Boetiek Bolivia

17-02-2009
Door: Evert-Jan Quak
Bron: IS Online
La Paz, stad in bolivia

Het Nederlandse ontwikkelingsbeleid in Bolivia richt zich voor een groot deel op het thema Groei en Verdeling: hoe bereik je economische groei waarvan ook de armen profiteren? Bolivia zoekt met Nederlandse hulp naar nieuwe afzetmogelijkheden voor haar producten.

Er waait een nieuwe wind in Bolivia. Het land richt zich niet meer uitsluitend op de ontwikkeling van het laagland, maar zoekt ook naar mogelijkheden om in de hooglanden een productieve sector op te bouwen. Met de teelt quinoa bijvoorbeeld, een graansoort die een van de weinige gewassen is die de boeren op de Altiplano op meer dan 3500 meter hoogte kunnen verbouwen.
Gladyz Vásquez uit het dorpje Salinas probeert daar met haar familie van rond te komen. “Mijn familie teelt al generaties lang quinoa”, zegt ze. “Mijn ouders verbouwden het om het gezin te voeden en verkochten het overschot op de lokale markt. Gelukkig is het dankzij de groeiende vraag naar quinoa uit het buitenland nu mogelijk om er een bestaan van op te bouwen.”
De export van quinoa is een zegen sinds de lokale markt flink is gekrompen. De Bolivianen zelf eten weinig quinoa meer; ze geven de voorkeur aan rijst en pasta’s van andere granen. De export van quinoa (voornamelijk biologisch) is vanaf 2001 gestegen van ruim 2 ton naar bijna 11 ton in 2007. “Sinds we in Salinas zijn overgeschakeld op de gecertificeerde biologische teelt van Quinoa Real verkopen we 90 procent van onze oogst voor een betere prijs aan het buitenland”, zegt Vásquez. Dat wil zeggen: aan de fabriek van de Vereniging van Quinoaproducenten (ANAPQUI) in Challacapa, die quinoa verwerkt en exporteert.

Quinoa-succes
ANAPQUI werkt samen met 1200 boeren die uitsluitend biologisch produceren en hierdoor een aanzienlijk betere prijs krijgen voor de quinoa. Toch is er een probleem: in 2008 heeft ANAPQUI de afzet in enkele landen moeten stopzetten omdat er te weinig aanbod is van goede quinoa. De oorzaak? Het onvoorspelbare, barre klimaat op de Boliviaanse hoogvlakte, met veel wind, vorst en droogte. Meer kennis en onderzoek naar nieuwe productiemethoden is belangrijk om een hogere productiviteit veilig te stellen. Sinds enkele jaren richt het ‘Quinoa Programma’ zich daar op, uitgevoerd door de associatie van quinoaboeren (CADEPQUIOR), de gouvernementen Oruro en Potosi en de lokale ontwikkelingsorganisatie FAUTAPO. Quinoaboer Vásquez is er enthousiast over. Volgens haar is nu eindelijk geld beschikbaar om serieus de sector te ontwikkelen. Zo wordt er met verschillende universiteiten in La Paz en Potosi onderzoek gedaan hoe de problemen bij de quinoateelt kunnen worden aangepakt. Vásquez: “Het is voor het eerst dat we werken aan de opbouw van een goed georganiseerde keten waarin kennis voorop staat. Als alle spelers in de sector gezamenlijk werken aan de verbetering, kunnen we van quinoa een succes maken.”

Motor van ontwikkeling
Niet alleen de Boliviaanse regering ziet nieuwe mogelijkheden, ook de Verenigde Naties kwamen via hun ontwikkelingstak UNDP in november 2008 in het dikke onderzoeksrapport La Otra Frontera (de andere grens) tot de conclusie dat er in Bolivia veel mogelijkheden zijn om een productieve sector op te bouwen. De ontwikkeling van zo’n productieve sector is een prioriteit in het ontwikkelingsbeleid van de Nederlandse ambassade. Allereerst omdat het kan zorgen voor duurzame economische groei, ten tweede omdat het mogelijkheden biedt kwetsbare arme groepen te bereiken die worden uitgesloten in de huidige economie. Het quinoaprogramma is daar een voorbeeld van. To Tjoelker, verantwoordelijk voor de ontwikkelingsprogramma’s van de ambassade, legt uit waarom ze tot 2011 voor ongeveer 8 miljoen euro bijdraagt aan deze programma’s. “Voor armoedebestrijding is het noodzakelijk dat iedereen een bijdrage kan leveren in de economie. Programma’s die dat stimuleren, moeten worden gesteund. De clubs die wij financieel steunen zijn de motor van ontwikkeling.”

Verkiezingstijd
Met alleen geld geven is succes nog niet gegarandeerd. De programma’s hebben te maken met corruptie en bureaucratie. Daarnaast maakt de politieke instabiliteit in Bolivia het lastig om continuïteit te garanderen, zeker omdat de overheid ook een rol vervult in de programma’s. “Dat zie je terug,” zegt Tjoelker, doelend op een referendum over een nieuwe grondwet en de daaropvolgende presidentsverkiezingen in december 2009. “De regering zet alle middelen in om een positieve uitslag te bewerkstelligen. Dan komen evaluaties en de noodzakelijke monitoring van hulpprogramma’s in het gedrang.”
Een valkuil is volgens Tjoelker om als ambassade dan maar te kiezen zélf zaken op te pakken en uit te voeren. Beter is het volgens haar dat de overheidsinstanties zelf aan het werk gaan, ook al kost het meer tijd. Ze noemt een voorbeeld. De herverdeling van het landareaal in Bolivia wordt uitgevoerd door het overheidsorgaan INRA, gesteund met Nederlands geld. Belangrijke taak van INRA is het uitgeven van landrechten. Tjoelker: “Het percentage titels met de naam van een vrouw lag slechts rond de twintig procent. Waarom hebben vrouwen maar zo weinig landtitels? Is het cultureel, mogen de vrouwen in de gemeenschappen geen titels hebben, of is het iets anders? Het bleek dat de ambtenaren onvoldoende aangaven dat landtitels ook op naam van de vrouw geregistreerd kunnen worden. De boeren hadden geen idee, maar toen de vraag wél werd gesteld, steeg het percentage landtitels met ook de naam van de vrouw naar rond de tachtig procent.”
Maar het gaat ook weleens mis. Zo steunde de ambassade een project om alle aanbestedingen van de overheid transparant te maken. “Een fantastisch project dat ertoe moest leiden dat kleine producenten diensten en producten kunnen leveren aan de publieke sector. Maar de vrouw die het plan had uitgedacht had geen zicht op de administratieve kant. Als je als ambassade dan driemaal vraagt naar een goede evaluatie en die niet krijgt, dan kan het project nog zo goed zijn, maar kunnen wij het niet permitteren om ermee door te gaan”, zegt Tjoelker. De gemeente La Paz heeft het project nu overgenomen en is zelf ertoe overgegaan om alle aanbestedingen boven de 50.000 bolivianos (5200 euro) voor de komende zes maanden openbaar te maken. Daardoor kunnen ook kleine bedrijfjes zich ervoor inschrijven. Tjoeker: “Dit zijn heel belangrijke processen die daadwerkelijk invloed hebben op het verminderen van de armoede in Bolivia.”

Naast Gucci
In Bolivia is het belangrijk om ook via andere wegen dan de centrale overheid te komen tot het doel van ‘groei en verdeling’. Daarom steunt de ambassade ook particuliere initiatieven. Voorwaarde is dat ze zelf kapitaal inleggen en in het verleden hebben aangetoond dat ze professioneel te werk gaan. De ambassade steunt op deze basis bijvoorbeeld Nuevo Norte, dat werkt aan stimulering van de productieve sector in Bolivia via onder andere een eigen exclusieve merknaam, Walisuma. “Bolivia heeft een potentieel aan mogelijkheden die nog nooit zijn benut,” zegt Carola Capra vanuit het kantoor van Nuevo Norte in La Paz. “Alles wat Bolivia produceert, blijkt niet competitief te zijn. Dat is de gedachte achter de economische realiteit van vandaag de dag. Bolivia is het lelijke meisje dat niet ten dans wordt gevraagd op het schoolfeest. Je kan in de hoek blijven staan toekijken, maar dat wil ik niet. Je moet zeggen ‘ik ben wél mooi en interessant’ en op je eigen manier aantonen dat je wel degelijk iets te bieden hebt.”

Het doel van Nuevo Norte is om hoogwaardige producten te ontwikkelen in samenwerking met de lokale industrie en kleine en middelgrote producenten als die respect tonen voor de lokale gemeenschappen, milieu en de natuur. Capra toont een nagelvijl gemaakt van de huid van de Arapaina, een vis uit de Amazone, ingelegd met verwerkte natuursteentjes. De inheemse gemeenschappen gebruiken de geharde huid al eeuwen. Capra: “Zij komen met het idee om het product te verkopen, maar hebben geen idee hoe ze dat moeten doen en hoe ze het product moeten vormgeven. Daarbij hebben ze hulp nodig. Met onze hulp kunnen ze nu onder de merknaam Walisuma nu een prachtige nagelvijl verkopen die exclusiviteit uitstraalt.”
Exclusiviteit is volgens haar belangrijk, omdat Bolivia eenvoudigweg niet in grote hoeveelheden kan produceren als het de natuurlijke rijkdom en culturele waarden hoog in het vaandel wil houden. Of ze ooit heeft overwogen zich aan te sluiten bij Fair Trade? Capra zegt resoluut nee. “Ik wil niet dat de mensen uit Europa producten uit Bolivia kopen omdat ze medelijden met ons hebben, maar omdat ze onze producten waarderen vanwege de kwaliteit.” Capra noemt het ‘Boetiek Bolivia. “Ik wil met onze Walisuma-tassen naast Gucci in het rek staan.”

Voor concrete verkoopresultaten is het nog te vroeg. Capra: “Wij werken niet met een vast plan. We zijn flexibel en zoeken op een creatieve manier naar vaste partners die willen meewerken en snappen wat de filosofie is achter de producten. Het zal een langzaam proces zijn; met vallen en opstaan zullen we stapje voor stapje leren en uiteindelijk succesvol zijn. Voor donoren is dat moeilijk te financieren, daarom is het fantastisch dat de Nederlandse ambassade in onze filosofie gelooft.”

Reacties