Boekhouders aan de macht

08-04-2007
Door: Erik van Oudheusden
Bron: OneWorld

In Nederland worden jaarlijks miljoenen aan ontwikkelingsgeld uitgegeven door de overheid, door fondsen als Stichting DOEN en door particulieren, van filantropische ondernemers tot ruimhartige burgers. Het is voor veel ontwikkelingsorganisaties van groot belang om overheidssubsidie te bemachtigen. Het grote publiek laat zich misschien overhalen met behulp van campagnes, keurmerken en confrontaties op straat, maar wie geld van de overheid wil krijgen, moet met grover geschut aankomen.

In de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken voor 2007 staat 4,7 miljard euro klaar om aan ontwikkelingssamenwerking te worden uitgedeeld. Ruwweg wordt dat geld voor een derde via multilaterale kanalen als de Wereldbank en de Verenigde Naties besteed, een derde komt via de ambassades in de partnerlanden terecht en een derde wordt via het bedrijfsleven (in de vorm van exportstimulering) en particuliere organisaties uitgegeven, onder andere via het Medefinancieringsstelsel (MFS).

Er zijn in Nederland ongeveer driehonderd particuliere ontwikkelingsorganisaties, waarvan er zo'n honderd overheidsfinanciering ontvangen. Zij dienen daartoe een subsidieaanvraag in. De criteria van een subsidieaanvraag werden in 1998 door minister Herfkens op zijn kop gezet. Geïnteresseerde organisaties dienden een plan voor de komende vier jaar in te leveren, volgens een van te voren vastgesteld format. Het betekende een revolutie in de subsidiewereld, na jaren van comfortabele budgettaire vrijheden.

Onbegrensd vertrouwen

In 1965 stelde de toenmalige Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken vijf miljoen gulden ter beschikking voor medefinanciering van ontwikkelingsprojecten van niet-commerciële particuliere organisaties door de medefinancieringsorganisaties (MFO's) Novib, ICCO en Cebemo, het latere Cordaid. In 1978 kwam ook Hivos daarbij. In het begin werd elk project door een ambtenaar op het ministerie beoordeeld. De rol van de grote medefinancieringsorganisaties was voornamelijk die van doorgeefluik. Er waren wel enige voorwaarden aan subsidie verbonden (projecten mochten de lokale overheid niet voor het hoofd stoten, en het projectidee plus een kwart van de financiering moest uit het partnerland komen), maar van systematische, eenduidige criteria was geen sprake, net zomin als van meetbare resultaten.

Tweederde van MFS-verliezers maakt bezwaar   Liefst 40 van de 58 afgewezen ontwikkelingsorganisaties hebben bezwaar aangetekend tegen de verdeling van MFS-gelden van voormalig minister Van Ardenne. De bezwaarprocedure is inmiddels afgerond. Het ministerie heeft nu een arbitragecommissie ingesteld die gaat onderzoeken of het hoge aantal beroepen het gevolg is van onzorgvuldig handelen van het door het ministerie ingehuurde adviesbureau Berenschot. Een clausule in het contract van Berenschot met het ministerie spreekt van een arbitragecommissie indien meer dan 20 procent van de afgewezen organisaties formeel bezwaar zou maken. Dat percentage is ruim overschreden. Over eventuele schadeclaims tegen Berenschot kon het ministerie nog niets zeggen. Organisaties die zich ook na de bezwaarronde nog niet kunnen vinden in het besluit van het ministerie, kunnen bij de rechtbank in beroep gaan. Onder andere Plan Nederland en NiZA houden hier rekening mee. Andere organisaties, waaronder het Medisch Comité Vietnam en de Evert Vermeer Stichting, zien af van een beroepsprocedure omdat ze de kosten te hoog vinden.

De werkdruk die deze methode voor het ministerie met zich meebracht, was enorm. In 1972 werd daarom afgesproken dat de MFO's voortaan zelf projectaanvragen tot 25 duizend gulden mochten beoordelen. In 1980 besloot minister Jan de Koning de MFO's voortaan een vast bedrag te geven en ze pas achteraf, na vier jaar, om verantwoording te vragen. Die verantwoording bestond vooral uit jaarverslagen (oorspronkelijk vooral voor het publiek bestemd), accountantsverklaringen en evaluatiegesprekken. Ook voert het ministerie sinds die tijd jaarlijks een aantal grote programma-evaluaties uit, waarvan de eindrapporten ook naar de vaste kamercommissie in de Tweede Kamer worden gestuurd.

De hulporganisaties waren in de praktijk boven elke twijfel verheven, en dat was overigens niet alleen in Nederland zo. Overheden gingen er automatisch vanuit dat ngo's kostenefficiënter werkten en beter in staat waren armen te bereiken, ook al werd er nauwelijks verantwoording afgelegd voor het gevoerde beleid en ontbrak empirisch bewijs voor de geclaimde resultaten.

Het bedrag dat het ministerie beschikbaar stelde binnen het medefinancieringsprogramma bleef intussen maar stijgen: van 5 miljoen gulden in 1965 naar 29 miljoen in 1970, tot 331 miljoen gulden in 1990 - terwijl nog steeds onduidelijk was of al dat geld nu uiteindelijk effectief besteed werd. Het onbegrensde vertrouwen in hulporganisaties wordt ook wel uitgelegd als politieke desinteresse, zegt ontwikkelingsdeskundige Lau Schulpen van het CIDIN, het ontwikkelingsinstituut van de Radboud Universiteit in Nijmegen. 'Tot het begin van de jaren negentig was er een ongekende bewegingsvrijheid voor ontwikkelingsorganisaties in Nederland', aldus Schulpen.

Bende van vier

Om de wereld te laten zien dat ze goed werk verrichten en omdat ze zelf ook wel benieuwd zijn naar de effectiviteit van hun werkzaamheden, besluiten de clubs in 1991 zelf tot een impactstudie. De uitkomst is minder positief dan gehoopt. Op organisatieterrein wordt bijvoorbeeld goed gescoord, maar op economisch vlak presteren de clubs onder de maat. De interne organisatie van de ngo's wordt bij de impactstudie zelfs volledig buiten beschouwing gelaten. Het maakt allemaal weinig uit, want nog voordat de uitkomsten bekend worden gemaakt, besluit minister Pronk, gesteund door een ruime meerderheid in de kamer, zijn bijdrage aan de MFO's met tien procent te verhogen.

Eind jaren negentig is deze 'Gouden Eeuw voor ngo's', zoals ontwikkelingsdeskundige Catherine Agg de periode typeert, voorbij. Er wordt alsmaar kritischer naar ngo's en hun bestedingen gekeken. Voor de subsidies die de ontwikkelingsorganisaties nog krijgen, moet steeds gedetailleerder verslag worden uitgebracht.

Met het aantreden van Eveline Herfkens als minister voor Ontwikkelingssamenwerking werd in 1998 een serieuze poging ondernomen om de verantwoording van hulpstromen te standaardiseren. Haar meest spraakmakende actie was de toelating van Plan Nederland en Terre Des Hommes in het MFS. Herfkens wilde het machtsmonopolie van de 'bende van vier' doorbreken. Zij meende dat de vier MFO's een gesloten front vormden, dat ze financieel te afhankelijk waren van de overheid en dat ze weinig alternatieven boden. Tegelijkertijd werd de wildgroei aan steun voor andere ngo's gestroomlijnd door deze onder één noemer te brengen: de Thematische medefinanciering (TMF).

Geen keurmerk wil niet zeggen dat je niet deugt
In de ontwikkelingssector heb je keurmerken, die donoren de garantie moeten bieden dat hun gulle gift goed zal worden besteed. Lees verder>>>

Maar de kern van de revolutie van Herfkens was de eis dat organisaties de komende vier jaar vooraf moesten verantwoorden, volgens een vastgelegd stramien. Een commissie onder leiding van hoogleraar Louk de la Rive Box toetste de voorstellen. De resultaten waren destijds schokkend. 'Hulporganisatie weinig helder en meet eigen prestaties nauwelijks', kopte dagblad <i>Trouw in september 2002.

Met de TMF begon de serieuze verantwoording, ook al hield het systeem zelf slechts vier jaar stand. Criteria werden aangescherpt. De verankering in de samenleving, de aard van de organisatie, de kwaliteit van de bedrijfsvoering en de aard van het werkveld werden steeds meer gemonitord. Sinds 2002 stuurt men bovendien ieder jaar een uitgebreid jaarplan ter goedkeuring naar het ministerie.

Concurrentie

In het huidige Medefinancieringsstelsel, geïntroduceerd door minister Van Ardenne, is het er alleen maar strenger op geworden. De aanvraag moet nog gedetailleerder en nog uitgebreider zijn, en het format is dwingender geworden. Experts menen dat de balans is doorgeslagen naar te veel cijfers die in te veel tabellen moeten worden gestopt, zonder dat het bruikbare indicatoren oplevert.

Wat heeft Van Ardenne precies gedaan? Ten eerste maakte ze een einde aan het onderscheid tussen zogenaamde brede- en thematische medefinancieringsorganisaties. Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet elke organisatie een kwart van haar inkomsten uit eigen fondsenwerving halen, wat volgens sommigen zal leiden tot heviger concurrentie en meer pr-kosten. Organisaties die volgens het ministerie niet goed kunnen verantwoorden wat ze de komende vier jaar willen doen en wat ze denken te bereiken, lopen verder het risico gekort te worden in hun subsidievraag, of zelfs helemaal niets te ontvangen, hetgeen NiZA en Plan Nederland recentelijk overkwam.

De tijd dat MFO's miljoenen binnensleepten met een aanvraag van drie A4'tjes lijkt voorgoed voorbij. Met behulp van een puntensysteem op drie verschillende schijven werd op zeer gedetailleerde wijze getoetst of een organisatie voor financiering in aanmerking komt. Ten eerste was er de drempeltoets, waarbij onder andere werd gekeken of een organisatie voldoende draagvlak heeft en in verschillende landen actief is. Daarnaast werd de organisatie beoordeeld op transparantie, doelmatigheid, de mate van innovatie en het partnerbeleid. Als laatste werd het programma doorgelicht aan de hand van criteria als beleidsrelevantie, duurzaamheid en zichtbaarheid van de resultaten.

Nieuw is bovendien het onderscheid tussen Nederlandse ngo's, die onder het MFS vallen, en buitenlandse organisaties, die vallen onder de SALIN, 'Strategische Allianties met Internationale Ngo's'. De eigen organisaties hebben voorrang en ontvangen het leeuwendeel van de subsidiepot. 'Deze aanpak moet leiden tot meer kwaliteit, betere resultaten, meer samenwerking, minder versnippering en meer ruimte voor nieuwe spelers en vernieuwende initiatieven', schreef Van Ardenne in september 2006 in een brief aan de Tweede Kamer.

 Zuidelijke partners overbelast              De gedetailleerde verantwoording die medefinancieringsorganisaties moeten afleggen om voor geld in aanmerking te komen, wordt noodgedwongen doorbelast aan partner-ngo's in het Zuiden. Zij moeten immers het gevraagde cijfermateriaal aanleveren. Lees verder>>>

'Het was hard nodig de boel aan te scherpen', meent Isa Baud, hoogleraar ontwikkelingsstudies aan de UvA. Zij maakt deel uit van de commissie-Bikker, die de subsidieaanvragen binnen het MFS vorig jaar beoordeelde. 'Lange tijd is het beleid geweest om subsidie vóóraf te geven zonder heldere verantwoording. Er woedde al enige tijd een discussie over de vraag of dat nou zo'n goed idee was. Nu verlangen we een kwalitatieve en kwantitatieve verantwoording van subsidieaanvragers. Als subsidiecommissie willen wij graag horen hoeveel mensen je met een voorstel denkt te bereiken. We rekenen niemand af op precieze cijfertjes, maar als je geen idee hebt van de orde van grote van je project, of van het aantal mensen dat ermee bereikt wordt, dan weet je niet wat je doet. Het gaat om een fors bedrag, dat mag wel verantwoord worden, vind ik.'

Verfrissend

De ontwikkelingsorganisaties schikten zich, veelal morrend, in hun lot. Na eens diep adem gehaald te hebben werden al in 2004 mensen vrijgemaakt om aan de subsidieaanvraag voor de periode 2007-2010 te gaan werken. Dat had ook positieve kanten. 'In feite dwong de minister ons om eens kritisch naar ons eigen functioneren te kijken. Ik heb dat als spannend en nuttig ervaren', zegt Allert van den Ham, directeur programma's en projecten bij Hivos, dat de 260 miljoen euro ontving waar het om gevraagd had. 'Het MFS heeft een extra slag ingebracht in ons denken, we werden gedwongen om keuzes te maken. We hebben een heleboel mensen geconsulteerd uit de vakbeweging en het bedrijfsleven en we spraken met veel maatschappelijke organisaties. De vensters gingen open. Iedereen mocht meedenken over ons beleid, we wilden ideeën binnenhalen. Daar hebben we veel tijd aan besteed. Wat dat betreft was het verfrissend en belonend.'

Jack van Ham, directeur van ICCO, heeft een soortgelijke ervaring: 'Er komen nieuwe vragen op ons af. De komende jaren zal de ontwikkelingswereld ingrijpend veranderen, al was het alleen maar door de activiteiten van China in Afrika. Onze jarenlange kokerachtige Noord-Zuidbenadering moet op de helling, het moet meer tweerichtingsverkeer worden. Wat dat betreft schudt het nieuwe Medefinancieringsstelsel het bed op. We waren intern al aan het nadenken over onze toekomstige rol, maar door het MFS is het allemaal in een stroomversnelling gekomen.'

Tien manjaren

Toch ging de introductie van het vernieuwde MFS gepaard met scherpe kritiek, van zowel deskundigen als ontwikkelingsorganisaties. Er was kritiek op de toetsingscriteria; volgens het CIDIN waren die 'boterzacht'. Voor branchevereniging Partos was het volstrekt onduidelijk hoe de verschillende beoordelaars tot hun oordeel waren gekomen en was het opmerkelijk dat er in de beoordelingen 'wat al te vaak van copy-paste gebruik is gemaakt'. Een groot deel van de kritiek betreft de boekhoudkundige manier waarop de aanvragen gedaan moesten worden.

Stichting Doen Medefinancieringsorganisaties kijken soms een tikkeltje jaloers naar Stichting DOEN, een club die dankzij de Nationale Postcode Loterij over veel financiële middelen beschikt, maar daar relatief weinig papierwerk voor nodig heeft. Lees verder>>>

Zo leverde ICCO uiteindelijk een 447 pagina's tellende subsidieaanvraag in, vergezeld van een bedrijfsplan van 79 pagina's plus 2000 pagina's aan bijlagen. Het kostte de organisatie tien manjaren om de aanvraag rond te krijgen. 'Log frames, beleidsanalyses, we proberen het allemaal zo perfect mogelijk te doen, maar eigenlijk vind ik dat het systeem te ver is doorgeschoten', zegt Jack van Ham. 'De absolute nadruk op resultaten leidt tot een fictieve werkelijkheid. Ik zou er nog vrede mee hebben als de overheid tegelijkertijd zegt: 'calculeer risico in', maar dat gebeurt niet. Als je een innovatief bedrijf hebt, loop je nu eenmaal risico. Vaak mislukt dertig procent van de initiatieven, nog een derde voldoet niet helemaal aan de verwachtingen en al het overige is uitermate succesvol. Maar als wij 25 miljoen euro moeten afschrijven, komen we daar niet mee weg. Dit systeem staat geen mislukkingen toe, maar ontwikkelingssamenwerking blijft pionierswerk. Het risico om dingen die niet gelukt zijn uit beeld te laten verdwijnen is nu heel erg groot. Het gevolg is verder dat organisaties geen risico's meer nemen, geen investeringen meer doen.'

Hoogleraar Isa Baud erkent dat deze werkwijze in de praktijk soms ingewikkelde verantwoording oplevert: 'Vooral bij grote clubs met omvangrijke programma's in meerdere landen kan het stramien voor complexiteiten zorgen.' Maar ze bestrijdt dat het systeem te ver is doorgeschoten. 'Het stramien is resultaatgericht, maar we verwachten niet dat alles voor honderd procent zal lukken. Het gaat ons erom dat ngo's straks snáppen waarom het niet lukte. We hebben als Medefinancieringscommissie ook duidelijk gezegd dat we helemaal niet zaten te wachten op honderden pagina's subsidieaanvraag. Dat was niet de bedoeling. We vroegen om een verhaal in hoofdlijnen. Er zitten ook aanvragen bij die helemaal niet zo dik zijn, die gewoon zijn gehonoreerd. Die clubs hebben het begrepen. Het stramien was dus werkbaar.'

Mooie beloftes

Filantropie en subsidies
Je moet je huiswerk goed gedaan hebben voordat je bij een filantroop aanklopt met het verzoek om subsidie. Lees verder>>>

Bij de meeste ontwikkelingsorganisaties overheerst een ander gevoel. Jack van Ham waarschuwt voor uitholling van verantwoordingsmechanismen. 'Als we niet oppassen, schieten we door naar een systeem van veel tellen, veel papier en weinig leren. Soms lijkt het op de Millenniumdoelstellingen. Mooie beloftes, maar de realisatie is godgeklaagd. Ook ICCO heeft een hoop zaken beloofd en waarschijnlijk gaan we die niet allemaal redden. Officieel natuurlijk wel. We hebben het opgeschreven, dus we gaan het doen. Maar er hoeft alleen maar een tsunami overheen te gaan, en we halen onze doelstellingen niet meer. In ons werk heb je te maken met dagkoersen. Wat voor voorspellingswaarde heb je in landen als Congo of Colombia? Onder het nieuwe Medefinancieringsstelsel willen ze dat je projecten bovendien in stukjes opknipt. Onderwijs. Gezondheidszorg. Aids. Dat zijn dan formeel drie verschillende thema's, terwijl die zaken juist alles met elkaar te maken hebben. Als je de verbanden onderling buiten beschouwing laat, mis je een deel van de werkelijkheid. Hoe simpeler je de wereld maakt, hoe groter straks de teleurstelling.' '

Het systeem is te ver doorgeschoten', zegt ook Lau Schulpen van het CIDIN. Hij schrok toen hij de aanvraagprocedure onderzocht: 'Om een aanvraag gehonoreerd te zien moet je vijf keer hetzelfde invullen. Ik heb erg veel moeite met de zeer gedetailleerde, niet eenduidige vragen. De vragen worden steeds herhaald, en het is niet duidelijk wanneer het goed is. Wat zeggen al die tabellen met cijfers nu? Er worden bovendien dingen gevraagd die je voor geen meter kunt weten. Op rapportageniveau is het zó gedetailleerd. Ik geloof er niets van dat je alles van tevoren zo minutieus kunt voorspellen en het straks ook kunt verantwoorden.'

Blinde vlek

Deze kritiek wordt in de sector breed gedeeld. Oud-minister voor Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk uitte tijdens zijn lezing voor de Evert Vermeer Stichting in februari scherpe kritiek op de ontwikkelingen in de sector. 'Ontwikkeling zijn niet twee momenten - voor en na de hulp - die met elkaar vergeleken kunnen worden, maar is een proces', zo stelde hij. 'Die versimpeling, voortvloeiend uit het denken van bedrijfskundigen en managers in termen van kosten/baten analyse, is thans gemeengoed. Dergelijke abstracties en simplificaties hebben het ontwikkelingsbeleid veel kwaad berokkend', aldus Pronk. 'Ontwikkelingssamenwerking, in plaats van onderdeel te worden van een coherente beleidsbenadering van ontwikkelingsprocessen, heeft zich steeds meer ontwikkeld tot iets afzonderlijks, los van oorlog en vrede, los van klimaat en milieu, los van migratie, religie en cultuur.'

Ontwikkelingssamenwerking wordt volgens de oud-minister teveel geëvalueerd aan de hand van criteria als efficiency en effectiviteit: 'Situaties worden met elkaar vergeleken die nauwelijks vergelijkbaar zijn: verschillende landen, regio's, dorpen, culturen, tijdstippen, geografische omstandigheden en machtsverhoudingen.' Daarvan abstraheren is aldus Pronk een versimpeling en leidt ertoe dat zaken die nauwelijks of niet meetbaar zijn, worden weggelaten. 'Het leidt ertoe dat het beleid een blinde vlek ontwikkelt voor culturele en politieke factoren.'

Eerder dit jaar uitte Hans Dijkstal soortgelijke kritiek, toen hij een adviescommissie voorzat die door een groep Nederlandse ontwikkelingsorganisaties was gevraagd om ontwikkelingssamenwerking door te lichten op draagvlak en effectiviteit. Hij waarschuwde: 'Minister Van Ardenne wil precies weten wat hulporganisaties de komende jaren van plan zijn en wat voor resultaat die inspanningen hebben. Maar niet alle effecten zijn in cijfers te vangen. Het is lastig om ongelijksoortige resultaten van verschillende activiteiten bij elkaar op te tellen.'

'Het is goed om publiek geld netjes te verantwoorden', schrijft Dijkstal in het rapport Vertrouwen in een kwetsbare sector? 'Maar als het doorslaat in een systeem dat erg bureaucratisch wordt en waarin je denkt dat je tot in het kleinste detail ingewikkelde processen kunt uitdrukken in getallen, dan moet je daarvan terugkomen', zei hij bij de presentatie van zijn rapport. 'Effectiviteit meten is prima, maar je moet oppassen dat je dat niet doet met meetinstrumenten die niet geschikt of onvoldoende ontwikkeld zijn, en in ieder geval verkeerd materiaal opleveren.' Het is volgens Dijkstal een illusie te denken dat het gevraagde cijfermateriaal de werkelijkheid benadert. Dat vindt ook brancheorganisatie Partos, die in een brief aan de minister schreef 'bezorgd te zijn over de ontwikkeling die met dit aanvraagstramien en de wijze van wegen is ingezet. Het huidige MFS zou kwaliteitsverhogend werken. Maar leidt het niet veeleer tot conformeren aan gestelde eisen, het ontwijken van thema's die meer risico van mislukken hebben of waarvan de resultaten moeilijker kwantificeerbaar te meten zijn? Over tien jaar hebben de meeste organisaties het trucje door en weten dan goed te scoren. De onderscheiding zal dan nog hooguit in de prijsstelling gevonden worden. De doelmatigheid zal worden verheven boven doeltreffendheid en inhoud. Moet niet veel meer rekening gehouden worden met de contextgevoeligheid van het werk, met de lange termijn die veranderingsprocessen vragen, met de pluriformiteit van het particuliere veld, die blijkens de TMF-evaluatie juist een meerwaarde heeft?'

Toelatingsexamen

Een aantal clubs had zelf ook al bedacht dat cijfers niet zaligmakend zijn en probeerde zoveel mogelijk een eigen plan te trekken. 'Het is in niemands belang om door te denderen binnen een afgesproken kader. We waren zo eigenwijs om niet overal in te gaan op de vraag naar gedetailleerde voorspellingen', vertelt Jappe Kok, hoofd toetsing, evaluatie en controle bij Hivos. 'We wilden niet te veel beloven. De minister heeft dat geaccepteerd. Ze mogen ons altijd vragen waaróm we ergens van afwijken. Als we dat niet kunnen verantwoorden, is het terecht dat we daarop worden aangesproken. Maar verantwoorden mag niet veranderen in afrekenen. "We zullen nooit van jullie vragen wat we zelf niet kunnen geven", hebben ambtenaren van het ministerie in het verleden tegen ons gezegd. Het is de vraag of dat nog steeds zo is.'

Bij Hivos benadrukken ze dat ze niets te klagen hebben. Immers, de subsidieaanvraag is volledig gehonoreerd. Maar toch is er commentaar. 'We hebben onze plannen nog nooit eerder zo gedetailleerd gepresenteerd,' zegt Hivos' Allert van den Ham, 'maar hoeveel voegt al die informatie nu toe? Levert dit extra data op die je als besluitvormer nodig hebt? Je mag toch hopen dat al die gedetailleerde informatie nu ook echt bij de besluitvorming betrokken wordt. Ik denk eigenlijk niet dat ze dat kunnen. Ik snap best dat ze nieuwe clubs eerst aan een toelatingsexamen onderwerpen, maar wij werken al twintig jaar goed samen met het ministerie. Op een gegeven moment moet je kunnen afgaan op de professionaliteit van je partners.'

Zelfreflectie

Stichting DOEN en filantropische ondernemers hebben de vrijheid om een pragmatischer beleid te voeren (zie kaders), maar op het ministerie is de boekhoudkundige verantwoording tot hoogste macht verheven. In de ontwikkelingswereld wordt op verontwaardigde toon gerefereerd aan het rapport van het ministerie over bilaterale hulp uit 2004, 'Resultaten in ontwikkeling'. Hierin schrijft Van Ardenne dat het moeilijk, zo niet onmogelijk is om precies aan te geven wat de bijdrage van het ministerie is geweest in het ontwikkelingsproces. 'Logisch!' roept Lau Schulpen van het CIDIN. 'Het is ook niet eenvoudig om dat te bepalen. Maar verwacht het dan ook niet van andere ontwikkelingsorganisaties. Ik vind dat niet kunnen.'

'Organisatorisch na-aapgedrag'
De 'logical framework analysis' of 'log frame' is voor de tegenstanders van de boekhoudkundige verantwoording van OS-gelden een symbool voor alles wat er mis is met het evaluatiesysteem. ‘Lees verder>>>’

Schulpen erkent dat het goed is om als organisatie vooraf en niet pas achteraf met een onderbouwing van je plannen te komen. 'Uiteindelijk moet je alleen de betere organisaties financieren. Het gaat om miljoenen. Als je zoveel geld krijgt, is het terecht dat organisaties daar zo goed mogelijk verantwoording over afleggen. De vraag is hoe. Een manier zou zijn om organisaties een aantal representatieve projecten over een langere periode te laten beschrijven. Of probeer als organisatie in woorden te analyseren wat er in een gebied verandert en wat de rol van jouw werk daarbij geweest kan zijn. Maar doe het zonder alles in cijfers en tabellen te proppen.

Durf eerlijk je fouten toe te geven. Kritische zelfreflectie is belangrijk. Alleen maar juichverhalen, dat leidt uiteindelijk tot cynisme. Laat maar zien dat je een lerende organisatie bent, dat heb ik liever. Dat betekent dat het publiek en vooral ook de politiek haar verwachtingen moet bijstellen. Ze moeten leren dat ontwikkelingssamenwerking niet is: je stopt er iets in en dan krijg je er iets uit. Maar het vertrouwen in ontwikkelingsorganisaties is al zo laag. Elk slecht bericht bevestigt de vooroordelen. Mensen moeten begrijpen dat ontwikkelingswerk niet zo eenvoudig is, en dat er dus fouten gemaakt worden.'

Eenzijdig proces

'Zowel de overheid als de ontwikkelingsorganisaties moeten beter, eerlijker en moderner communiceren', concludeerde ook de commissie onder leiding van Dijkstal: 'Meet wat je meten kunt. Wat niet gemeten kan worden, is een kwestie van vertrouwen. Het is wenselijk (terug) te keren naar een situatie waarin de overheid durft te sturen op vertrouwen in de professionaliteit van organisaties', meldt het rapport. Kortom: verstrek subsidie aan ontwikkelingsorganisaties die intern hun zaakjes op orde hebben, die een goede bedrijfsvoering hebben, hun club managen in overeenstemming met de Code Goed Bestuur voor Goede Doelen, en die 'ordentelijke en transparante' verslaglegging en accountantscontrole toestaan. Ondertussen moeten de bestuurders van organisaties proberen te leren van gemaakte fouten en minder 'naar binnen gericht' opereren.

En er moet veel meer gepraat worden. 'Wat we vooral hebben gemist', zegt Allert van den Ham van Hivos, 'is de dialoog. Het is een heel eenzijdig proces geweest. Reflectie kan op zoveel andere manieren. Vraag niet honderd, maar tien dingen en ga daar vervolgens eens goed over praten met z'n allen. Onze eigen partners komen naar ons toe met projectvoorstellen, daarmee gaan wij ook in debat. Iedereen wordt daar beter van. Het was interessant geweest om met het ministerie te kunnen discussiëren over de voorgestelde vormen van hulp en zo de plannen aan te scherpen.'

De meeste officiële ontwikkelingshulp (Official Development Aid, of ODA) verloopt nog steeds via bilaterale en multilaterale kanalen. Voor dit geld (in 2007 een bedrag van ruim 2,6 miljard euro) gelden de strenge criteria die Van Ardenne aan de ngo's oplegde, niet. Dat is niet in de haak, meent Lau Schulpen. 'Er wordt van ngo's zo verschrikkelijk veel gevraagd, informatie die bilaterale en multilaterale donoren niet hoeven geven. Het zijn grote woorden, maar ik noem dat slecht bestuur. Als je als minister de effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking zo serieus neemt, moet je de eisen voor iedereen toepassen en die eisen zeker ook aan jezelf stellen.'

Realiteit

Of de volgende ronde van het Medefinancieringsstelsel in 2010 minder bureaucratisch zal verlopen, hangt van vele, nu nog onzekere factoren af. Zo lopen de beroepsprocedures nog van clubs die het niet eens zijn met het besluit van de minister over de subsidieaanvraag 2007-2010 (zie kader). Verder kan Bert Koenders, de nieuwe minister voor ontwikkelingssamenwerking, nog besluiten een eigen stempel op het beleid te drukken en wordt er met spanning gewacht op de uitkomsten van een evaluatieonderzoek dat wetenschappers Arie de Ruijter (Universiteit Tilburg) en Ton Dietz (UvA) in opdracht van het Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking en branchevereniging Partos uitvoeren. Het onderzoek had in januari al gereed moeten zijn, maar is nog steeds niet gepubliceerd. Waarschijnlijk wordt het mei.

Deze evaluatie betreft het aanlooptraject tot 22 april, de deadline waarop de subsidieaanvragen bij het ministerie ingediend moesten zijn. Initiatiefnemer Paul Mudde van Partos licht toe: 'Hoe is het gegaan? Waarom zijn bepaalde criteria wel of niet opgenomen? Hoe was de communicatie met het ministerie? Was de procedure zorgvuldig? De sector vindt het enorm belangrijk om het aanloopproces goed te evalueren en daarvan te leren voor een volgende ronde van subsidieaanvragen.'

Terug in Utrecht, op het hoofdkantoor van ICCO, neemt Jack van Ham nogmaals het woord 'dagkoersen' in de mond, ditmaal als het gaat over het Medefinancieringsstelsel zelf. 'Het bedrijfsleven komt juist los van dat cijfergedoe, maar wij lopen er nog achteraan te hinniken. Dat zal op den duur ook wel weer veranderen. Wat ik ervan vind? Ach, dat doet er niet echt toe. Het Medefinancieringsstelsel is een politieke realiteit. Als ontwikkelingsorganisatie zijn we gewend om met realiteiten rekening te houden.'

Websites: www.ncdo.nl; www.euforic.org; www.capacity.org; www.doen.nl; www.minbuza.nl

Reacties