Ontwikkelingsorganisaties hebben nog steeds hun waarde, maar dan moeten hun rollen beter worden gescheiden. Nu zijn ze te veel verstatelijkt, en zijn ze daarom nauwelijks meer vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld. Dat stelt Peter van Lieshout, auteur van het WRR-rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’. Van Lieshout waarschuwt daarnaast dat veel zuidelijke organisaties in antwoord op een westerse vraag zijn ontstaan, en nauwelijks burgerbewegingen te noemen zijn.

De toekomst van het maatschappelijk middenveld op het gebied van ontwikkelingshulp staat fundamenteel ter discussie. Althans, die indruk krijg je snel als je de stemming proeft van het debat dat OneWorld en Vice Versa vorm proberen te geven. Die indruk wordt nog eens versterkt door het inmiddels beruchte non-paper van staatssecretaris Knapen – een tekst, zoals menig commentator reeds heeft opgemerkt, die zijn naam echt eer aandoet. Werd vroeger de naam non-paper gebruikt voor een overheidsdocument dat nog geen officieel standpunt bevat, nu verwijst de naam naar een tekst waar niet zo bijster veel (nieuws) in staat.

Hel en verdoemenis
Hoe zit het met de toekomst van het maatschappelijk middenveld? Een bekende wijsheid luidt dat je kleine problemen groot moet maken, en grote problemen klein. Dat lijkt me ook in dit geval zinvol. Ik geloof niet dat er hel en verdoemenis over het maatschappelijk middenveld afgeroepen gaat worden. Maar ik geloof evenmin dat de ronkende betogen dat het maatschappelijk middenveld vooral door moet kunnen gaan op het gebaande pad, zogenaamd omdat het ‘onmisbaar’ is, de goede weg voorwaarts wijzen. Laten we een poging doen om het probleem te fileren.

Allereerst is het erg nuttig om in alle verontrusting een goed onderscheid te maken tussen vier verschillende vragen: wat is de betekenis van het Nederlandse maatschappelijk middenveld op het terrein van ontwikkelingshulp, wat is de betekenis van het maatschappelijk middenveld in ‘ontwikkelingslanden’ (voor zover we die term nog willen gebruiken), wat is de betekenis van maatschappelijke organisaties  en wat is de toekomst van het Medefinancieringsstelsel waaruit de organisaties nu overheidssubsidie ontvangen.  Die vragen hebben wel iets met elkaar te maken, maar veel minder dan vaak gesuggereerd wordt.

Achterban
Zo is het de vraag of de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties nog te beschouwen zijn als echte representanten van het Nederlandse maatschappelijke middenveld – dat overigens ook op veel andere terreinen aan het eroderen is. Nederlandse organisaties zijn sterk verstatelijkt. Het is evenzeer de vraag in welke mate zuidelijke ontwikkelingsorganisaties te beschouwen zijn als een representant van het maatschappelijk middenveld. Tijdens het werken aan het WRR-rapport over ontwikkelingshulp hebben we in Uganda een keer representanten van alle belangrijke maatschappelijke organisaties om tafel genodigd en bij hen de vraag in het midden gelegd wie ze eigenlijk representeerden. Naar schatting zestig procent bleek een direct product van westerse hulpstromen, twintig procent was een mantelorganisatie rond een politicus die in de oppositie zat, en twintig procent had een herkenbare achterban, veelal vrouwen.

Overheidsbemoeienis
De vraag wat er met het komende Medefinancieringsstelsel zal gebeuren, MFS3, loopt hier op een vertroebelende wijze door heen. De vraag wat er met dat stelsel gaat gebeuren zegt iets over de mate waarin en vorm waarin de overheid zich via een directe subsidierelatie wil bemoeien met het werk van maatschappelijke organisaties  – daarmee is op zichzelf nog weinig gezegd over de waarde van het middenveld, hooguit over de vorm van overheidsbemoeienis.
Het zou nuttig zijn als de verschillende aspecten ook los van elkaar zouden worden besproken. Zo zou het passen een meer algemeen perspectief te ontwikkelen op het eroderende middenveld in Nederland. Is het geen teken aan de wand dat onlangs de FNV zichzelf heeft opgeheven, of, beter gezegd, opnieuw heeft willen uitvinden? Na honderd jaar was die vorm blijkbaar niet meer passend bij de huidige arbeidsverhoudingen. De kerk als vorm van maatschappelijk middenveld is al evenzeer aan erosie onderhevig, maar hetzelfde kan gezegd worden van politieke partijen. Wat is dan de betekenis van Nederlandse maatschappelijke organisaties? Zijn dat feitelijk actiegroepen van verontruste burgers geworden, of uitvoerders van overheidsbeleid, of iets daartussen in. Maatschappelijke organisaties geloven nog steeds graag dat ze meer zijn dan actiegroep of uitvoerder, maar de vraag is wel wat dan precies.

Zetbazen
Ook blijft het ook opvallend stil over de rol van lokale ontwikkelingsorganisaties in ontwikkelingslanden. Toch zijn die in veel te hoge mate een westers construct. In sommige landen is een ware ‘scramble for NGO’s’ ( non-governmental organisations ) aan de gang omdat er meer westers donorgeld is dan lokale ngo’s die het weg kunnen zetten. Recentelijk is daar nog het probleem bijgekomen dat overheden in ontwikkelingslanden door middel van wetgeving willen voorkomen dat lokale organisaties een soort zetbazen worden van westerse politieke bemoeienis. In Ethiopië is al een wet van kracht die ngo’s die meer dan tien procent van hun budget van westerse donoren krijgen, verbiedt om zich met een aantal politieke thema’s te bemoeien. Landen als Kenia en Uganda overwegen vergelijkbare regelingen. Toen de Ethiopische regering aankondigde om deze wet in te dienen, liepen alle ngo’s te hoop tegen de regeling met het argument dat het hier ging om de inperking van fundamentele mensenrechten. Meles Zenawi, de minister-president, heeft toen de ngo’s uitgenodigd om daar eens over te komen praten, en vervolgens de vloer met ze aangeveegd. Waarom, zo vroeg hij, vinden westerse landen het goed dat buitenlandse mogelijkheden zich bemoeien met interne politieke aangelegenheden, terwijl bijvoorbeeld de grondwet van de VS het omgekeerde verbiedt. Daar zou een enorme rel uitbreken als Saudi-Arabië grote bedragen gaf aan oppositiegroepen. De internationale ontwikkelingssector is hem nog steeds een goed antwoord verschuldigd.

Ondergeschikt belang
In het licht van deze vragen – wat is de betekenis van het Nederlandse middenveld, en wat is de rol van zuidelijke organisaties  – is de vraag naar de precieze vormgeving van het MFS 3 van ondergeschikt belang. Toch zal die, zo vrees ik, de boventoon gaan voeren in het Nederlandse debat. Het is net als met het debat over de 0,7 procent voor ontwikkelingshulp: een groot deel van de sector weet dat er belangrijkere uitdagingen liggen dan de precieze hoogte van dat percentage, maar toch gaat iedere keer daar weer de strijd over. Zo zal ook het debat over het middenveld en de rol van zuidelijke organisaties  vrees ik snel teruggebracht worden naar de vraag hoe het MFS 3 eruit komt te zien.
Laat ik daarom een concreet voorstel doen hoe het Medefinancieringsstelsel  te transformeren, met als doel het maatschappelijk middenveld weer de plek te geven die het toekomt, en niet te doen alsof ontwikkelingsorganisaties daarmee per definitie samenvallen. Daarbij volg ik de driedeling in soorten ngo’s die we ook in het WRR-rapport hebben bepleit. We onderscheiden daarin organisaties met een uitvoerend karakter, met een opbouwend karakter en beleidsbeïnvloeders.

Nuttige clubs
Ontwikkelingsorganisaties met een uitvoerend karakter zijn er in soorten en maten, maar gemeenschappelijk hebben ze dat ze bijdragen aan concrete thema’s: ze richten zich op de opbouw van gebieden als de gezondheidszorg, de landbouw of het onderwijs. Dat zijn nuttige clubs, maar hun belang neemt de komende tien jaar stevig af, nu het aantal echt ‘arme’ landen sterk aan het dalen is. Ze zijn ook steeds minder nodig als concrete uitvoerder,  hooguit als partij die meehelpt bij het opzetten van een goed systeem voor gezondheidszorg, landbouw of onderwijs. Zij kunnen straks, zo stel ik voor, op twee manieren bestaan. Of ze worden betaald uit vrijwillige bijdragen van (Nederlandse) burgers – en dan staat het ze volstrekt vrij om te doen wat ze willen – of ze voeren hun werk uit als onderdeel van een bredere benadering om systemen in landen op orde te brengen. In dat laatste geval zijn ze contractant, van de Nederlandse overheid, van de overheid van het ontwikkelingsland, of van een derde partij.

Een dergelijke rol impliceert voor de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties  dat ze zich vooral laten voorstaan op hun deskundigheid, en dat betekent weer vergaande professionalisering en specialisatie. Deze ngo’s leveren  immers niet op voorhand betere kwaliteit dan wat een commercieel adviesbureau kan bieden. Kwaliteit en toegevoegde waarde staan hier voorop. Standaardfinanciering uit een Medefinancieringsstelsel  past daar niet bij. Overigens geldt deze redenering ook de ngo’s die zich richten op noodhulp. De inspanningen van de Nederlandse overheid zou er op gericht moeten zijn een fatsoenlijk internationaal systeem van noodhulp operationeel te krijgen, in plaats verder bijdragen aan een systeem van altijd over elkaar heen buitelende hulporganisaties.

Vakbonden en kerken
De tweede categorie ontwikkelingsorganisaties begeeft zich op het gladde pad van samenlevingsopbouw, ze proberen (politieke) instituties te versterken. Dat is geen eenvoudige opgave. Het veronderstelt een grote mate van gevoeligheid voor lokale verhoudingen en heel veel inzicht in de wijze waarop institutieopbouw verloopt. Het betekent ook zorgvuldig opereren om buiten de sfeer van partijpolitieke betrokkenheid te blijven. Nederlandse ngo’s claimen vaak deze rol te kunnen vervullen. Maar ze zijn erg terughoudend over de mate waarin ze ook kunnen beargumenteren en verantwoorden hoe ze op dit gebied precies optreden.  Het valt goed te verdedigen dat deze rol in aanmerking komt voor overheidssubsidie. Hier hebben maatschappelijke organisaties immers een evident voordeel boven directe overheidsbemoeienis. Zeker de organisaties die duidelijke banden hebben met het nog bestaande Nederlandse middenveld – zoals vakbonden en kerken – kunnen hier een cruciale rol vervullen; het is niet voor niets dat organisaties als ICCO trots zijn op de steun die ze aan Lula hebben gegeven toen hij nog gewoon een gevangen genomen Braziliaanse vakbondsleider was. Deze rol dient dan echter wel veel professioneler inhoud te krijgen, op basis van goed gekozen strategische plannen, die blijk geven van veel kennis en langdurige en diepgravende aanwezigheid in een beperkt aantal landen.

Luis in de pels
Tot slot zijn er de ontwikkelingsorganisaties die zich richten op de grote thema’s waarlangs ontwikkelingsvragen steeds meer vorm krijgen. Zij dragen kennis aan, maar zijn ook een luis in de pels. Ze voeren vooral strijd in Nederland – en in andere westerse landen. Er zijn goede argumenten om deze rol verder te versterken. Ontwikkelingsvraagstukken zullen in toenemende mate vraagstukken worden van voedselzekerheid, klimaatveranderingen, economische zekerheid, goede handelsverhoudingen en regionale stabiliteit. Dat zijn vraagstukken die complex zijn – kijk ook hoeveel moeite het de Nederlandse regering kost om een globaliseringsagenda waar de Tweede Kamer om gevraagd heeft, goed uit te werken. Het zijn bovendien vraagstukken waarbij zelden alle betrokkenen direct aan tafel zitten. Hier passen sterke maatschappelijke organisaties.

De vraag luidt in welke mate de overheid een rol heeft in het subsidiëren van dergelijke organisaties. Ik ben van mening dat een goede overheid dat doet als deze clubs niet ‘vanzelf’ voldoende kracht ontwikkelen. Overheden moeten zichzelf scherp willen houden. “Je moet je vijanden opvoeden”,  zo zei Nietzsche al: tegenspraak moet actief georganiseerd worden. Hier lijkt een subsidiemodel te passen dat maatschappelijke organisaties uitnodigt een substantieel deel van hun inkomsten bij burgers op te halen, net als Greenpeace en Natuurmonumenten dat doen. Maar in zo’n model wordt wel, al is het maar tijdelijk, extra steun gegeven aan onderwerpen die anders onderbelicht blijven.
Lossen we hier alle problemen mee op? Nee. Maar het dwingt ontwikkelingsorganisaties minstens om of als echte professionele uitvoerder op te treden, en dan gaat het niet meer om de vraag of ze maatschappelijk middenveld zijn, maar hoe goed ze hun werk doen. Of als echte middenveld organisatie , maar dan leggen ze ook langs die lijnen helder verantwoording af. Het zorgt er bovendien voor dat er niet ongebreideld geïnvesteerd wordt in zuidelijke organisaties, maar heel gericht en beheerst. Dat is allemaal winst.
 

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Peter van Lieshout is filosoof en psycholoog. In 2010 publiceerde de projectgroep Ontwikkelingssamenwerking, waar hij voorzitter van is, …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief