Abidjan, Ivoorkust. Voor de ingang van een fumoir (speciale rokersgelegenheid) staan drie jonge mannen zakjes cocaïne te verdelen, binnen zitten twintig oudere mannen met bloeddoorlopen ogen en bruine tanden. Er ligt een spiegel op tafel en ze geven elkaar een joint door. De wildgroei van deze fumoirs is een neveneffect van de tonnen cocaïne die, bestemd voor Europa, jaarlijks aankomen in West-Afrikaanse havens.

Gonzagueville is een van de armste wijken van de Ivoriaanse havenstad Abidjan. Het ligt ingebed tussen de internationale luchthaven, de zeehaven Port-Bouët en een snelweg. Achter die snelweg ligt een strook braakliggend land, en daarnaast begint de oceaan en liggen tankers voor anker.

62644_124719_o0Q9ua
Er wordt gezegd dat het aantal fumoirs in Abidjan meegroeit met de Europese vraag naar cocaïne. Beeld door: Daan Bauwens

In Gonzagueville hebben we ‘s ochtends afgesproken met Arthur, een rijzige Ivoriaan die door het leven gaat onder de bijnaam Grand-Mère. Grand-Mère leidt de Ivoriaanse lhbti-beweging, verkiest met ‘zij’ aangesproken te worden en ontfermt zich over de drugsverslaafden in haar wijk.

Ze heeft een bezoek kunnen regelen aan een fumoir, een plek zoals er hier honderden bestaan, waar Ivoriaanse mannen cannabis, crack of heroïne kopen en ter plaatse gebruiken. Om naar binnen te mogen, heb je toestemming nodig van de Babatché, ‘machtige vader’ in het Malinké. De Babatché zorgt niet alleen dat zijn fumoir bevoorraad wordt met drugs van enige kwaliteit, hij verzekert ook dat zijn gebruikers geen overlast veroorzaken in de buurt. Hij doet schenkingen aan de buurtschool, slaagt erin goede relaties te onderhouden met de politie of de gendarmerie, die elke dag langskomen om hun commissie op te halen. Zodra je de hand van de Babatché hebt gedrukt, zou je niets mogen overkomen.

Binnen zitten 20 mannen met bloeddoorlopen ogen. Op tafel ligt een gebroken spiegel

In de hoofdstraat van Gonzagueville worden we samen met Grand-Mère opgepikt door de contactpersoon die de Babatché heeft gestuurd. Na een wandeling van tien minuten komen we aan op een open plek tussen de huizen. Onder een baobab staat een geïmproviseerde tent die is afgeschermd met een paarse doek en gordijnen van bamboe. Voor de ingang staan drie jonge mannen in chique kleding zakjes cocaïne te verdelen.

Binnen zitten twintig oudere mannen met bloeddoorlopen ogen en bruine tanden. Er ligt een gebroken spiegel op een tafel. Ze geven een joint van twintig centimeter door en kijken ons aan met een mix van gastvrijheid en argwaan. Een man met grijze baard en pet prevelt: ‘Als ik kies om te roken, doe ik dat. Je moet je eigen keuzes maken, doen wat je moet doen, of het nu goed is of slecht.’

Crack geeft een snelle rush, gevolgd door een diepe crash. Het is de meest verslavende vorm van cocaïne. Als kippen scharen de aanwezige gebruikers zich rond twintig nieuw gearriveerde dosissen. Een van de jongeren die ons in de gaten houden bij de ingang moet de Babatché zijn, maar we komen nooit te weten wie het is. Fumoirs zijn soms zo groot dat ze driehonderd gebruikers tegelijk kunnen ontvangen. Sommigen doen tegelijk dienst als groente- of kippenmarkt, en ééntje in het centrum van Abidjan heeft een binnentuin met wietplantage.

Recent onderzoek van Médecins du Monde toont aan dat tbc vijftig maar en hiv bijna driemaal zo veel voorkomt in fumoirs als erbuiten. Medewerkers van de ngo die we spraken, wijten dat laatste aan het grote aantal mannelijke sekswerkers dat je er aantreft. Grand-Mère, zelf ook sekswerker, beaamt dat: ‘Ieder heeft zijn eigen verhaal, maar heel vaak bieden cliënten veel meer geld als je ermee akkoord gaat samen met hen te snuiven.’

De cocaïne die in Abidjan achterblijft

De wildgroei van fumoirs in het hele land, maar vooral in Abidjan, is volgens velen een bij-effect van de tonnen cocaïne die jaarlijks in de haven van Abidjan aankomen. Het grootste deel vaart door naar Europa, maar wat achterblijft, moet aan de man gebracht worden. Sommigen beweren dat het aantal fumoirs in de stad meedeint met de Europese vraag. De naar schatting honderden fumoirs doen er dienst als een netwerk van gebruiks- en verdeelcentra voor zowel crack als pure blanche, witte cocaïne, voor wie het zich kan permitteren. Met prijzen die de enorme kloof tussen arm en rijk respecteren: een portie crack kost omgerekend 3 euro, een gram cocaïne net geen 70.

Niet alleen Abidjan; ook Dakar, Bissau, Cotonou en Lomé zijn tussenstops voor cocaïne op weg naar Europa. De route van Zuid-Amerika naar West-Afrika staat bij anti-drugsbrigades bekend als Highway 10, verwijzend naar de tiende breedtegraad. Over die breedtegraad werden enkele eeuwen geleden miljoenen gevangengenomen slaafgemaakten naar Amerika verscheept. Nu is ze in omgekeerde richting een van de favoriete trajecten voor Zuid-Amerikaanse drugskartels.

6aec05bd89_Screenshot 2019-11-29 at 15.34.12

Onderzoek van Antonio Mazzitelli, vertegenwoordiger in Dakar van het VN-orgaan dat toeziet op wereldwijde drugsmisdaad (UNODC), toont aan dat de route pas rond de eeuwwisseling in gebruik werd genomen, nadat de monitoring van schepen tussen Europa en Zuid-Amerika aanscherpte. De kartels gingen in zee met Nigeriaanse netwerken die in de decennia ervoor expertise hadden opgebouwd in het smokkelen van heroïne naar de VS. De Zuid-Amerikanen konden vanuit West-Afrika sneller inspelen op de vraag uit Europa. De Nigeriaanse netwerken zorgden voor de nodige politiek-militaire connecties ter plaatse, waardoor de Zuid-Amerikanen ongestoord hun gang konden gaan.

Highway 10 beleefde haar hoogtijdagen in 2007, toen naar schatting 70 ton cocaïne door West-Afrika passeerde. Na enkele belangrijke politieoperaties en arrestaties viel dit terug tot 40 ton per jaar. Maar het lijkt erop dat de route opnieuw aan belang wint.

In maart dit jaar werd in Guinee-Bissau voor het eerst in tien jaar opnieuw een drugsvangst gedaan. In een vistruck met bestemming Mali vond de politie 800 kilogram cocaïne. In Dakar werd begin deze zomer in één week meer dan 1000 kilo cocaïne onderschept op verschillende transporten. En in Kaapverdië werd in één klap 9600 kilogram ontdekt op een schip met Panamese vlag.

In 2004 kwam 7 procent van alle cocaïnegebruikers ter wereld uit Afrika. In 2011 al 15 procent

Ook in Zuid-Amerika werden ladingen met bestemming West-Afrika onderschept. Zo werd in september 2018 in de haven van Santos, Brazilië, 1200 kilo cocaïne onderschept die was ingelast in het metaalwerk van zware bouwmachines. De volledige lading was na een tussenstop in Abidjan bestemd voor Italië. In 2016 werd 8000 kilo tegengehouden op de grens tussen Bolivia en Argentinië -ook deze lading was bestemd voor Abidjan.

De schattingen lopen sterk uiteen, maar minstens eenderde van de totale hoeveelheid cocaïne in transit zou achterblijven in de West-Afrikaanse doorvoerhavens. Highway 10 werd rond de eeuwwisseling in gebruik genomen, en was in 2007 volledig operationeel. Naar schatting 70 ton zou toen West-Afrika gepasseerd zijn. Tegelijk nam het aantal Afrikaanse gebruikers in rap tempo toe. In 2004 was Afrika goed voor naar schatting 7 procent van alle cocaïnegebruikers ter wereld; in 2011 was dit al 15 procent.

62644_124720_9W8O9P
In de doorvoerhavens op Highway 10 blijven veel drugs achter. Op dit strand vinden de autoriteiten elke maand vissersboten met cannabis of pillen aan boord. Beeld door: Daan Bauwens

Experts gaan ervan uit dat de toegenomen controle op geldstromen ook een negatieve impact heeft gehad. Omdat geld traceerbaar is, worden lokale handlangers niet langer uitbetaald in geld maar in cocaïne, waardoor deze op zoek moeten naar een lokale afzetmarkt. Dubbele winst voor de kartels: betalingen zijn niet traceerbaar en er ontstaat een nieuwe markt. Dakar, Lomé en Abidjan hebben zich zo dus ‘opgewerkt’ tot exportbestemming in plaats van enkel doorvoerhaven.

UNODC-vertegenwoordiger Antonio Mazzitelli bevestigt dit: “Het is een gebruikelijke ontwikkeling. De Afrikaanse markt is niet anders dan de rest van de wereld in termen van vraag en aanbod. Aan de aanbodzijde zijn criminele organisaties erop uit om nieuwe markten te ontwikkelen en te voeden. Aan de vraagkant hebben we vooral jonge consumenten, die dezelfde producten willen consumeren als de rest van de wereld. Inclusief cocaïne.”

Handel bedreigt stabiliteit in West-Afrika

Mazzitelli wijst naast de impact op de volksgezondheid, ook op andere gevaren: “Wanneer groeperingen erin slagen de hand te leggen op de inkomsten van de handel, komen er geweld en politieke instabiliteit van.” De handel in drugs zou ondertussen zulke proporties aannemen dat het de vrede en stabiliteit in West-Afrika bedreigt.

Tijdens een speciale vergadering van de VN-Veiligheidsraad eind vorig jaar, zei UNODC-topman Yuri Fedotov dat drugshandel in Centraal- en West-Afrika ‘het bestuur, de veiligheid, de economische groei en de volksgezondheid destabiliseert.’ Hij herhaalde hiermee wat Kofi Annan vijftien jaar geleden al zei. Die waarschuwde de Veiligheidsraad toen voor instabiliteit en ‘militair avonturisme’ in de regio, omdat ‘leden van de veiligheidsdiensten en het leger zich inlaten met drugssmokkel’. Met andere woorden: delen van het leger, politieke partijen maar ook rebellenbewegingen kunnen de hand leggen op de opbrengsten van de drugssmokkel, zich bewapenen en de macht proberen te grijpen. En als die macht gegrepen wordt, wordt de cocaïnehandel niet meteen uit handen gegeven.

In een arme wijk van Abidjan is een fumoir tegen de kazerne van de gendarmerie aangebouwd

Ivoorkust lijkt het voortouw te nemen in de strijd tegen drugs. De bewuste sessie in de Veiligheidsraad werd door Ivoorkust voorgezeten. President Alassane Ouattara heeft zijn Nationale Veiligheidsraad deze zomer opgedragen de drugshandel door zijn land in kaart te brengen. Ouattara’s bedoelingen klinken mooi, maar het initiatief heeft weinig kans van slagen. Onderzoekers moeten onder andere dealers opsporen en hen een vragenlijst voorleggen. De vragenlijsten, die we in handen kregen, vragen de dealers exact waar ze hun koopwaar vandaan halen, wie hun clientèle is en hoeveel ze ermee verdienen. Dealers opsporen in Abidjan is niet bepaald moeilijk, maar dat die eerlijke antwoorden zullen geven, lijkt niet erg waarschijnlijk.

Een andere reden om te twijfelen aan de goede bedoelingen van Ivoorkust: Opération Epervier, van de Ivoriaanse politie, probeert sinds 2016 het ‘grote banditisme’ aan te pakken door de afzetmarkt voor drugs droog te leggen. Tijdens de operatie werden in twee weken tijd in het hele land 239 fumoirs afgebroken en 5818 personen aangehouden. Maar in de vier jaar dat de operatie loopt, is volgens verklaringen van de Ivoriaanse politie slechts 150 gram cocaïne aangetroffen.

Het vernielen van fumoirs lijkt ook niet bepaald een prioriteit van de regering. In Adjamé, één van de armste wijken van de stad, passeren we een fumoir die doodleuk is aangebouwd tegen de kazerne van de gendarmerie. Sterker nog, volgens onze bronnen worden fumoirs er op voorhand door de politie van op de hoogte gesteld als een inval op handen is. Geen enkel lid van de regering of de autoriteiten wil ons te woord staan.

62644_124717_9sRBx0
In september 2018 werd 1200 kilo cocaïne in beslag genomen in Brazilië, bestemd voor Italië, met een tussenstop in de haven van Abidjan. Beeld door: Daan Bauwens

Tijdens ons verblijf in Abidjan vindt een ceremonie plaats in het presidentieel paleis, waarbij president Ouattara politieagent Touré Mabonga, hoofd van de narcoticabrigade, tot beste politieagent van het jaar uitroept. Ondanks de feestelijkheden krijgen we geen antwoord op onze talloze verzoeken haar te spreken. Agent Adomo Bonaventure leidde de internationale operatie waarbij in juni vier leden van de Camorra en ‘Ndrangheta gearresteerd werden, in de zaak van de 1200 kilo cocaïne. Ook hem krijgen we niet te zien.

Als laatste poging starten we een procedure waarbij we ons beroepen op de Ivoriaanse wet op openbaarheid van bestuur. Wanneer een ministerie na twee weken nog steeds niet reageert, moet volgens die wet de CAIDP in actie komen, maar die commissie stopt zelf met reageren na de bewuste twee weken.

Jeugdbendes

De regering heeft volgens veel van onze bronnen redenen te over om de lippen stijf op elkaar te houden. ‘C’est un sujet très sensible’, krijgen we steeds te horen. Hoe het precies ligt, begrijpen we op onze laatste dag in Abidjan.

Abobo, de armste wijk van de stad, is een spookachtige getto met meer dan een miljoen inwoners. Het regent wanneer we Bernard (schuilnaam) op straat oppikken. Bernard is 25 en maakte tot voor kort deel uit van wat men in Ivoorkust microbes noemt: rovende en moordende jeugdbendes die de getto’s van Abobo en Adjamé onveilig maakten. Volgens getuigenissen en krantenberichten werden de microbes hierin nauwelijks gehinderd door de politie. Bernard heeft een groot litteken op zijn voorhoofd. Hij is zenuwachtig, krijgt elke minuut telefoon, geeft aan die telefoon instructies ‘iemand te blijven volgen’ en kijkt telkens achterom.

Voor jeugdbendes van politieke rivalen werden jongeren geronseld in de fumoirs van Abidjan

Hij wil getuigen en legt de link tussen drugshandel en de politieke crisis van 2010‑2011, tussen politieke rivalen Alassane Ouattara en toenmalig president Laurent Gbagbo. Als zestienjarige werd Bernard net als veel jongeren uit de armste delen van de stad ingelijfd in de zogenaamde groupes d’autodéfense, gevechtstroepen die door de twee politieke rivalen overal in de stad werden opgericht.

“Ik vocht aan de kant van Ouattara”, vertelt Bernard. “We voerden aanvallen uit en hielden toezicht op wie ons deel van de stad betrad. De oudsten van ons kregen geweren, wij kregen machetes en messen. We kregen pillen om ons de moed te geven om te vechten. Ik vocht met een machete, maar heb nooit gemoord. Ons werd beloofd dat we naar het leger zouden mogen als we wonnen. Dat gebeurde maar met enkelen.

Onze chefs kregen na de crisis banen bij het leger, de politie en gendarmerie. Wij niet. Wij werden toegewezen aan nieuwe chefs, namen de huizen in van de personen die verdreven waren. Toen werden we microbes. We hielden ons bezig met geld stelen, drugshandel en drugssmokkel: cannabis, pillen en crack. Dat gebruikten we ook allemaal zelf. Het gaf ons geld. En het gaf ons inspiratie.”

Belangrijk detail: Bernard noemt de nieuwe chefs, die na de crisis het bevel voerden over de microbes, steeds Babatchés. Een term die we eerder tegenkwamen: als uitbater van de fumoir. Dat is geen toeval. “Weten jullie dat dan niet?”, vraagt Bernard verrast. “De microbes kwamen uit de fumoirs.” De strijders van Ouattara én Gbagbo, aldus Bernard, werden geronseld in de fumoirs van Abidjan. De chefs van de fumoirs werden de chefs van de gevechtstroepen. Sommigen schopten het tot in het leger, de politie of gendarmerie. De anderen keerden zich na de politieke crisis, nu met politieke bescherming, opnieuw tot de drugshandel.

Drie onafhankelijke bronnen in de wijken Adjamé, Angré en Cocody bevestigen dit. Huidig minister van Defensie Hamed Bakayoko voerde destijds de troepen van Ouattara aan. Hij heeft meermaals openlijk gepleit voor het gebruik van het politiek correcte ‘kinderen in conflict met de wet’ in plaats van het ‘stigmatiserende’ microbes. Vorig jaar werd Bakayoko burgemeester van Abobo. Sindsdien zijn er geen aanvallen door microbes meer gerapporteerd. Of het staken van het geweld al dan niet op zijn bevel gebeurde? Op die schriftelijke vraag kregen we geen reactie.

Dit artikel kwam tot stand met steun van het Money Trail-project (www.money-trail.org) en verscheen eerder op MO.be

yiXVgltC_400x400

Over de auteur

Daan Bauwens is een Belgische onderzoeksjournalist, en heeft als freelancer stukken gemaakt voor Vice, De Morgen, De Standaard, Knack, MO* …
Bezoek auteurspagina
670

Over de auteur

Nicholas Ibekwe is hoofd onderzoeksjournalistiek van de Nigeriaanse Premium Times. Hij studeerde Englelse Taal aan de Lagos State …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief