Arbeidsrechten de dupe van groei snijbloementeelt

09-08-2006
Door: OneWorld Redactie
Bron: IPS

Hoewel Nederland met 50 procent van de wereldexport nog steeds veruit de grootste exporteur is, groeit de concurrentie vanuit ontwikkelingslanden. Colombia is momenteel goed voor 12 procent van de wereldexport, Ecuador voor 5 procent en Kenia voor 4 procent, blijkt uit recente cijfers van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) in Wageningen. Oost-Afrikaanse landen wisten Nederland van de markt te verdringen met de teelt van kleinbloemige rozen. Nederland en Latijns-Amerikaanse landen telen vooral grootbloemige rozen.
 
Ontwikkelingslanden zijn vooral concurrentieel omdat de arbeidskosten laag zijn. In Colombia verdient een werknemer in de snijbloemenindustrie een minimuminkomen van 127 euro per maand. "Het is belangrijk dat de industrie groeit", zegt Diana Alexandra Castañeda, juridisch adviseur van Corporación Cactus, een organisatie die de belangen van werknemers behartigt. "Maar achter de schermen worden de mensenrechten geschonden. Voor vrouwen, die 60 procent van de werknemers uitmaken, zijn er meestal geen goede regelingen."
 
Aan het einde van de jaren zestig kreeg Colombia de eerste snijbloementelers. Kleine boeren in Mosquera, Madrid en Funza, steden ten westen van de hoofdstad Bogotá, verkochten hun bloemen in de directe omgeving, inclusief Bogotá. De teelt zorgde voor goede inkomsten, waardoor de boeren zich een fatsoenlijk huis konden veroorloven.
 
De productie groeide snel. In 1995 exporteerde Colombia voor 369 miljoen euro. Kort daarna, in 1998, kocht de Amerikaanse multinational Dole het Colombiaanse Splendor Flowers. Dat bedrijf werd met 2.500 werknemers een van de grootste bedrijven in Latijns-Amerika. "Vanaf dat moment veranderde er veel", zegt Beatriz Fuentes, voorzitter van Sintrasplendor, een van de zes vakbonden voor de bloemenindustrie. Deze vakbonden ontstonden allemaal in de afgelopen tien jaar. "Beloningssystemen veranderden en de werkdruk werd hoger doordat werknemers in dezelfde tijd meer bloemen moesten snijden en verpakken."
 
Terwijl de sector bleef groeien, ontstonden bovendien problemen met gebruik van bestrijdingsmiddelen. Werknemers werden niet voldoende voorgelicht over de gevaren van bepaalde producten. Volgens richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie moeten mensen minimal 24 uur wegblijven van percelen die besproeid zijn met bestrijdingsmiddelen.
 
Uit onderzoek dat Corporación Cactus deed tussen 2000 en 2004, bleek echter dat mensen gewoon doorwerkten tijdens sproeiwerkzaamheden. "Het gif komt in hun lichaam en kleding terecht", aldus het rapport. Werknemers lopen daardoor een verhoogde kans op zenuwaandoeningen. Opvallend veel werknemers in de snijbloemenindustrie krijgen bovendien last van RSI, klachten veroorzaakt door repetitieve bewegingen. Van alle Colombianen met RSI werkt 32 procent in de snijbloemenindustrie.
 
Het vrijhandelsakkoord tussen Colombia en de Verenigde Staten, dat waarschijnlijk aan het einde van dit jaar ondertekend wordt, handhaaft de gunstige tarieven die nu al gelden voor de import van Colombiaanse snijbloemen. Maar voor de 100.000 werknemers in de sector verwachten de vakbonden geen betere arbeidsomstandigheden, zoals hogere lonen en betere rechtsbescherming voor vrouwelijke werknemers.
 
Colombia heeft in de Verenigde Staten een marktaandeel van 60 procent. Vier procent van de Europese snijbloemimport komt uit Colombia. Daarmee is het land de op drie na grootste leverancier aan Europa.

Reacties