiveerd terug. En volgens VSO – een ontwikkelingsorganisatie die jaarlijks honderdtwintig vakdeskundigen naar ontwikkelingslanden zendt – is daar de vraag naar mensen met een management, ICT- of HR-achtergrond de afgelopen jaren verdubbeld. Maar hoe is het om dat zakenwereldje te verruilen voor zo’n compleet andere werksituatie?

“Het meest zag ik op tegen het cultuurverschil. Indonesiërs laten niet snel het achterste van hun tong zien. Kritiek ergens op hebben, betekent gezichtsverlies. Maar verrassend genoeg wist ik me snel aan te passen en vond het zelfs een hele prettige cultuur.” Marisca Jansen (34) ging via ontwikkelingsorganisatie VSO een jaar naar het Indonesische eiland Bali. Daar hielp ze gehandicapten aan een baan. In Nederland werkt de Amsterdamse als accountmanager bij Yacht, een dochteronderneming van Randstad dat sinds 2004 een partnerschap heeft met VSO. “Op Bali zijn 95 duizend van de 3 miljoen inwoners gehandicapt, veelal door polio. Ze worden gediscrimineerd en vaak uit schaamte binnen gehouden. Dit heeft in bepaalde mate te maken met het geloof. In tegenstelling tot de rest van Indonesië is tachtig procent van de Balinezen hindoe. Zij geloven in reïncarnatie en denken dat mensen gehandicapt zijn omdat ze in hun vorige leven iets verkeerd hebben gedaan. Juist vanwege die ingewikkelde problematiek moest ik het heel subtiel aanpakken. Bij het eerste contact met bedrijven heb ik daarom met geen woord gerept over gehandicapten. Ik presenteerde me als HR-specialist en heb een medewerkerbelevingsonderzoek en workshop verzorgd.” De Amsterdamse moest daarbij wel even wennen aan de zakelijke afspraken. “Vaak was ik vier uur onder de pannen. Eerst uitgebreid eten en daarna even aan de familie voorgesteld worden. En mensen zijn ook vaak te laat – niet 5 of 10 minuten maar 1 of 2 uur.” Pas toen Jansen intensief contact had met de bedrijven begon ze voorzichtig over de gehandicapten. “Opvallend genoeg werd er goed op gereageerd en had ik in no-time een enorme bulk vacatures. Het ging zo voorspoedig dat ik samen met VSO begon te vermoeden dat het probleem ook gedeeltelijk aan de andere kant kon liggen. Sommige gehandicapten stopten ook al na één dag, omdat ze het niet leuk vonden. Ik kon dat eerst absoluut niet begrijpen maar bedacht later dat zij nog nooit naar school zijn geweest. Wij vonden het als kleuter na één dag ook niet meer leuk, maar leerden van onze ouders door te zetten. Die les hadden zij nooit geleerd. Ik ben hen trainingen gaan geven en uiteindelijk zijn meer dan zestig gehandicapten aan een baan geholpen. Dat overtrof mijn stoutste verwachting en al helemaal die van VSO. Voorheen waren de gehandicapten aan het bedelen of zaten thuis. Hun leven bestond toen uit helemaal niets. Nu waren het onafhankelijke mensen. Telkens als er één aan het werk ging werd dan ook ‘mandiri’ geroepen: onafhankelijkheid.” Ook Jansen zelf had veel aan haar jaar buitenland. “Ik heb mezelf veel beter leren kennen. Dacht ik altijd dat anderen goed waren in strategisch denken en ik meer in het uitvoeren – op Bali merkte ik prima alles alleen op te kunnen zetten en uit te denken. Daar wil ik in mijn werk nu meer mee doen. Ook leerde ik daar relativeren en het leven meer waarderen. Je realiseert je dat je prima een jaar uit één koffer kan leven. Meer heb je dus eigenlijk niet nodig. De rest van mijn leven heb ik absoluut iets aan die ervaring.”
Meer info op http://www.vso.nl/

“Binnen anderhalf uur was mijn sollicitatiebrief de deur uit, vertelt Menno de Leeuw van Weenen (32), eigenaar van eenmanszaak MLW Consultancy. Vorig jaar vertrok de zelfstandig consultant voor drie weken naar Tanzania om Stichting Viafrica te adviseren hoe het haar CLASSwork-project kan verbeteren. De Nederlandse NGO helpt middelbare scholen bij het opzetten van computeronderwijs. “Na jaren door minder ontwikkelde landen te hebben gereisd, wilde ik graag iets voor de mensen doen. Toen dat vanuit mijn eigen vakgebied kon, was de keuze snel gemaakt.” De Rotterdamse consultant merkte ter plaatse dat er veel verschil zat tussen de scholen van het CLASS-workproject. “De één had een net computerlokaal en een kundige docent die zelfs lesinformatie van internet haalde. Bij de ander deden veel computers het niet en lagen op de grond ongeaarde stekkerdozen waar de leerlingen met blote voeten tussendoor liepen. En toen ik naar lesmateriaal vroeg, ging de docent voor de vorm op zoek naar het enige computerboek, maar kwam met lege handen terug. ” De Leeuw van Weenen ontwikkelde daarom een methode waarmee Viafrica in kaart kan brengen in welke fase een school zit en daar op in kan spelen. Ook adviseerde hij om – na het opleiden van de docenten en het plaatsen van de computers – scholen te blijven coachen. “Maar dit kost geld en is lastig te verkopen aan je fondsen. Die willen elk jaar weten hoeveel scholen er zijn bijgekomen. Kwaliteit is minstens zo belangrijk maar veel moeilijker aantoonbaar aan je subsidiegevers dan kwantiteit.” De consultant had vooraf twijfels wat hij in zo’n korte periode in het Oost-Afrikaanse land kon bereiken. “Bij weerstand is drie weken kort. Maar de lokale Viafrica-medewerkers waren zo enthousiast en leergierig. Die jonge gasten zogen de kennis echt op en als ik iets voorstelde, gingen ze er vaak direct mee aan de slag. Nadeel van dat enthousiasme is dat ze moeite hebben te plannen en prioriteiten te stellen. Lachend: En om op tijd te komen.” De Leeuw van Weenen probeerde bewust niet als blanke betweter over te komen. “In de eerste week heb ik met elke medewerker uitgebreid gepraat. Tussendoor overlegde ik wat ze van mijn ideeën vonden, zodat er uiteindelijk voor beide kanten geen verrassingen zouden zijn. Ook gingen we na het werk regelmatig een potje poolen wat voor een relaxte werksfeer zorgde.” De consultant heeft nog steeds contact met Viafrica en wil graag bij het project betrokken blijven. “Heel Afrika loopt achter op het gebied van IT, en dat is een gemiste kans. Steeds meer multinationals trekken naar Afrika maar nemen Westers personeel mee omdat de lokale mensen over onvoldoende computervaardigheden beschikken. Viafrica bereikt duizenden kinderen die zo een kans krijgen op een goede baan.”
Meer info op http://www.viafrica.org/ en www.mlwconsultancy.nl

“Of het nodig is dat een Westers bedrijf dit doet? Doen we het niet, dan weet ik honderd procent zeker dat er veel meer kinderen dood gaan.” Aan het woord is Paul van Schayk (40), projectmanager bij TNT Post. Vorig jaar is hij vier maanden in Malawi geweest om bij 34 scholen het schoolvoedselprogramma van het World Food Programma (WFP) te coördineren. “Elke week bezocht ik alle scholen om de voortgang te controleren. Hoe verliep de bouw van de keuken, voorraadschuur en overkapping? Was de fundering goed gelegd? Bij verder gevorderde scholen keek ik of de maïspap goed werd bereid. Kregen de kinderen op tijd eten? Wasten ze vooraf hun handen? De resultaten besprak ik elke week met de hoofddocent om zo tot verbetering te komen.” TNT is sinds 2002 partner van het WFP en zendt medewerkers als projectmanager naar het Oost-Afrikaanse land. Uiteindelijk moeten door het programma 635.000 kinderen dagelijks op school een voedzame maaltijd krijgen. Van Schayk: “Het is vaak het enige voedsel wat ze op een dag krijgen. En geven de scholen dit niet, dan worden de kinderen veelal thuisgehouden om in het huishouden of op het land te helpen.” De projectmanager uit Rosmalen moest in Malawi zijn manier van communiceren enigszins aanpassen. “Ik sprak bijvoorbeeld af dat na een maand de voorraadschuur klaar moest zijn. Maar na een week was er nog niets gebeurd. Langzamerhand begon ik te beseffen dat de doelstelling veel te ver in de toekomst lag. Je moet echt per halve muur praten. Vandaag doe je dit, morgen dat, etcetera. Toen ik dat deed, ging het opeens een stuk beter.” Ook het leven was totaal anders. “Doordat er geen elektriciteit was ging je vroeg naar bed en stond vroeg op. Er was geen warm water. En het internet in het enige internetcafé was zo traag, dat je bijlagen niet kon openen. Dat was wel even wennen. Gelukkig kon ik met het thuisfront wel gemakkelijk bellen.” Volgens Van Schayk is het een goede zaak dat het bedrijfsleven zich steeds meer inzet voor projecten in ontwikkelingslanden. “Vooral als ze doen waar ze in gespecialiseerd zijn. Zo heeft TNT als geen ander logistieke kennis in huis. En het voedselprobleem in Malawi is vooral een logistiek probleem.” Wel moeten volgens de projectmanager bedrijven de hulp met elkaar afstemmen. “Anders ga je dubbel werk doen.” Ook voor zichzelf vond de TNT-medewerker het een geweldige ervaring. “Je gaat heel anders tegen het leven aankijken. Zo vinden wij de mensen daar arm omdat ze van minder dan 1 doller per dag leven. Maar zelf zien zij dat heel anders. Zo vroegen leerlingen mij hoeveel land ik heb. Ik antwoordde geen, alleen een balkon. Maar hoe kom je dan aan je eten? Dat koop ik in een winkel. Wat is een winkel? En wat doe je als je geen geld hebt? Die kinderen vonden mij juist arm. De wereld is voor die mensen zo compleet anders. En wij bepalen met onze westerse maatstaven dat ze arm zijn omdat ze geen geld hebben, maar naar de factor land wordt niet gekeken.”
Meer info op http://www.movingtheworld.org/ of www.wfp.org

Andrea Dijkstra

Andrea Dijkstra werkt vanuit Afrika als freelance journalist. Voor ze naar...

Lees meer van deze auteur >

Reacties