Breken met het verleden

14-10-2010
Door: IS Online
Bron: IS Online
Nikolaos van Dam

Het zit erop voor Nikolaos van Dam. Het staatsbezoek van de Indonesische president Yudhoyono aan Nederland deze maand vormde het sluitstuk van zijn diplomatieke carriẽrre. “Je kunt inhoudelijk echt wat doen om de relatie te verbeteren.”

De eetzaal van de residentie in Jakarta oogt kaal. De schilderijen en foto’s zijn van de muur gehaald, de kasten half leeg. De tafel ligt bezaaid met persoonlijke spullen. Voor het eerst in 22 jaar wacht Nederlands langst werkende ambassadeur Van Dam geen volgende post meer, maar het pensioen. Het afscheid valt hem zwaar. Indonesië is de kroon op zijn carrière. Vijf jaar bestierde hij met veel plezier Nederlands grootste ambassade, met het grootste ontwikkelingsbudget. Geen gemakkelijke post gezien het koloniale verleden en de politieke gevoeligheden. Hij had nog veel uit te leggen over de zwarte bladzijden uit de koloniale verleden, de relatie met de Molukken en Papoea, het EU vliegverbod, maar ook over de provocerende film Fitna van Wilders. Dat ging hem goed af. In het Indonesisch, en indien nodig in het Arabisch. Hij reisde de hele archipel door om zijn licht op te steken, nieuwe contacten te leggen, rampgebieden te bezoeken en talrijke ontwikkelingsprojecten te bekijken. “Zonder kennis van de taal en het land kun je geen public diplomacy bedrijven.”
 
Het waren vijf bewogen jaren met natuurrampen, terreuraanslagen, en politieke ophef…
“Ik begon natuurlijk op een prachtig moment, na de uitspraken van minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot dat Nederland wat betreft het dekolonisatieproces aan de verkeerde kant van de geschiedenis had gestaan: hij betreurde het leed dat de Indonsiers werd aangedaan tijdens de politionele acties. Daarmee werd het ‘vuiltje’, destijds een heel belangrijk vuiltje, in de bilaterale betrekking weggepoetst. Maar ik heb ook veel gehad aan de moeilijke momenten, dat gedoe rond de film Fitna waar ik doorheen moest laveren. Ik kreeg de gelegenheid de zaak uit te leggen aan allerlei moslimorganisaties, ook groeperingen op de rand van extremisme. Het mooiste was dat zij via de media aan de eigen achterban duidelijk maakten dat de Nederlandse regering Wilders’ boodschap niet deelde. Daar werd naar geluisterd. Ik had eigenlijk niet verwacht dat de samenwerking zo positief kon zijn, ondanks dat koloniale verleden. Indonesiërs kijken vooruit. Nederlanders beginnen steeds weer over die geschiedenis. Maar een gemeenschappelijke geschiedenis is geen gedeelde geschiedenis. Iemand heeft uitgedeeld en de ander ontvangen!”

Maar  dat verleden maakt ook dat Jakarta de grootste Nederlandse ambassade is met het grootste budget voor ontwikkelingssamenwerking. Is dat de aflossing voor onze koloniale schuld?
“We gaan van groot naar wat kleiner. Met al die bezuinigingen mogelijk zelfs van 108 naar 68 miljoen. Maar dat Indonesië de grootste ambassade was toen ik hier kwam, komt inderdaad door de geschiedenis. Kijk naar andere Europese landen, die hebben hier soms piepkleine ambassades. Sommige ambassadeurs moeten bedelen voor aandacht voor Indonesië. Dat is bij ons volstrekt vanzelfsprekend. Ook zonder aparte afdeling ontwikkelingssamenwerking. Die hebben we ingebed bij andere afdelingen. zoals de omvangrijke handelsafdeling, en de grote politieke en culturele afdelingen. Het is een kruisbestuiving, die goed werkt.”

Het klinkt alsof de ambassade met die aanpak al vooruitloopt op het WRR rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’, dat stelt dat een sterke nadruk op armoedebestrijding landen niet zelfredzaam maakt.
“Ik denk wel dat we in die richting zitten met allerlei programma’s. Maar of dat een resultaat is van goed nadenken is een tweede. Heel veel programma’s groeien. We doen veel aan versterking van het investeringsklimaat, aan capaciteitsopbouw, dat is eigenlijk allemaal economisch gericht. We kijken in welke sectoren we al actief zijn, met welke instanties we werken en of het belang heeft hun vermogen te versterken, bijvoorbeeld bij het ministerie van Handel. Dat is in het belang van Nederland en Indonesië.”

Het economische belang van Nederland in het oog houden, betekent dat een breuk met de multilaterale benadering, hulp via internationale organisaties?
“De laatste vijf jaar hebben we ons nog steeds heel sterk op de multilaterale kanalen gericht. Neem bijvoorbeeld het post-tsunami Aceh Multidonor Trustfund of het Java Reconstruction Fund (voor wederopbouw na de aardbeving, red.). Dat gaat allemaal via internationale organisaties. Dat heeft voordelen. Het beheer is efficiënter. Maar je bent ook veel minder zichtbaar. Toen Ben Bot als minister na de tsunami Aceh bezocht vroeg iemand hem: ‘Wat komt u hier doen? Moest hij gaan uitleggen dat Nederland een van de grootste donoren was. Als je daar rondliep zag je bordjes met de Kuweiti vlag, met het Turkse wapen. Dat deden wij niet. Dat taboe is inmiddels verdwenen. We lopen nog steeds niet met vlaggen rond, maar het is geen schande meer om duidelijk te maken dat hulp uit Nederland komt. Dat verwachten mensen ook. Nederlandse politici willen hun achterban ook laten weten dat wij hier actief zijn, zodat het niet in een anonieme bak verdwijnt. Ondanks de grote mate van multilaterale samenwerking, komt er nu een tegenbeweging op gang om deels naar bilaterale hulp terug te gaan.”

Heeft dat uw reislust zo bevorderd? U hebt zo’n beetje de hele archipel doorkruist de afgelopen vijf jaar.
“Ik heb alle 33 provincies van Indonesië bezocht. Dat zie ik ook als mijn plicht. Als je altijd in Jakarta blijft hangen, krijg je geen gevoel voor de dimensies, de immense proporties van dit land, de culturele diversiteit. Al reizende kun je de realiteit testen, nieuwe contacten opdoen, andere geluiden horen. Dat stimuleert enorm. En ik had het voordeel dat ik zo veel ontwikkelingsprojecten zelf kon bezoeken, ook in afgelegen gebieden. Daarmee maak je Nederlandse hulp zichtbaar en kun je bij vergaderingen van donoren ook af en toe een boodschap neerleggen, bijvoorbeeld dat ze meer aandacht aan afgelegen gebieden moeten besteden, of aan de positie van vrouwen.”

Er is veel discussie over de bijdrage van westerse hulp aan het economisch succes van Aziatische landen als Indonesië. Wat vindt u?
“Ik ben er van overtuigd dat onze ontwikkelingssamenwerking een positieve bijdrage levert aan de economische groei van Indonesie, temeer daar de samenwerking zich richt op zaken als capaciteitsopbouw, verbetering van het investeringsklimaat, corruptiebestrijding, onderwijs, etc. Maar laten we vooral niet denken dat de Indonesische economie zonder onze steun geen belangrijke groei zou hebben kunnen doormaken. Het effect van onze bijdragen is moeilijk kwantificeerbaar, maar ze vormen wel degelijk een welkome steun in de rug van de hervormingsgezinde Indonesiers.
Hulp is zeer de moeite waard vind ik. Maar het gaat om de schaal. Wat kun je bereiken met de middelen die je hebt? Vroeger hadden we veel projecten die het gevolg waren van toevalligheden. Nu nauwelijks meer. Zo’n masterplan voor Zuid-Kalimantan hoe ze met de veengronden kunnen omgaan, dat zijn heel praktische dingen. Maar je moet wel de realiteit in de gaten houden, kijken waar je echt wat kunt bereiken. Gaat Nederland de wereld veranderen of zijn we wat bescheidener en concentreren ons op bepaalde sectoren? Wij hebben een hoop te bieden op watergebied, op het gebied van drinkwater, maar ook wat betreft kustbescherming, inpoldering en waterbeheer in stedelijke gebieden zoals het inklinkende Jakarta. En op juridisch gebied heeft Nederland hier natuurlijk veel expertise. Ik ben een groot voorstander van specialismen, niet alleen voor ontwikkelingssamenwerking, maar voor de hele ambassade.”

Een soort NL AID dus, de hulp-uitvoeringsorganisatie die de WRR voorstelt? Worden er al veel specialisten ingezet bij BZ?
“In praktijk gebeurt dat te weinig. Toen ik begon in 1975, was men ronduit tegen specialismes. Je moest overal inzetbaar zijn. Maar wie zegt dat een generalist overal wat kan? Als arabist had ik in de Arabische wereld lichtjaren voorsprong op mijn collega’s. Ik kon met iedereen praten. Ook omdat ik al langer in die regio meedraaide. Vorig jaar bleek dat er op de achttien diplomatieke vertegenwoordigingen in de Arabische wereld niet één BZ-diplomaat-arabist was. Ik had hier in Jakarta wel een politiek specialist die alle ins en outs kende, en ook experts op het gebied van water en onderwijs. Dat is essentieel. Gelukkig hebben we in Den Haag bij het Azië-Oceanië directoraat een aantal goede deskundigen, maar dat geldt lang niet voor alle directoraten. Dan wordt het wel amateuristisch.”

Reacties