Interview: Paul Collier, ontwikkelingseconoom

17-12-2009
Door: Joop Hazenberg
Bron: IS Online
Paul Collier

De wereld moet zich ontfermen over de miljard achterblijvers in fragiele staten, meent de invloedrijke ontwikkelingseconoom Paul Collier.

Paul Collier is niet meer weg te denken uit het debat over ontwikkelingssamenwerking. De Britse econoom brak twee jaar geleden door met zijn boek The Bottom Billion, waarin hij de situatie van de armste landen in de wereld vlijmscherp analyseert. Die zitten vast in viertal ‘valkuilen’: conflict, afhankelijkheid van één natuurlijke hulpbron, slecht bestuur en geografische insluiting zonder eigen zeekust.
Die landen zijn hard op weg naar een zwart gat, of zitten daar al in. Er ontstaan vaak burgeroorlogen door een giftige cocktail van een grote groep jonge, ongeschoolde mannen, een onbalans tussen etnische groepen, en de aanwezigheid van waardevolle grondstoffen zoals olie, diamanten of goud. Daardoor kunnen de in totaal miljard inwoners van deze zwakke en falende staten onmogelijk uit de armoede raken. Maar liefst 70 procent van deze achterblijvers (‘the bottom billion’) woont in Afrika. Dat heeft volgens Collier dus alles te maken met de ‘valkuilen’ die elke ontwikkeling tenietdoen. Zijn voorgestelde oplossingen zijn onder meer militair ingrijpen, beter bestuur bevorderen en het stimuleren van een middenklasse.
Beleidsmakers en politici laten niet na hem steeds weer te citeren in speeches en artikelen – zo ook minister Koenders. Met de Nederlandse vertaling, getiteld Eén miljard achterblijvers, wil de onderzoeker nu mensen bereiken buiten het ‘ontwikkelingswereldje’. Deze vertaling is de vijftiende op rij. Zelfs in Mongolië is The Bottom Billion in de eigen taal verschenen.

Waarom is uw boek, nu toch ruim twee jaar oud, alsnog vertaald? U heeft immers al een nieuw boek geschreven.
“Het is belangrijk om een kritische massa op te bouwen en mensen in te lichten over ontwikkelingssamenwerking om een beter gefundeerde publieke opinie te bewerkstelligen. Niet alleen in het Westen, maar ook in de arme landen zelf. Dat was mijn uitgangspunt om The Bottom Billion te schrijven. Als wetenschapper had ik al veel publicaties op mijn naam staan, maar dat soort werk is praktisch onleesbaar buiten een selecte groep van academici en specialisten.
Toen ik wegging bij de Wereldbank, dacht ik: dit is mijn kans om vrijuit te spreken en mijn visie voor een breed publiek beschikbaar te maken. Het debat over ontwikkelingssamenwerking staat bol van de halve waarheden en verkeerde assumpties. Dat dreef me om dit boek te schrijven.”

Inmiddels zijn er honderdduizenden exemplaren van The Bottom Billion verkocht. U bent nu met William Easterly en Patrick Chabal een van de grote ontwikkelingsdenkers. Heeft dat ook nog iets concreets opgeleverd?
“Burgers uit verschillende landen zijn initiatieven gestart, zoals het opzetten van een handvest voor grondstoffen dat wordt ondersteund door oud-politici uit de hele wereld. Ook voeren landen als het Verenigd Koninkrijk en Nederland een zeer actief beleid op het gebied van fragiele staten, precies die landen waar de miljard armsten wonen. En het debat over de hulp is verdiept en minder gepolariseerd geraakt. Mijn ideeën worden alleen vanuit extreme hoeken aangevochten.”

U hoopt op het ontstaan van een middenklasse als stabiliserende factor in de armste landen. Maar Afrikakenner Chabal betoogt dat patronagesystemen dit onmogelijk maken. Etnische banden en verticale machtsstructuren blijven de pijlers van deze samenlevingen.
“Dit soort systemen waren gemeengoed in het Europa van de achttiende eeuw! Konden die uiteindelijk veranderen? Ja. Dus ook in Afrika. De vraag is alleen hoe. We moeten organisaties steunen die de landen van binnenuit moderniseren en kleine ondernemingen de kans geven te groeien. De oude politieke elites zullen dat proberen te voorkomen. Het Westen kan zich met dat proces niet te veel bemoeien. We kunnen ons slechts achter de good guys opstellen. Die krijgen nu nog vaak niet genoeg steun, terwijl ze zo belangrijk zijn. Daarnaast moeten we internationale standaarden bevorderen, bijvoorbeeld voor de grondstoffenhandel. Deze betrokkenheid is een vorm van compassie, maar ook van verlicht eigenbelang.”

Wat is het effect van de economische crisis op de miljard armste mensen?
“Ze zijn net zo hard geraakt als hier in het Westen, alleen kunnen ze deze klap helemaal niet verwerken omdat hun samenlevingen geen veerkracht hebben. Bovendien was de échte crisis voor deze landen de voedselcrisis van 2008 die ontstond door de stijgende voedselprijzen. De gevolgen van de economische crisis op de lange termijn vind ik zorgelijk. Investeerders zijn veel minder bereid risico te nemen. Het ‘risicovolle’ Afrika krijgt daardoor een structureel lagere geldstroom binnen. Een van de oplossingen is het aanmoedigen van publieke investeringen in Afrika.”

De crisis heeft uw betoog dus versterkt.
“Achteraf gezien zit het boek beter in elkaar dan ik gedacht had. Toen het in 2007 uitkwam, liepen de grondstoffenprijzen snel op en gingen de zeer arme landen éindelijk een beetje groeien. Maar die tijd ligt achter ons. Er is niets fundamenteels veranderd: de problemen van de achterblijvers blijven onverminderd groot.”

U bepleit militaire interventies in landen die net uit een conflict komen. Dat leidt in Afghanistan niet tot een onverdeeld succes.
“Afghanistan is een geval apart. Na het verdrijven van de Taliban heeft het Westen een belachelijk volle agenda over het land uitgestort. We wilden Afghanistan in twee jaar tot een soort Zweden maken. Maar voordat het land voldoende controlemechanismen in het nieuwe systeem had gekregen, werden al verkiezingen uitgeschreven. Dat is het paard achter de wagen spannen. Een veel betere aanpak van een postconflictsituatie hebben we gezien in Haïti en Sierra Leone, waar de vooruitzichten nu goed zijn ondanks een gewelddadig verleden.”

Is het ontwikkelingsbeleid van landen als Nederland en het Verenigd Koninkrijk de afgelopen jaren verbeterd?
“In het algemeen weten we nu wat we moeten doen. We moeten inzetten op directe hulp van regering tot regering via begrotingssteun. Het sleutelwoord daarbij is ownership, zodat de ontvangende landen zeggenschap hebben over de besteding van het geld. Er zit zeker meer samenhang in het beleid, maar handel en veiligheid moeten nog meer structureel met ontwikkelingssamenwerking worden verbonden. Daarnaast is het goed dat er een speciaal beleid op gang komt voor fragiele staten. De Britten willen daar zelfs de helft van hun budget aan besteden. Zwakke staten hebben een heel ander soort hulp nodig dan ‘gewone’ ontwikkelingslanden. Deze hulp moet zich meer richten op de veiligheidssituatie. Daar moet nog een omslag in het denken voor plaatsvinden. De armste landen in de wereld zijn geen Ghana.”

Wie is Paul Collier?
Paul Collier (1949) is hoogleraar economie en directeur van het Centre for the Study of African Economies in Oxford. Van 1998 tot 2003 werkte hij bij de Wereldbank als directeur ontwikkelingsstudies. Met zijn boek The Bottom Billion won hij meerdere internationale prijzen. Eerder dit jaar verscheen Wars, Guns And Votes. Democracy In Dangerous Places (de Nederlandse vertaling komt in 2010 uit).

Reacties